De Toerist essay themamaand

De Toerist: Schuimkoppen

Door Julia de Dreu | beeld: Cheyenne Goudswaard
1 april 2022

Een man met een baard, donker haar, veel haar, borsthaar, beenhaar, een paar verdwaalde rugharen, maakt driftige armgebaren tijdens het bellen. Zijn vrouw, topless, gifgroene bikinibroek, spreidt haar handdoek en daalt neer. Een kind gilt. Een man met een witte rug en rode nek, een tatoeage van een doodshoofd op de kuit, bodyboard onder de arm, strompelt richting zee. Een surfklas, tieners, dobbert op de golven. De Franse taal zingt, de zee ruist.

Naast mij ligt S. op haar buik. Ze plukt aan haar lip terwijl ze een boek leest. Het is een grappig boek, vermoed ik, want af en toe lacht ze hardop en wanneer ze dat doet valt haar gezicht een beetje opzij en haar kin naar haar borst, alsof haar gezicht plots erg zwaar is geworden. Haar huid is gevoelig en roze, maar zal nog bruin worden denkt ze, en ze draagt een witte bikini om die aanstaande bruine gloed te benadrukken. Er kleven zandkorrels aan haar slapen. Ik kijk naar haar zoals ik naar geliefden kijk. Onze vriendschap is met de jaren intiemer geworden, minder vanzelfsprekend.

Zelf lees ik ook een boek, maar ik heb mijn denkvermogen onder de brandende zon overschat en de woorden blijven als dikke stroop op de bladzijden kleven. Ook de artikelen in het dubbeldikke zomernummer van een weekblad dat ik graag lees, willen maar niet tot me doordringen. Ik had iets lichters mee moeten nemen, de zomer is niet geschikt voor het opdoen van intellectuele kennis en ik moet bovendien leren wat vakantie is. Dan maar ijs halen, twee keer yoghurtijs in een bakje, waarvoor ik een kwartier in de rij sta en contant betaal. Omdat het yoghurtijs op is kies ik vanille, en het verbaast me hoezeer deze onvoorziene wending me van mijn stuk brengt.

Niet ver hiervandaan, achter twee duinen en een kort bospad, staat onze tent. We hebben hem aan de voet van een helling gezet, tussen dennenappels en de tenten van Spanjaarden. We wilden avondzon, geen ochtendzon, en dat is gelukt, en we voelen ons zeer praktisch vaardig. De voortent is bezaaid met zand, kleding en roze wc-papier. ’s Ochtends ben ik als eerste wakker, dan zet ik koffie en wanneer het water kookt hoor ik mezelf ‘oeh, boily, boily’ zeggen. Dit ritueel illustreert het intelligentieniveau van de rest van de ochtend, dag, week, wanneer ik met een dichtgeklapt boek op schoot op een klapstoel voor de tent zit, of plat lig op het strand.

Er nestelt zich een knagend soort ontevredenheid in mij, wat vermoedelijk te maken heeft met mijn onvermogen een boek te lezen. Het zou kunnen dat die ontevredenheid mijn grondstemming is, waar ik normaal gesproken geen gehoor aan geef maar die zich hier in de Franse stilte onontkoombaar aan mij opdringt. Het wakkert een onrust aan. De mensen om mij heen, waartoe ik S. ook reken, lijken uit gewoonte of gemakzucht niet te veel vragen te stellen. Het leven is hier niets meer dan een aaneenschakeling van activiteiten, overzichtelijk, praktisch, bevrijdend.

*

In een van mijn lievelingsfilms is het hoofdpersonage een nogal zwaarmoedige vrouw. Ze heet Delphine en de film is getiteld Le Rayon vert, geregisseerd door Éric Rohmer en uitgekomen in 1986. Al sinds ik de film voor het eerst zag, is het voor mij makkelijk identificeren met Delphine. Zomerfilms over introverte vrouwen zijn dun gezaaid – het seizoen is blijkbaar synoniem aan uitbundigheid en frivoliteit – maar Delphine is precies het soort personage dat mijn gemoed van die ene zomer kan uitdrukken in film.

De jonge Parisienne ziet haar stad in de zomer leeglopen. Haar vrienden vertrekken naar buitenhuizen en resorts, maar zelf heeft ze geen idee wat ze met de vakantie aanmoet. Haar plannen met een vriendin lopen spaak en haar relatie is net uit. Ze heeft last van een onbestemde heimwee, ze verlangt naar een plek die er niet meer is. De uitnodigingen van vrienden en familie staan haar allemaal tegen, evenals het vooruitzicht de hele periode alleen door te brengen. Ze laat zich op sleeptouw nemen door een vriendin en diens familie, richting het Franse platteland, Cherbourg.

Ze dineert met hen, wandelt met hen over stoffige landweggetjes, speelt met de kinderen, lacht mee wanneer er gelachen wordt. Toch blijft haar voorkomen hangerig, slepend, en groeit het vermoeden dat het gezelschap haar misschien wel tolereert, maar ook opgelucht zal zijn wanneer ze weer vertrekt. Even komt die spanning aan het licht, in de manier waarop haar vegetarisme wordt ontvangen. ‘Moi, je mange pas de viande,’ zegt ze verontschuldigend, en ze vindt alleen salade eten overigens prima, maar haar gezelschap raakt een beetje geïrriteerd, en ze krijgt een koude ‘Fallait nous le dire on aurait fait autre chose’ terug. Als je het had gezegd, hadden we iets anders gekozen.

Delphine vertrekt, alleen, eerst naar een Zwitserse berghut waar ze nog geen dag blijft, dan naar de Franse kust. Ze hangt op het strand, naast zandkastelen en parasollen waar natte, harige en zongebruinde benen tussendoor schieten. Ze vangt vermakelijke gesprekken op, ze observeert. Maar wanneer ze in gezelschap van haar nieuwverworven vriendin Lena – een opgewekte Scandinavische – verkeert, zit ze de situatie weer even lamlendig uit. Ze wil voortdurend weg, niet zozeer ergens naartoe, eerder weg van waar ze is.

Hoewel ik niet precies mijn vinger kan leggen op wat me raakt in Delphine, vermoed ik dat het te maken heeft met die vermijdende houding, als een ontkenning van, of nee-reflex op de werkelijkheid. Delphine is van het observerende soort, bedachtzaam, met een sterkte hang naar verbinding, maar, tegenstrijdig genoeg, ook een talent voor terughoudendheid.

Dan is er ook nog de zomer als een groot braakliggend terrein, en de veelheid aan bestemmingsplannen roept een besluiteloosheid in haar op, een verlammend gevoel dat dieper gaat dan alleen deze periode, maar raakt aan een meer allesomvattende keuzenarcose.

*

Het boek dat ik die zomer aan de Franse kust probeerde te lezen was The Awakening van Kate Chopin, uit 1899. Het exemplaar dat ik had geleend in de bibliotheek was duidelijk doorleefd, de harde kaft hield het geheel nog net bijeen, er zaten ondefinieerbare bruine vlekken op de bladzijden en voorgangers hadden er met potlood in gekrabbeld. Ik las het boek uiteindelijk toch nog, thuis, in de drie dagen voor ik het moest inleveren – ook om te lezen heb ik soms een deadline nodig.

Het correspondeerde op een vreemde, onheilspellende manier met mijn vakantiegevoel, met mijn gedachten over Delphine, die mij toen al vergezelde in mijn belevingswereld. In The Awakening reist een vrouw, Edna, in de zomer naar een Amerikaanse kustplaats. Ze is van dezelfde leeftijd als Delphine en ik, maar de tijdgeest gebiedt een andere levensweg: ze heeft een man en twee zonen, die haar vergezellen op vakantie. Edna’s huwelijk is van het onderdrukkende soort, waarbij de vrouw zich schikt in haar rol als verzorger en huishoudster. Ze beleeft haar seksualiteit buiten het huwelijk, in vluchtige verliefdheden, eerst zonder naar het verlangen te handelen, en dan uiteindelijk toch, het is tenslotte de heerszuchtige liefde. Haar prille gevoelsleven ontlokt een meer algemene hang naar zelfexpressie, dat bij het hoofdpersonage zowel geestdrift als schaamte oproept, maar nauwelijks echt tot uiting komt.

In een essay van de Amerikaanse schrijver Vivian Gornick lees ik over The Awakening: ‘Een vrouwenleven was in Chopins ogen een metafoor voor het leven in de droomstaat dat te lang doorging. Inzicht, als het al kwam, ging zelden gepaard met het vermogen de chronisch sluimerende wil te activeren. Kwam de eigen wil niet in actie, dan ontstond er een vacuüm. Dat vacuüm werd opgevuld door een dominerende kracht. […] De roman leest als een leerboek over de aard en gevolgen van de (in)actieve wil.’ Gornick kiest ervoor Edna’s karakterkwaal te omschrijven als ‘de inactieve wil’. Even dacht ik het te kunnen vervangen voor willoosheid, maar dat is een onnauwkeurige benaming, want de wil is er wel, maar sluimert ergens onder het oppervlakte van het voorkomen.

Gornick is een feminist van het felle, nietsontziende soort, wat misschien niet direct een match is met het weelderig proza van Chopin. Toch merkt Gornick op dat het werk ‘wars is van sentiment, wars van eufemismen’, en dat Edna ‘precies doorziet hoe het met haar gesteld is’. Edna’s hang naar introspectie zag ik terug in Delphine en mijzelf, hoewel onze levens sterk verschillen. Het leek iets universeels bloot te leggen over neerslachtigheid, ongeacht de uiterlijke omstandigheden. Gornick schrijft, op licht gefrustreerde toon, ‘Edna’s inspanningen om iets van het leven te maken zijn minimaal. (Ze heeft het licht gezien. Is dat niet genoeg? Waarom vallen de dingen niet op hun plaats? Waarom blijft alles zo móéilijk?) De pianiste blijft haar vertellen dat kunst (zelfexpressie) eindeloos hard werken is, maar tijdens hun gesprekken kan Edna haar aandacht er niet bij houden. Het minste of geringste put haar uit, onmiddellijk. […] Af en toe lijkt ze heel eventjes te begrijpen wat er van haar gevraagd wordt, zich bewust te worden van haar verdoofde toestand, maar het moment gaat voorbij en we zien dat dat niet het geval is. Maar belangrijker: Kate Chopin begrijpt het evenmin.’

Dat ik mij verbonden voel met Edna, betekent dat ik mij verbonden voel met een intelligente, bedachtzame vrouw, en met een vrouw die nog voor haar dertigste de zelfverkozen dood tegemoet treed – die perspectieven zitten allebei in mij, en zal ik waarschijnlijk een leven lang meedragen. Het is geen verbinding die me schrik aanjaagt, of waar ik om een of andere reden niet voor uit durf te komen, maar de verbinding met een willoos personage lijkt tegenwoordig vrij onpopulair. Wanneer vrouwelijke personages in hedendaagse films of romans geen sterke wil of motivatie hebben, wordt hun vaak verweten geen persoonlijkheid te hebben, niet ontwikkeld te zijn. Kan die onuitgesprokenheid niet een uiting van een meer fluïde, zoekende persoonlijkheid zijn? (De vraag stellen is hem beantwoorden.) De wanhoopsdaad van Edna in The Awakening zie ik liever als een afspiegeling van inmiddels achterhaalde ideeën over de onontkoombaarheid van patriarchale wetten, dan dat het een waarheid verkondigt over vrouwelijke onderwerping. Gelukkig kunnen vrouwen, en mensen in het algemeen, tegenwoordig opener en vrijmoediger in het leven staan.

*

S. en ik rijden na twee weken terug naar huis. Omdat we de Suzuki, een zwart koekblik, tweedeurs, van mijn ouders hebben geleend, brengen we die eerst terug naar Zeeland. Op de ring van Parijs staan we in de file, de Parijzenaren zuchten, roken uit het raam, toeteren agressief. Door de warmte zinken we weg in onze stoelen, de openstaande ramen laten meer uitlaatgassen dan zuurstof binnen. Heel even balanceren S. en ik op de grens van ruzie. De woordenwisseling is te verhit voor een gewoon gesprek, en te genuanceerd voor werkelijk gedonder. Aanleiding is mijn gebrekkige kaartlezen, wat S. kan verbinden aan mijn algemene onoplettendheid, dromerigheid, nutteloosheid. Ik heb op mijn beurt iets te zeggen over de dwingende, vurige kant van haar persoonlijkheid. Daarna houd ik me stil van Parijs tot Terneuzen, al weet ik niet precies waarom.

Wanneer ik de brandende Franse zon heb verruild voor het Zeeuwse wolkendek waaronder mijn ouders wonen, kom ik langzaam terug in mijn taal. Ik zit in de tuin, tussen rozenstruiken en muizenorgaantjes (het werk van een fanatieke kat), en sluit mijn ogen. Hier blijft alleen het omhulsel van de warrige loomheid overeind, een omhulsel dat ik nu al nauwelijks kan aftekenen. Mijn huid vervelt en vernieuwt, de taal vormt zich traag en meanderend. Hoewel ik weerzin voel tegen het idee dat sommige vormen van somberheid zich moeilijk laten verklaren, voel ik me merkwaardig rustig, helder, opmerkzaam.

De woorden komen bij mij wel vaker te laat, ze staken, ze saboteren. Ik kan niet anders dan die eigenschap cultiveren, zoals ik al mijn tekortkomingen cultiveer – het is niet in lijn met mijn persoonlijkheid beroep te doen op mijn aanpassingsvermogen. Want, zoals Vivian Gornick het waarachtig formuleerde, ‘de manier waarop je het leven ervaart is onvermijdelijk ook de manier waarop je het leven leeft.’

 

Bronnen

  • Le Rayon vert, Éric Rohmer, 1986 (Film)
  • The Awakening, Kate Chopin, 1899, Penguin Books (Roman)
  • Het einde van de liefdesroman, Vivian Gornick, 2020, Nijgh & Van Ditmar, vert. Caroline Meijer (Essaybundel)

 

Over de auteur

Julia de Dreu (1996) schrijft, gutst en leeft langzaam. Ze studeerde Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en werd geselecteerd voor het Slow Writing Lab van het Nederlands Letterenfonds.

Over de illustrator

Cheyenne Goudswaard (1996) is illustrator en animator, afgestudeerd aan de St. Joost School of Art & Design in Breda. In haar werk verkent ze thema's als liefde, verlies en verschil. Ze vertaalt complexe onderwerpen naar poëtische, gevoelige en intieme beelden, ondergedompeld in warme kleuren en afgewerkt met karakteristieke fijne lijnen en texturen. Zie Cheyennes website en Instagram.

Lees meer uit de categorie De Toerist essay themamaand

De Toerist: waar sparen we nou eigenlijk voor

Door Mees van der Made

Zijn het de plaatjes in stippenbikini de harten die we vangen van thuisblijvers, uit medelijden en jaloezie Is het een afdruk van dat we er waren met ijsjes glazen ijsklontjes onder miniparasols; we er waren, samen We draaien weer dubbeltjes van één twee drie sparen uren dagen op onze loonlijst voor wat in ruil voor […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen