essay

Hoe je scherpe randen omarmt tot ze zacht worden

Door Loïs Luca | beeld: Dilruba Tayfun
7 oktober 2022

Zwijgend staan we tegenover elkaar, de vuisten gebald. De hond loopt met zijn staart tussen de poten slalommend om onze verwijten heen. De verwarming loeit de kamer warm. Toch trillen mijn handen wanneer ik mijn haar uit mijn gezicht veeg. Vanbinnen groeit de onrustige kluwen verdriet die ik al maanden probeer te sussen met alles wat er tussen ons niet is. Mijn tanden klapperen terwijl ik me probeer te verontschuldigen. De woorden blijven achter. De hond springt op de bank, krult zich op en legt zijn snuit zuchtend op de voorpoten.

Later op straat word ik overvallen door het verlangen naar een sigaret. Regen nestelt zich in mijn haren. In de avondwinkel, op de hoek, sust de eigenaar zijn baby langzaam achter de kassa in slaap. Hij rijdt de wagen heen en weer in het gangpad en fluistert in een taal die ik niet ken. Met moeite beweeg ik me om de wagen heen.

‘Heb je ook Lucky’s?’ vraag ik.

De man schuift de vuilniszak die aan een schap boven zijn hoofd is vastgetapet opzij. Een stapel donkere pakjes staart me aan.

‘Light of gewoon?’

‘Die bruine met blauw,’ antwoord ik. Ik heb al vier jaar geen pakje sigaretten meer gekocht.

De baby in de wagen begint te huilen. Uit het niets schreeuwt het kleine wezen alsof er iets zwaars op hem is gevallen.

Ik pak nog een aansteker en reken af. De man heeft zich al omgedraaid en zich over de baby ontfermd. Zijn woorden vormen een zachte melodie die meekabbelen met het wiegen van de wagen.

Treuzelend sta ik bij de schuifdeur. De stem van de man is zacht. Ik wil me omdraaien en naast de baby gaan liggen. Vol liefde toegezongen worden. Weten dat als ik huil, er armen zijn die me onvoorwaardelijk zullen troosten. De baby kalmeert. Ik schuif de deur open en hoor het kermen kirren worden wanneer ik hem achter me sluit.

Buiten neem ik een eerste hijs van mijn sigaret, die direct wordt gevolgd door een hoestbui. In plaats van terug naar huis te gaan loop ik verder. Elke hijs voelt onprettig, maar legt tijdelijk een deken van mist over het zware, stekende gevoel van verdriet.

Het miezert zachtjes. De straat is vrijwel leeg op een enkele auto na. Ik doe mijn capuchon op en ben van plan net zolang door te lopen tot ik al het verdriet vanbinnen als wespen uit hun nest naar buiten heb gerookt. Maar aan het einde van mijn sigaret is het nog steeds aanwezig. Verhuld in een rookgordijn ligt het als lood in mijn buik.

Ik zou nu naar huis kunnen gaan, onder de dekens liggen en een boek lezen. In plaats daarvan dwaal ik verder door de donkere straten, zoekend naar een andere manier van troost. Ik vis een tweede sigaret uit het pakje en steek hem op. Hij lijkt nog viezer te smaken dan de eerste. Kun je jezelf wel troosten met iets wat schadelijk is?

Vorige week, aan het einde van de dienst in het café waar ik werk, keek mijn collega op de klok. ‘Kwart voor negen, kan ik nog snel even naar de Appie.’

Ik vroeg hem wat hij ging halen.

‘Een lekker flesje bubbels, misschien twee, voor bij de film in bed. Een beetje me-time.’ Wanneer het verdriet de kop opsteekt, zijn we geneigd te grijpen naar dat waarvan we weten dat het niet goed voor ons is. Drank, taartjes, verkeerde handen op een kwetsbaar lichaam, drugs, een jointje om de gedachten te verzachten, overmatig sporten, online shoppen. Me-time. Tijd waarin we trots verkondigen ruimte en aandacht aan onszelf te geven. Tijd waarin we naar schermen staren. Aflevering na aflevering, tot zelfs Netflix vraagt of we nog wel aan het kijken zijn. Eindeloos turen tot we uiteindelijk onszelf vergeten. Iedereen heeft zijn eigen knop voor zelfdestructieve zelfliefde.

Een andere collega van mij bekende laatst schoorvoetend dat hij af en toe in de nachttrein slaapt tussen Amsterdam en Utrecht. Na het uitgaan – en hier moet ik wel bij zeggen dat hij regelmatig veel te veel drinkt – kruipt hij liever in de stiltecoupé dan zijn eigen bed. In die nachten reist hij van Amsterdam naar Utrecht en nog drie keer heen en weer, om maar niet in zijn eigen bed te liggen, om maar niet naar datzelfde plafond te hoeven staren. Om maar niet bij zichzelf en zijn eigen gedachten te hoeven zijn.

Waarom begin ik met roken wanneer het verdriet de kop opsteekt, drinkt mijn collega twee flessen wijn, slaapt een ander in een nachttrein, eet weer een ander drie zakken chips en slaapt een volgende met zijn ex? Waar komt deze neiging tot zelfdestructie vandaan? Hebben we ergens geleerd dat troost iets is wat niet goed voor je is? Waar in ons leven vervingen we de armen van een ouder en leerden we onszelf om kwaad met ander kwaad te bestrijden?

Ik vroeg aan mijn vrienden wat troost voor hen betekent. Ze antwoordden:

            ‘Een glaasje water of zakdoek tijdens het huilen.’
            ‘Arm om een schouder.’
            ‘Een schoot om op te liggen.’
            ‘Iemand die echt naar je luistert, zonder oordeel.’ 
            ‘Iemand die je naar buiten sleept. Wandelen.’

Misschien is het simpelweg niet mogelijk voor een mens om zichzelf te troosten, omdat het vanaf het begin van ons leven al iets is wat buiten onszelf bestaat. Een moederboezem. Warmte van een vaderschoot. Elke keer dat je moest huilen was daar iemand om een kusje op de schaafwond te geven. Er was daar steeds de ander, je hoefde het nooit zelf te doen. Toch is er in ieders leven het moment waarop je ouders je niet meer op schoot nemen. Wanneer tranen niet meer in ouderlijke truien, maar op onze eigen kussens vallen. En hoe troost je jezelf, als jij ook de bron het van verdriet bent?

Je kunt het wel proberen, maar jezelf een glaasje water geven midden in een huilbui heeft toch niet hetzelfde effect als iemand die er een brengt en daarna zijn arm om je heen slaat. Een klopje op je eigen schouder, aaien over je eigen rug: het heeft niet hetzelfde effect.

Ik neem een laatste hijs en schiet het restje van de sigaret de bosjes in. Direct heb ik spijt en duik op mijn knieën om het nog smeulende filter uit het gras op te rapen. Kou dringt door mijn spijkerbroek. Ik blijf zitten en voel hoe het natte gras mijn broek kleurt. Ineens moet ik huilen. Ze zeggen dat tranen reinigen, dat we daarom huilen. Maar op dit moment voel ik weinig reiniging. Het verdriet in mij is nog even groot. Iets groots en zwaars trekt zich samen vanbinnen. Noch de tranen, noch de sigaretten hebben geholpen.

Een van mijn beste vrienden loopt al jaren met zijn verdriet in zijn handen rondjes door de kamer. Wanneer hij praat stroomt hij over van ideeën over hoe hij het aan kan pakken. Hij wil geen hulp van buitenaf, hij wil zichzelf helpen. Zo wisselt hij dagen vol meditatie met avonden drinken af. Bedenkt hij stappenplannen en levensdoelen. Het lijkt soms meer op een detectivefilm uit de jaren tachtig. Oorzaken en gevolgen, in kamertjes in zijn hoofd op prikborden geprikt, touwtjes tussen de punaises gespannen. Aan elke oplossing voor zijn verdriet hangt het woordje als:

            ‘Als ik meer ga sporten, gezonder ga eten…’
            ‘Als ik stop met drinken…’
            ‘Als ik buiten de stad ga wonen…’
            ‘Als ik eindelijk m’n camper af heb…’
            ‘Als ik daar eenmaal rust heb…’

Als ik geen afleiding meer in negatieve dingen zoek, als ik alles aan mezelf verbeterd heb, dan zal het verdriet vanzelf weg moeten gaan. Dan word ik gelukkig. Verdriet is iets wat weggaat als ik alle triggers uit mijn leven heb verwijderd.

De rondjes die hij in zijn kamer loopt zijn ondertussen sporen geworden. Zijn voeten hebben een sluis gemaakt waar hij dag in dag uit doorheen banjert. Hij is met niets anders bezig dan een manier vinden om zichzelf te troosten en loopt spiraalsgewijs steeds dieper zijn verdriet in. Om uiteindelijk te eindigen bij dezelfde destructieve handelingen. Het biertje in zijn hand, de joint in zijn mondhoek en zijn verdriet bedolven onder een grote roes.

Kun je jezelf wel uit je eigen regime van verdriet trekken? De loopgraven in je kamer dichten, de drukte in je hoofd en elke ‘als’ laten verdwijnen. Of doen we maar een poging omdat we het idee hebben het alleen op te moeten lossen? Wanneer ik naar mijn vriend kijk, dan vraag ik me af of het destructieve gedrag wel onder de poging tot troosten valt. Misschien zijn we onszelf niet aan het troosten met me-time, troosttaartjes of shoppen omdat je je even niet zo fijn voelt, maar zijn het handelingen om ons verdriet te legitimeren.

De pijn vanbinnen is beter te aanvaarden of accepteren wanneer iets vanbuiten dezelfde schade aanricht. Dat kunnen we namelijk zien, begrijpen. Het branderige van een sigaret, de verdoving van een joint, het lamleggen van je binnenste is duidelijk aan te wijzen als oorzaak van het gevoel dat volgt. We weten waar de pijn vandaan komt, we richten immers zelf de schade aan. Dat kunnen we begrijpen en daarom accepteren. Een onbekend gevoel dat vanbinnen de kop opsteekt, wat je over lijkt te nemen, waarvan je niet weet wanneer het weer weggaat is veel enger. Het is als het trillen van de grond vlak voor de lawine naar beneden dreigt te komen. Dan maar op zoek naar dingen waar we wel controle over hebben, want we houden van controle, ook al zijn ze destructief. Dus dan maar de verdoving, de legitimering, om niet onder die lawine bedolven te raken.

In de Volkskrant stond een interview met psychiater Damiaan Denys, waarin hij constateerde dat we het lijden zijn verleerd. We leven in een samenleving waarin we streven naar gelukkig zijn en alles maakbaar lijkt te zijn. Problemen willen we direct oplossen en ongemak zo snel mogelijk prettig maken. Verdriet kun je afkopen. Als je maar de nieuwste snufjes of kleding aanschaft en de beste retraites hebt bezocht in landen het liefst zo ver mogelijk van thuis, dan zul je je weer gelukkig voelen.

Maar volgens Damiaan is juist dat niet haalbaar. Verdriet is een essentieel onderdeel van onze emoties. Het valt niet weg te toveren. Net als geluk hoort verdriet bij het leven. We willen onszelf elk moment goed voelen en betalen elke prijs om dat te genereren. Terwijl we, volgens hem, eerder zouden moeten leren om het verdriet toe te staan.

In onze kapitalistische wereld zien we verdriet als een corrupte politieagent die we om kunnen kopen: geef hem genoeg en hij zal je met rust laten. Maar als we iets leren van de corrupte werelden is dat ze altijd meer willen, en dat ze je nooit met rust laten.

We zullen moeten leren om te gaan met het oncomfortabele gevoel van verdriet. Het heeft een reden om er te zijn. Misschien is de beste vorm van troost niet een ander die je water of een zakdoek brengt, niet de zelfdestructieve legitimering van het verdriet, maar gewoon het verdriet dat er mag zijn. Verdriet dat, net zoals geluk, iets is wat bij ons hoort, en daarom niet onderdrukt hoeft te worden.

Als ik op wil staan, staat er een hond naast me. Kwispelend, met kwijl uit zijn mondhoeken. Grote bruine ogen onder borstelige wenkbrauwen kijken omhoog. Ik steek mijn hand uit en laat het dier snuffelen. De hond die midden in de ruzie tussen mij en mijn geliefde stond kon dat ook. Kwispelend bij je op schoot, snuit in je nek, net zolang tot de tranen opdrogen. Dieren hebben een speciale kracht als het op troosten aankomt. Haarfijn kunnen ze aanvoelen welke grens van welke emotie je passeert. Zonder vragen, zonder woorden, delen ze hun warmte met je.

Een oud-geliefde zei ooit: ‘Mensen troosten de ander niet om hem te helpen, maar omdat we ongemakkelijk worden van het verdriet. Van de tranen. We voelen ons lomp, weten geen raad wat we met die ander aan moeten. Zeggen “Je hoeft niet te huilen” Of “Stil maar” is hetzelfde als zeggen: “Je verdriet mag er niet zijn.”’

De manier waarop veel mensen troosten is gericht op het weer fijn voelen. Die werkt naar een oplossing, naar een moment dat het weer beter gaat. Hierdoor ben je geneigd sneller dan misschien prettig voelt op te staan en verder te gaan. Het onafgewerkte verdriet dieper weg te stoppen.

Misschien is dit wel waarom de warmte van een hondenlichaam makkelijker mijn tranen opvangt. Waarom het meer voelt als echte troost. In plaats van te vragen waarom ik huil en me bij mijn verdriet weg te halen, deelt hij alleen zijn warmte met me. En het is die warmte waarin je de pijn kunt blijven voelen, waardoor het langzaam kan verdwijnen.

Ik sta op en loop verder. De hond rent terug naar zijn baasje, het donker in. Onder de straatlantaarns licht de regen op. Het zijn kleine druppels die kietelen, waardoor je niet direct doorhebt dat je er nat van wordt.

Max Ström, een ademhalingsdocent gericht op het verwerken van PTSS door middel van ademhalingstechnieken, vertelde tijdens een informatiemiddag dat we niet in staat zijn om onszelf te troosten, omdat we dan niet volledig in ons verdriet op kunnen gaan.

‘Als je jezelf troost, dan moet je ook je eigen veilige vangnet zijn. Maar verdriet kan pas weggaan als het volledig tot uiting heeft kunnen komen. En je kan niet volledig uit elkaar vallen en tegelijkertijd je eigen vangnet zijn. We zijn groepsdieren, we hebben mensen nodig die tegen ons zeggen: “Ik ben er voor je, wat er ook gebeurt.”’

De regen houdt op. Bij de volgende hoek sla ik rechtsaf richting huis. Het pakje sigaretten in mijn zak brandt. Het gloeit. Mijn vingers willen er nog een pakken. Ik weet dat er op dit moment niets is wat me gaat troosten. Het verdriet in mij is nog even groot als het was. Ik zou iemand op kunnen bellen, zoals Max Ström zegt, en even samen zijn. Ik zou mijn verdriet kunnen omarmen. Tegelijk is het verlangen om even weg te rennen, te ontkennen net zo groot.

Verdrietig zijn blijft een zoektocht naar hoe je je weer fijn kunt voelen. Een grote cocktail met mogelijkheden om je een klein beetje beter te voelen. Uiteindelijk maakt het misschien niet uit welke vorm van omgaan met verdriet je kiest, zolang je maar weet dat je het gevoel niet kan camoufleren. En is troost uiteindelijk hoe we leren om de scherpe randen van het verdriet te omarmen, tot ze langzaam zachter worden en verdwijnen.

Over de auteur

Als kind wilde Loïs Luca het liefst detective worden. Nu speurt ze de wereld af op zoek naar verhalen. Verhalen waarbij de grens tussen documentair en fictie steeds diffuser wordt. Waar begint een verhaal en waar eindigt de werkelijkheid?

Over de illustrator

Dilruba Tayfun (b. 1995. Antalya, Turkey) is an artist, designer, and storyteller based in Amsterdam. Tayfun utilises materials from her surrounding environment for mark-making, using foraged twigs for new forms of expression with an expansive language that dips in and out of the tactile and digital realms.Togather Instagram: @dilrubatayfun---Dilruba Tayfun (geb. 1995. Antalya, Turkije) is een kunstenaar, ontwerper en verhalenverteller gevestigd in Amsterdam. Tayfun gebruikt materialen uit haar omgeving voor het maken van markeringen en het zetten van toetsen. Ze gebruikt gevonden takken en twijgjes om tot nieuwe uitdrukkingsvormen te komen met een uitgebreide beeldtaal die zowel in de tastbare als de digitale wereld opduikt.Togather Instagram: @dilrubatayfun

Lees meer uit de categorie essay

Poster

Door Marijn Sikken

De poster is weg. Jarenlang hing hij voor het raam van een leegstaand pand in de Muiderstraat. Ik reed er vaak langs met de fiets, stopte dan even, vroeg me vervolgens af waarom ik dat deed en fietste weer door.

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen