kort verhaal

De vrouw die op vakantie ging

Door Pieter Van de Walle | beeld: Evelien Cambre
31 maart 2023

Ik besloot dat ik op vakantie moest toen er op maandagochtend helemaal niemand op kantoor was. De stilte was doods, alsof er iets vreselijks was gebeurd en ik daar nog niets van wist. Ik zette wat muziek op, om het onbehagen te verdrijven, het stoorde toch niemand. Ik koos voor een playlist die de productiviteit bevorderde.
              Al mijn collega’s waren op vakantie. Ze lagen te bakken in de zon en draaiden zich af en toe om, als kippen aan het spit. Tatjana stuurde elke dag foto’s van haar gezin aan het strand, waaronder foto’s van haar kinderen in badpak, waarop niemand wist hoe te reageren. Ravi bezocht zijn familie in het buitenland. Caroline maakte een bloedstollende survivaltocht in het Amazonewoud. Ze stuurde vannacht – het moet dan avond zijn geweest in het oerwoud – een mail naar ons alle drie, waarin ze zei dat ze gebeten was door een felrode spin die volgens de gids zeer giftig was. Ze deed er een smiley bij met ogen als kruisjes en een uitgestoken tong. Ik had geen kinderen of familie in het buitenland en ik was bang voor spinnen.
              Alleen op kantoor zijn was niet zo erg als ik me had ingebeeld. Ik kon ongestoord werken, wat een zeldzaamheid was. In een halfuur tijd typte ik enkele uitstekende mails en voegde ik verschillende intelligente opmerkingen toe aan een dossier dat niemand echt snapte. Daarna hield de muziek op en leunde ik achterover in mijn stoel. Het zou nog zeker een week duren voordat iemand op mijn mails zou antwoorden of mijn opmerkingen zou appreciëren, dus waarom sloofde ik me zo uit. Toen kwam die vreselijke gedachte dus in me op: misschien moest ik ook op vakantie.

Het gebouw was verlaten. De deuren van de meeste kantoorruimtes waren op slot. Soms brandde er licht, maar dat was enkel omdat de laatste persoon het was vergeten te dimmen. Daar was vorige maand nog een memo over verstuurd. Buiten was het stralend weer, het soort weer waardoor mensen zeiden dat je ook prima op vakantie kon in eigen land, wat niemand vervolgens deed.  
              Ik zette koffie voor mezelf. Achteraan in de koffieruimte stond een aquarium met drie goudvissen, daarnaast een prikbord waarop vakantiekaartjes van tientallen collega’s hingen. Ik had ooit tijdens een vergadering voorgesteld om het prikbord alleen nog voor belangrijke dingen te gebruiken: aankondigingen, technische fiches, veiligheidsinstructies, maar daar moest niemand iets van weten. De vakantiekaartjes bleven. Sommige waren van collega’s die hier al lang niet meer werkten, waardoor ze leken op doodsprentjes. Ze bleven voor altijd in onze herinnering als parachutisten of bergbeklimmers terwijl het eigenlijk doodgewone sufferds waren.

Er zweefden nog staafvormige brokjes vissenvoer in de tank. Iemand moest ze recent gevoederd hebben. Ik nam mijn kop koffie en liep langs het kantoor van de enige werknemer die, buiten mezelf, regelmatig de vissen voederde. Achter zijn bureau, dat bezaaid was met papieren met ezelsoren, zat François, zijn vingers in een doosje Honey Pops op kindermaat. Ik voelde me gered.
              ‘Goedemorgen François,’ zei ik, leunend tegen de deurpost en met de koffiemok in mijn hand. Ik moest er behoorlijk nonchalant uitzien, dacht ik. Vrij van zorgen. In mijn hoofd al op vakantie.
              ‘Morgen,’ gromde hij. Wat François precies deed, wist ik niet. Hij was hier al meer dan twintig jaar maar leek van de interne werking nauwelijks meer te begrijpen dan de goudvissen die hij voederde. De computer op zijn bureau stond uit. Er zaten plakkerige gele korrels tussen de toetsen van zijn toetsenbord.
              ‘Jij geen vakantieplannen?’ vroeg ik. Tot mijn verbazing verscheen er een brede glimlach op zijn gezicht, die iets kikkerachtig had. Hij zei: ‘Morgenochtend vertrek ik naar de Ardennen. Waar ga jij het dit jaar zoeken?’
              Ik moest tijd winnen. Ik leunde nog nadrukkelijker tegen de deur, probeerde mijn benen te kruisen om mezelf nog nonchalanter te doen lijken, nog meer vrij van zorgen, maar zag daar halverwege van af. Ik deed alsof ik zijn vraag niet gehoord had.
              ‘Goeie keuze, de Ardennen,’ zei ik. ‘Niet te ver weg, maar je hebt toch het gevoel dat je echt op vakantie gaat, met dat Frans.’
              Ik lachte samen met hem, maar toen herhaalde hij zijn vraag. Ik moest improviseren.
              ‘Ik vertrek morgen naar Biarritz,’ zei ik. ‘Eigenlijk vanavond nog. Vannacht, bedoel ik, exact middernacht.’
              ‘Gek uur om te vliegen,’ pruttelde François. Hij zocht naar de laatste Honey Pop onderaan in het doosje, maar zijn hand was te groot. ‘Zeker voor zo’n korte vlucht. Mijn zoon, van mijn eerste vrouw bedoel ik, die gaat daar ook soms heen. Om te surfen.’
              ‘Ik surf al heel mijn leven,’ loog ik. Biarritz, ik moest het gelezen hebben in een historische roman, het soort dat ik wel eens tot laat in de nacht las met een glas wijn op de bank. De naam riep voor mij associaties op met kuuroorden en koninklijke families, maar vandaag de dag werd er dus in Biarritz gesurft.
              ‘Stuur een kaartje,’ zei François. ‘Dan hangen we het bij de rest in het koffielokaal.’
              Ik dacht aan mezelf in badpak op een strand met een surfplank in de hand, op het prikbord naast het aquarium, in de ruimte waar François en zijn collega’s zaten te eten. Ik zei dat ik ervandoor moest. Deadlines. Alles netjes afwerken voor je vertrekt. François grinnikte, vond eindelijk het laatste honingballetje in het doosje, gooide het in de lucht en probeerde het in zijn mond te laten landen, maar het botste op zijn lippen en rolde ergens onder de papieren.

Mijn vakantiebestemming stond vast: ik moest naar Biarritz, en daar zou ik noodzakelijkerwijs leren surfen. Surfen was een goede hobby: spannend, hip en toch relaxed. In feite deden de golven al het werk voor je. Ik begon naar vliegtickets te zoeken. Ik moest vanavond nog vertrekken. Ik wilde geen duimbreed afwijken van het verhaal dat ik François had verteld. De website meldde me dat aanbiedingen van 56 luchtvaartmaatschappijen doorzocht werden om mij de allerbeste tickets aan te bieden. Ondertussen zocht ik foto’s op van Biarritz en stelde ik een ervan in als mijn bureaubladachtergrond. Er stond een statig casino en een uitgestrekte kustlijn op. Dat zag er erg netjes uit. Niet té avontuurlijk. Ik zette een vroeg album van The Beach Boys op en raakte helemaal in de stemming. Ik vermoedde dat dit niet het soort muziek was waar surfers tegenwoordig naar luisterden, en dat het de productiviteit ook niet bevorderde, maar dat kon me even helemaal niets schelen.
              Wat jammer dat ze me nu niet kunnen zien, dacht ik, terwijl ik een rondje om mijn as draaide in mijn stoel, maar toen overviel me plots een enorme paniek. Hoe had ik zo dom kunnen zijn? Mijn vakantie was helemaal niet goedgekeurd. Als ik morgen niet kwam opdagen omdat ik in Biarritz was, dan was ik helemaal niet op vakantie, maar onwettig afwezig. Die woorden joegen me de stuipen op het lijf: in feite kon ik ontslagen worden. De muziek van The Beach Boys galmde als een spookachtige soundtrack door de boxen van mijn computer. Het klonk alsof ze me uitlachten, met hun complexe harmonieën.
              Ik belde mijn afdelingsmanager, een vrouw die nauwelijks ouder, maar tien keer ambitieuzer was dan ikzelf. Ze nam meteen op. Ik verontschuldigde me uitvoerig voor het bellen op haar persoonlijke nummer. Ze zei dat het niets was, dat ze toch nog wakker was. Het was op dat moment vier uur ‘s nachts in de Verenigde Staten, waar zij een congres bijwoonde.
              ‘Deadlines,’ zei ze opgewekt, nadat ik me nogmaals verontschuldigd had. Ze was het soort persoon dat woorden als deadlines en stakeholders op een opgewekte manier zei, alsof het de namen waren van cocktails.
              Ik legde de situatie uit. Iedereen had recht op vakantie, hield ik in mijn achterhoofd, en ik had dit jaar nog helemaal niets opgenomen. Ze vroeg of alles wel in orde was, ze zei dat ik nerveus klonk.
              ‘Alles tip-top,’ zei ik. ‘Maar je kent mij: altijd al een slechte planner geweest.’
              Het bleef stil aan de andere kant. Ik was een uitstekende planner. En ik zou nooit het woord ‘tip-top’ in de mond nemen al hield je me onder vuur.
              ‘Als je vakantie wilt, is dat geen probleem,’ zei ze. ‘Je werkt hard en ik denk dat je het nodig hebt. Trouwens, je bent volgens mij de enige die nog op kantoor is, dus veel werk mis je niet.’ Ik bedankte haar nadrukkelijk en verontschuldigde me nogmaals voor het telefoontje. Dat was de derde keer. Het bleef opnieuw een tijdje stil.
              ‘Voel je je wel goed?’ vroeg ze.
              Ik haakte in en riep toen pas: ‘Megagoed!’, maar niemand hoorde het, tenzij misschien François.

Mijn vlucht was geboekt. Het leek zo plots, zonder ceremonie. Het was muisstil in de gangen. Ik slikte en keek om me heen, naar de lege stoelen van Ravi en Tatjana en Caroline. Ik had zin om mijn computer gewoon aan te laten staan, zodat iedereen die toevallig langskwam mijn bureaubladachtergrond kon zien, en de mail met de bevestiging van mijn reservering, maar dat zou energieverspilling zijn.
              Ik deed de lichten uit. Het was vijf uur. In de koffieruimte was François de vissen nog eens aan het voederen.
              ‘Daar krijgen ze obesitas van,’ zei ik en François draaide zich met een ruk om, alsof ik hem betrapt had. Hij lachte kikkerachtig.
              ‘Ik dacht,’ zei hij, ‘ik dacht gewoon dat ik ze maar beter een dubbele portie gaf, aangezien jij er vanaf morgen ook niet meer bent en niemand anders ze eten geeft.’
              Ik knikte en zei dat dat wel verstandig van hem was.
              ‘Ze gaan een moeilijke periode tegemoet,’ zei François nog. Ik had mijn tas al onder mijn arm.
              ‘Ik ben ervandoor,’ zei ik met een ernstige hoofdknik. François gebaarde naar het prikbord.
              ‘Niet vergeten: kaartje sturen,’ zei hij.

Onderweg naar huis overviel het gewicht van mijn beslissing me pas helemaal. Ik had me verplicht gevoeld om nog langer naar The Beach Boys te luisteren in de auto en zelfs mee te neuriën, maar het lukte me niet om de juiste toon aan te houden. Ze hadden een nummer dat ‘Surfer Girl’ heette. Ik bekeek mezelf in de spiegel van de zonneklep en probeerde mijn haar door elkaar te halen zoals ik me inbeeldde dat zo’n surfmeisje eruitzag, maar het was te kort en niet blond. Het viel slapjes voor mijn gezicht en ik schudde het uit mijn ogen. Ik zette mijn bril af en zette hem meteen weer op, want ik was een gevaar op de weg.
              Toen ik thuiskwam, probeerde ik een koffer te vinden die paste voor de reis, maar ik vond enkel een vormeloze oude sporttas. De tijd begon te dringen. Ik moest nog iets eten, maar wist dat ik geen hap door mijn keel zou krijgen. Ik zocht de vertrektijden van de treinen naar de luchthaven op. Het leek een hopeloze zaak. Ik gooide de tas vol met de enige bagage die ik kon bedenken: mijn laptop, twee dikke romans en een collectie slipjes en T-shirts. Ik zou op z’n minst naar een badpak moeten zoeken, of een grote strandhanddoek, maar het lukte me niet. Ik tilde de zware tas op en gooide hem met al mijn kracht in de hoek van de kamer.
              Mijn armen trilden. Ik zakte weg in mijn bureaustoel, zette muziek op. Niet meer het gejengel van ouderwetse popmuziek, maar iets dat het algoritme had gekozen uit mijn favorieten: diepe, langzame pianonoten. Ik kende het stuk uit mijn hoofd. Het kwam uit een andere tijd. Elke aanslag van een toets kwam als een verrukking. Ik had, besefte ik, niet eens een hotel geboekt, en deze tijd van het jaar zat natuurlijk bijna alles vol. Dat was niet onoverkomelijk. Voor zij die wanhopig zijn, is er altijd wel iets te vinden. Ik zou mijn telefoon kunnen pakken en beginnen met zoeken. Het hoefde niet aan het strand gelegen te zijn. Een kamertje waar ik ’s avonds een boek kon lezen was goed genoeg. Het was geen onmogelijke opgave.
              Ik las de reservatiebevestiging van mijn vlucht grondig, woord voor woord, alsof daar een oplossing zou staan. De instructies waren in principe duidelijk. Mijn vinger zweefde boven het woord ‘annuleren’. Wat gebeurde er eigenlijk wanneer je gewoon niet kwam opdagen? Dan riepen ze je naam een paar keer af in de luchthaven, maar daar lette niemand op. Ik had geen telefoonnummer opgegeven.
              Ik schrok van iets, of liet mezelf schrikken, in de hoop dat mijn vinger op de annuleringsknop zou belanden en een onomkeerbaar proces in werking zou zetten, maar ik tikte ernaast. Een foto vulde nu het hele beeld: een groep gebruinde jonge mannen en vrouwen met nat haar en strakke zwarte surfpakken die ze tot hun middel hadden ontbloot. Dat had een naam, zo’n pak. Ik had er zelf geen, maar je  kon er misschien wel een huren. Ik dacht aan een natte kunststoffen huid die ik over me heen moest trekken, wetende dat er al tientallen andere mensen in hadden gezeten. Er waren ontzettend veel faciliteiten voor surfers in Biarritz.
              Gek hoe een plek zo kon veranderen. Keizer Napoleon III bouwde in het midden van de negentiende eeuw voor zijn Spaanse echtgenote een zomerpaleis in Biarritz, vlak bij de Spaanse grens, zodat ze niet te veel heimwee zou krijgen naar haar vaderland. De aanwezigheid van de Franse keizerin in het stadje trok toeristen van over heel Europa aan, waaronder leden van het Engelse en Spaanse koningshuis, en daardoor groeide Biarritz uit tot een luxueus vakantieoord. Ik was al een uur van het ene Wikipedia-artikel naar het andere aan het klikken, van de ene koningin naar de andere, daarom wist ik dat soort dingen. Om een toerist te zijn moest je in die tijd nog zo rijk zijn dat je je anders doodverveelde. Nog vroeger was Biarritz een saai vissersdorp geweest waar ook op walvissen gejaagd werd. Niemand ging erheen. De meeste mensen gingen eigenlijk helemaal nergens heen, voor het grootste deel van de geschiedenis. Er waren ook geen vliegtuigen of treinen of wegen. Struikrovers, dat had je wel. Een reis was zo’n beetje het ergste dat je iemand kon aandoen. Je ging er waarschijnlijk dood aan. Mensen bleven waar ze waren. En als ze weggingen, dan was het niet om op vakantie te gaan, maar omdat ze verbannen werden.
              Ik staarde naar het scherm en dacht aan Ravi, Caroline, Tatjana, en uiteindelijk aan François in de Ardennen. Dat er geen kaartje zou komen, zouden ze nauwelijks merken. En als iemand er toch wat van zei, dan kon ik altijd zeggen dat ik er geen tijd voor had gehad. Zulke goeie golven. Je zou wel gek zijn als je de tijd nam voor een kaartje. Ik zette thee en liet de muziek spelen. Ik nam een van de romans uit mijn lelijke tas, liet me vallen op de bank en las totdat de laatste trein vertrokken was.

Over de auteur

Pieter Van de Walle (1992) is neurobioloog en schrijver. Hij publiceerde kortverhalen en gedichten in DW B, De Poëziekrant, Kluger Hans en Op Ruwe Planken.

Over de illustrator

Evelien Cambré (1991) is freelance illustrator. Vanuit Antwerpen verhuisde ze naar Groningen, waar ze in 2016 aan Academie Minerva afstudeerde in Illustratie. Haar werk bevindt zich voornamelijk in het journalistieke kader, waarbij elke illustratie een onderzoek is naar de elektriciteit tussen de geometrische regels en de onvoorspelbaarheid van tekenen met de losse hand. Zie Eveliens Instagrampagina.

Lees meer van

De man die naar fruit keek

Door Pieter Van de Walle

Je ziet ze wel vaker: uitgebluste echtgenoten die zich even afzonderen in een van de keurig ingerichte demo-keukens of woonkamers, kinderen die een dutje doen op de afgeprijsde sofa’s, een vergeten grootmoeder in een kinderkamer, maar dit is anders.

Lees meer uit de categorie kort verhaal

De hond

Door Wiebe Brouwer

Als mijn auto eindelijk bij mijn bejaarde moeder op de oprijlaan staat, loop ik meteen naar haar voordeur. Ze klonk door de telefoon flink in paniek, maar ook al heb ik een sleutel, toch druk ik eerst op de bel. ‘Jij!’ Blijkbaar stond ze me op te wachten, want ze doet meteen open. Haar ogen […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen