kort verhaal

Levenselixir

Door Celine Vervaet | beeld: Ilse Busschers
6 mei 2022

Terwijl opa’s kist de grond in gaat, steken Charlie en ik de straat over naar Café Bakker. In de achterzaal staan hoge tafeltjes, er zijn sandwiches met kaas en preparé. We zullen starten met koffie en eindigen met pintjes. Het leven is mooi geweest voor opa Dorus en een week geleden was dat leven tot de laatste druppel op.

      Toch hoef ik niet te zien hoe de kist de grond in wordt getakeld. Ook berusting kent haar grenzen. Ik kan me niet inleven in de behoefte een schep aarde dof op het hout te horen vallen, of godbetert een roos in die bruine put te willen gooien. Charlie loopt geduldig naast me, beweegt mee waarheen ik bewegen wil. Samen gaan we aan zo’n hoog tafeltje staan.

      De hand waarmee ik nu flauwe koffie naar mijn mond breng, heb ik daarstraks nog op de rand van opa’s kist gelegd, de gladde groef in het deksel met mijn duim gevolgd. Een raar gebaar naar een onzichtbaar lichaam, door een kistwand van me gescheiden.

      ‘Ik zou ekik nu wel een elexireke meugen,’ grinnikt Charlie. Ik lach en denk niet alleen aan opa Dorus en het glaasje graanjenever dat na het avondeten vlot naar binnen ging, en dat ik vanaf mijn zestiende verjaardag steevast kreeg aangeboden, maar ook aan fietstochten in groep naar feestjes. Mijn vrienden en ik, ieder zo’n zakflacon in de binnenzak met daarin vanillejenever, appeljenever, mierzoete brouwsels.

      Ik denk aan het bankje bij de rand van het bos waar we elkaar vonden, opgemaakt, aangeschoten, klaar voor wat er die avond ook maar op ons wachtte. Marije en ik, onafscheidelijk, omringd door klasgenoten, volleybalteammaatjes en alle mensen die aansloten. Dat zij me voorstelde aan Charlie, die ze zelf pas had ontmoet. Dat ze danste met open ogen. Starend naar het gewoel, naar de ingang van de zaal waar nieuwe mensen het feest betraden. Alsof de verlosser elk moment kon binnenwandelen. Dat ze dan op iemand afstoof die ze kende. Dat ze elk uur weer met nieuwe mensen danste. Want nieuw is altijd beter en kan niets met verliezen te maken hebben.

      We vonden elkaar later op de avond weer, dat wisten we. Wij tweeën sloten de feestjes af. En altijd zei ze dat zinnetje van hoe later op de avond, hoe schoner het volk.



Waaraan blijven gedachten haken die je niet durft te denken? Aan woorden die een mens niet over zijn lippen krijgt, die ergens achter in je keel haperen en op je tong stranden? Waar ligt de grens van denken en niet denken? 

      Terwijl wij een tweede kop krijgen ingeschonken, slaan op het kerkhof mensen een kruisteken met zo’n staafje waarin wijwater zit. Het kopje valt zwaar naar beneden wanneer je het van de man met de witte handschoenen in je handen krijgt geduwd en het kruisteken dat je ermee slaat is veeleer een spiraal die in het wilde weg druppels op het hout nalaat, een soort mini-tuinsproeier voor fauna die nooit meer tot leven komt, maar niemand die daarop let.

      Marijes kist heb ik nooit gezien. Ook niet het dode lichaam in die kist, en ik weet dat er gedachten zijn die ik niet denk. Vragen die ik niet stel. Die ik wegduw naar een plek in mezelf die ik niet wil kennen. Ik weet niet of er een wijwaterstaafje aanwezig was.

      Ik was niet naar het station gerend, niet op het vliegtuig gestapt. Mijn ouders trachtten me te overhalen, maar ik bleef waar ik was, in een Franse stad waar ik niet één Fransman kende, en waar Marije niet dood was. Ik had er vrienden gemaakt in mijn studentenhuis, op de universiteit, op de feestjes die voor ons werden georganiseerd. Ik leefde in een vacuüm maar ging altijd voor het einde van het feest naar huis. Want het schoonste volk zou daar niet komen. Niet voor en niet na haar dood. En ik wist niet op welke feestjes zij nog had gedanst met tientallen pseudoverlossers.

‘Eigenlijk doet opa’s dood me vooral denken aan Marijes dood,’ zeg ik. ‘Zijn dood kan ik rechtvaardigen.’ En ik herinner me de laatste keer dat ik de deur van zijn flat sloot, door de lange, steriele gang liep en het beeld probeerde te wissen van mijn grootvader in een luier.

      Na de stilte voeg ik toe: ‘Zou Marije willen terugkomen?’ Maar Charlie weet dat ik op zulke vragen geen antwoord verwacht.

      De laatste keer dat ik opa’s lichaam zag leek zijn huid van marsepein. Ongemakkelijk in elkaar gevlochten vingers dwongen hem tot een eeuwig laatste gebed naar zijn God die niet de mijne is. Zijn gezicht was met make-up bijgewerkt en leek zo te kunnen ontwaken. Dat had hij wel gewild. Van die ongemakkelijke tafel af te strompelen en nog wat kaartspelletjes en petanque te spelen. Nog een paar jaar, tot ik met kinderen naar hem toe zou komen en hij het allemaal had gezien.

      Net zoals ik niet de trein en niet het vliegtuig nam, me niet liet ophalen op de luchthaven en niet naar haar begrafenis ging, denk ik niet meer aan de laatste keer dat ik Marije zag, vlak voor ik naar Frankrijk vertrok. Voor mijn ogen zie ik enkel de Marije die met mij de avond zou uitzitten. Ik ging maar voor drie maanden weg.

In rouw is mijn leven een niveau gezakt en hoewel goed omringd, leef ik er alleen, in die verzonken stad als uit een Suske & Wiske-album. Om de stad heen staan hoge, glibberige muren waar het oude leven is afgebrokkeld en naar beneden gegleden.
      Er zijn dagen waarop ik die gladde muren amper opmerk, dat ik niet de woede voel omdat ik ze niet kan beklimmen. Dagen waarop de wereld bovenaan die muren een mooie herinnering is.

      En er zijn dagen dat ik tegen het egale oppervlak aan sta te schreeuwen. Ik weet dat daarboven het oude leven is, dat daarboven mijn vriendin rondloopt en dat ik er nooit meer heen kan, dat er niet één mogelijkheid is om haar in de armen te vallen, behalve zelf te sterven, en zelfs dat is ijdele hoop. 

      En nu zegt Marije opa Dorus gedag. Ze klinken met jenever.

De eerste mensen lopen het zaaltje binnen en nemen dezelfde flauwe koffie die wij koud hebben laten worden. Weggepinkte tranen zijn al lang van wangen afgeveegd. Charlie tikt berichten op een telefoon met gebarsten scherm. Vanavond gaat ons leven door zoals het al vijf jaar doorgaat. Zaterdagavonden spenderen we in de kroeg en nemen we zoals ze komen. Geen van verwachting vervulde ijskoude avonden bij de bosrand meer. Geen stiekem sterkedrankgesmokkel, hooguit een onverwachts doorzakken.

      En ik droom dat ze weer langs zal komen, mijn Marije, later vanavond. En zo schoon.

 

Over de auteur

Celine Vervaet schreef als kind verhalen in schriftjes en is daar nooit mee gestopt. Ze studeerde kunst- en architectuurgeschiedenis in Gent en heeft een zwak voor Franse muziek en koperblazers. Vandaag woont en werkt ze in Rotterdam, waar ze liefst van al bij The Writer’s Guide (to the Galaxy) vertoeft. In haar verhalen zijn de hoofdrollen vaak weggelegd voor steden en nostalgie. Zie celinevervaet.com.

Over de illustrator

Ilse Busschers is een 2D-animator en illustrator uit Zwolle. Speelsheid in lijn, kleur en onderwerp blijven een grote rol in haar werk spelen, ook al wisselt ze regelmatig van materiaal. Met een focus op dieren en natuur blijft ze zoeken naar het gekke en grappige, maar er blijft ruimte voor serieuzere onderwerpen. Zie instagram.com/IlseMakesStuff.

Lees meer van

Wie dit leest is een stalker

Door Celine Vervaet

Wie dit leest is een stalker We hadden WIE DIT LEEST IS EEN STALKER op stickervellen geschreven en plakten die op lantaarnpalen in de stad. Farah keek lachend naar me om terwijl ze met haar rechterhand over een vers geplakte sticker wreef. Haar korte, steile haren hingen nat samengeklit voor haar ogen. De vingers waarmee […]

Lees meer uit de categorie kort verhaal

Stijlestafette: Mannenpraat

Door Evelien Flink

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven. Zeg? Hm. Lukt het? Hm. Nou? Hm. Misschien kun je beter – Au! Godstyfus! Gaat-ie? Nee, goddomme. Fuck, m’n duim. Kijk die snee man! Laat mij dan – Jezus, ’t bloedt als een rund! Hier, […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen