kort verhaal

De appeltaart

Door Janna Ondracek | beeld: Eva ten Cate
31 augustus 2022

Mijn baas heeft gister een taart gebakken. De geur van warme appel met kaneel hangt nog steeds door het hele huis. Mijn baas bakt nooit taarten. Nadat hij de appeltaart uit de oven had gehaald en had neergezet op het aanrecht, ging hij op de bank liggen. Mijn baas ligt nooit op de bank. Ik liep naar hem toe en ik ging bij hem liggen. We vielen samen in een lange diepe slaap.

Ik droomde over geuren. De geur van rauw vlees. Een geur die ik lang niet meer heb geroken. Mijn baas is vegetariër. De geur van de lente wanneer het net heeft geregend. Wanneer er op straat van die plasjes ontstaan waar ik dan uit kan drinken. De geur van Boef, de hond van de buurvrouw. De geur van samen rennen over het veldje.

De appeltaart staat nog altijd onaangebroken op het aanrecht. Ik ben net met mijn twee voorpoten tegen het aanrecht opgesprongen om de taart beter in me op te kunnen nemen. Mijn baas lag nog te slapen, dus ik had alle tijd. Ik ademde een aantal keer diep in en uit. Naast appel en kaneel rook ik boter, suiker, citroen, anijs, en slagroom. Een klodder kwijl druppelde uit mijn bek op het keukenblad. Dat heb ik toen snel weer opgelikt, zodat mijn baas er niet achter zou komen dat ik in de keuken ben geweest.

Mijn baas zet zijn eten altijd in het midden van het kookeiland, precies zodat ik er net niet bij kan. Toen ik hier net woonde, deed hij dat nog niet. Eén keer heb ik een hele schaal lasagne bolognese met bechamelsaus leeg gelikt. Dat dit niet de bedoeling was, heb ik op harde wijze geleerd. Het eten staat nu altijd op plekken waar ik het wel kan ruiken, maar niet kan proeven. Maar het allerergste vind ik misschien nog wel dat ik mijn baas heb teleurgesteld.

Na het lasagne-incident begon hij zich anders te gedragen. Toen we net samenwoonden, zakte hij altijd door zijn knieën om me helemaal in zijn armen te nemen wanneer ik op hem af kwam rennen. Nu roept hij al ‘af’ en ‘foei’ als ik alleen maar met mijn staart kwispel. We gaan sindsdien ook steeds minder vaak samen naar het bos. De laatste keer dat ik de lauwe modder van het veldje onder mijn poten voelde, kan ik me haast niet meer herinneren. Kort na het lasagne-incident stopte hij ook met vlees eten.

Mijn maag knort. Mijn baas ligt nog steeds op de bank. Zacht gesnurk. Normaal gesproken zou hij rond dit tijdstip allang mijn brokken in mijn bak hebben gedaan. Ik vraag me af of zijn vreemde gedrag te maken heeft met het pakketje dat gister werd bezorgd: een grote kartonnen doos, goed ingepakt met een enorme hoeveelheid grijs tape. Lang voordat de bel ging, had ik de pakketbezorger al aan ruiken komen. Ik begroette hem door hard te blaffen. Mijn baas kwam snel aangerend: ‘Af!’ ‘Foei!’

Zonder iets te zeggen pakte hij de doos van de bezorger aan. Met zijn voet duwde hij de deur achter zich dicht. Hij liep terug de woonkamer in en zette de doos op het midden van de houten tafel. Toen ging hij de taart bakken.

Misschien dat mijn baas nooit taarten bakt omdat er in zijn leven weinig te vieren valt. Zijn weekenden brengt hij alleen door, op de bovenverdieping. Vrienden heeft hij niet en zijn familie zie ik alleen wanneer we met z’n allen naar het strand gaan. Samen met de kinderen van zijn zus ren ik dan door de branding. Ik denk dat mijn baas niet van kinderen houdt. Of niet van mensen in het algemeen. Het is al langer dan een jaar geleden dat de laatste familiebijeenkomst was.

Mijn baas gaat niet meer naar zijn werk. Hij zit dagenlang aan de houten tafel in de woonkamer tegen zijn computerscherm te praten. Hij draagt dan meestal een nette witte blouse, met daaronder zijn grijze joggingbroek en sloffen. Ik had gehoopt dat we meer dingen samen zouden gaan doen nu hij meer thuis is.

Het eten van mijn baas wordt ’s avonds meestal langsgebracht door een jongen met een kubusvormige rugzak en een oranje fiets. Mijn baas steekt altijd een kaarsje aan voordat hij het in karton verpakte voedsel met kleine hapjes naar binnen werkt. Ik lig dan onder de tafel, warm tegen zijn voeten. Als hij klaar is met eten, gooit hij het karton in de bak in de hal waar ik ’s nachts de restjes uit de verpakkingen lik. Dan doet hij het licht uit en gaat hij naar de bovenverdieping. Daar blijft hij dan tot het weer ochtend is.

Mijn baas is opgestaan van de bank. Ik open mijn ogen. Hij loopt naar de keuken. Ik sta op en ik volg hem. Hij draait zich om en hij lacht naar me. Ik vlei mijn hoofd tegen zijn bovenbeen aan. Hij aait me langs mijn oren. Ik voel een warmte tussen ons die ik al jaren niet meer heb gevoeld. Misschien wordt alles nu weer zoals het vroeger was.

Hij pakt de appeltaart die op het aanrecht staat. Met de taart in zijn handen zegt hij: ‘Zit.’

Ik heb er een hekel aan als hij me zo commandeert, maar de mogelijke beloning is zo groot dat ik zonder aarzelen ga zitten. Dan doet hij iets wat ik nooit had durven dromen: hij zet de taart op de grond voor me neer. Mijn speeksel druipt op de zwart-wit geblokte keukenvloer.

‘Toe maar,’ zegt hij dan.

Ik kijk hem vragend aan. Na het lasagne-incident kan ik het me niet meer permitteren om fouten te maken. Hij lacht weer en hij knikt aanmoedigend.

Met mijn tong lik ik eerst alle slagroom van de taart. De smaken zijn nog intenser dan de geuren. De room is zo smeuïg als modder en de goudbruine koek is zalig plakkerig maar tegelijkertijd ook verrassend luchtig. Ik doe er ongeveer vijf seconden over om de rest van de taart op te eten. Trots kijk ik omhoog naar mijn baas.

‘Goed zo,’ zegt hij.

Dan pakt hij een scherp mes uit de keukenla. Hij loopt naar de woonkamer waar de doos sinds gisteren ongeopend in het midden van de tafel staat. Met slagroom in mijn snorharen loop ik achter hem aan. Hij snijdt de doos open. Ik leun met mijn hoofd op de tafel om met hem mee te kunnen kijken. Met twee handen tilt hij een lang touw uit de doos. Het doet me denken aan mijn riem en ik begin te kwispelen.

‘Niet voor jou,’ zegt hij met zachte stem.

Hij laat het touw door zijn handen glijden. Een paar seconden blijft hij staan. Hij aait me nogmaals over mijn hoofd. Dan pakt hij het touw en loopt de trap op. Ik hoor gestommel op de verdieping waar ik nog nooit geweest ben. Dan wordt het stil.

Over de auteur

Janna Ondracek (1997) is beginnend schrijver en vertaler. Ze studeerde af in Arabische taal en cultuur in Amsterdam, behaalde een master sociologie (Engaging Public Issues) in Rotterdam en studeerde in Egypte en Jordanië. Ze werkt bij een bakker, leest veel (het liefst op het dak) en kookt graag voor en met vrienden. Dit is haar eerste prozapublicatie.

Over de illustrator

Eva ten Cate is een enthousiaste maker, op het moment gevestigd in Zwolle. In haar werk gebruikt ze verschillende materialen. Momenteel heeft ze een voorliefde voor potlood, inkt en grafische technieken. Zie Eva's Instagram.

Lees meer uit de categorie kort verhaal

Blauwe druiven

Door Lisanne van Aert

De geur van de kringloopwinkel in het dorp, die simpelweg ‘De Kringloopwinkel in het Dorp’ heette, deed Petra denken aan het keldertje waar haar grootvader vroeger bloemen droogde. Hij verstopte narcissen en klaprozen in de natuurboeken en encyclopedieën. Zo vond ze ooit eens een botergele tulp tussen de troskieuwige zeepaardjes en moest ze blozen toen […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen