kort verhaal

Liefde, dacht ik

Door Anke Cuijpers | beeld: Hannah Vonk
28 juni 2023

De dwarsfluit is een Buffet Crampon 7048 met E-mechaniek en een verzilverd kopstuk. Hij ligt losgeschroefd in de roodfluwelen holtes van zijn koffer. Ik kijk ernaar terwijl ik op mijn handen zit. Het blijft stil. Natuurlijk. Wat in huis kraakt zijn de vloeren. Ze kraken zonder dat iemand er een voet op zet. Ze kraken omdat ze ooit een boom waren, hout dat gekliefd is en voor eeuwig blijft hunkeren naar de rest van de boom. Een fluit wordt een verlengstuk van je lichaam, maar zwijgt zodra hij uit elkaar gehaald is. Waarom denk ik dan nu aan je, herinner ik me hoe jij doodstil onder me ligt terwijl ik met mijn vingers de lijn van je wenkbrauwen volg, je neusbrug, jukbeenderen, lippen, weer omhoog, het kleine litteken ter grootte van een trillerklepje, waarvan ik nooit heb durven vragen hoeveel pijn het gedaan heeft. Alleen voorzichtig beroeren. Telkens weer. Alsof ik zo alsnog de pijn kan wegstrijken.

Ik heb met een zilverdoek minutieus de buitenkant gepoetst, en met de wisserstok mijn neergeslagen adem uit de klankbuis gewreven, zelfs met een vloeitje het kurk onder elke klep drooggemaakt. Elke keer een kort klikje als ik een klep ingedrukt hield terwijl ik het vloeitje eronderdoor trok. Het herinnerde me aan hoe een laken kan verdwijnen. Het ene moment is er dat laken als een scheidslijn tussen onze lichamen en de nacht, een moment later, terwijl je je geen wegtrappen kunt herinneren, is het een rommelig iets aan het voeteinde, waar je pas weer aan denkt als onze lichamen afkoelen, slaap dreigt. Slapen is weerloos zijn. Weerloos tegen de dromen van de ander, tegen de onzichtbaarheid ervan.

Maar dat was. Dit is.

Ik heb nog nooit iets op Marktplaats te koop gezet. Soms is het enige wat je bedenken kunt dat je verder moet, en dat alle wegen vroeg of laat uitwaaieren, zodat er geen goede of slechte wegen zijn, alleen verharde en onverharde en dat je nooit het ontstaan van zo’n weg kunt zien. Asfalt is geen lint dat je kunt oprollen tot je het begin te pakken hebt, en ik heb tegen mezelf gezegd dat dit loslaten nieuwe ontdekkingen doen betekent.

Ik heb de advertentiefoto’s met mijn Nikon gemaakt. Het blinkende zilver in de fluwelen bedding van de koffer toch maar weer in elkaar geschroefd, in zijn geheel op de foto gezet, en als laatste een close-up van het merkje en het mondgat gemaakt. De lipplaat gaat naar de lippen staan, en toch legt iedere fluitspeler telkens aan alsof die mondplaat een te nieuwe schoen is die met een schoenlepel moet worden aangetrokken. Voorzichtig het zilver opwarmend, de lippen neervlijend tot je voelt hoe je de juiste hoek tot het mondgat hebt.

Ik heb haar nog geen woord horen zeggen, al die tijd heeft de man voor haar gepraat

Binnen een dag reageerde een man die het instrument voor zijn vrouw wou kopen. Liefde, dacht ik. Dus ik antwoordde: kom maar.

Dat was gisteren.

Nu kijk ik naar de vrouw tegenover me en weet ineens wat ik vergeten ben. Hoe mensen zijn. Gruwelijk. Deze vrouw staat sinds ze binnen is op mute, en wie weet hoe lang daarvoor al. Ik heb haar nog geen woord horen zeggen, al die tijd heeft de man voor haar gepraat. Even word ik overspoeld door de gedachte aan meerstemmige partijen, hoe mooi het kan zijn om samen muziek te maken. Dan herinner ik me het moment waarop ik nieuwsgierig raakte naar hoe ik als individu klonk, solopartijen speelde tot de leermeester me ontsloeg.

Maar dit gaat niet om mij. Dit gaat om hoe deze vrouw klinkt.

De vrouw glimlacht verontschuldigend naar me. Ze duwt haar vingers krampachtig op de kleppen en blaast. Er zijn mensen die meer muziek uit grassprieten halen. Haar adem jaagt opnieuw over het mondgat heen. Ik krimp van de pijn. Ik zou willen dat ik het geluid kan beschrijven, het voelt alsof splinters metaal mijn huid schuren, en binnen in mijn oorschelp razen die splinters met windkracht acht. Voor ik me kan afvragen wat haar ademmist aan het binnenste van de Buffet Crampon verwoest, komt de man voor me staan.

‘Ze is een beetje uit oefening,’ zegt hij, terwijl hij me nauwlettend in de gaten houdt.

Ik knik.

‘Maar het wordt haar instrument. Het is haar hobby, die ze weer gaat oppakken.’

Ik denk aan jou, aan Telemann, staccato, en geen enkele hapering, aan ‘Michelle, ma belle’, en hoe de wind door jouw haren kan spelen. Dat alles moet ik proberen te vergeten. Het heeft geen zin me die dingen te herinneren. Een leven raakt overvol van herinneringen en ik tors er teveel. Ik kijk naar de vrouw. Ik neem het instrument uit haar handen en koppel het bovendeel los. Zelf heb ik lang met alleen het mondstuk aan mijn lippen mijn overblaastechniek gestudeerd, uit angst voor wat er volgen zou als ik tijdens mijn klim op de notenbalk mijn lippen fout zou plooien. Ik reik de vrouw het bovenstuk. De vrouw kijkt me niet-begrijpend aan, haar mond nog steeds een beetje open. Ik ben erop verdacht dat een pluim speeksel langs haar lippen kan druipen zoals je bij sommige kinderen steeds op een snotneus voorbereid bent. Hoe moet ik het delicate van een lipplaat aan deze vrouw uitleggen in vredesnaam?

Ik zeg: ‘Blaas.’

De vrouw blaast. Het klinkt als wind die de hoek van een luifel te grazen neemt. Ik doe een stap naar voren alsof ik een te drukke snelweg wil oversteken, zo veel moed moet ik verzamelen. Toch ga ik als een schooljuf voor de vrouw staan.

‘Vanuit je buik.’ Ik plaats mijn handen om haar middel, haal zelf diep adem om het voor te doen. Weer zo’n herinnering. Het moment dat jij voor me gaat staan en je handen om mijn middel legt. Ademen, zeg je, vanuit je buik, zeg je, voel, zeg je. Wat ik speelde, Akkermans volgens mij. De lucht strakker door de buis blazen, zei je, laat alsjeblieft het trillerklepje uit je adem verdwijnen, en ik blies tot ik kon horen hoe de lucht vanuit mijn middenrif het zilver raakte, en mijn lippen niet meer als een ventiel de lucht doorlieten, maar gecontroleerd, beheerst, zacht, zachter, piano. Ik denk aan de keren dat ik me vergreep aan Mahler, Haydn, Beethoven, ‘El Condor Pasa’, volksliedjes, ‘Desde Santa Cruz’, daar was de pampa. Verleden tijd nu.

‘Toe maar,’ zeg ik tegen de vrouw. ‘Vanuit je buik.’

De vrouw kijkt naar de man.

‘Misschien is er iets mis met de kleppen,’ onderbreekt de man. Hij neemt de klankbuis en draait die om en om. ‘Sluiten ze nog wel goed?’

‘De laatste onderhoudsbeurt is al een tijdje geleden.’ Ik heb altijd moeite gehad mijn Buffet Crampon uit handen te geven, vanwege het testspelen dat sommige monteurs niet kunnen laten. ‘Het kurk zal misschien wat te droog zijn, maar veel maakt dat niet uit. Nieuw kurk zetten ze standaard op de kleppen bij een controlebeurt als dat nodig mocht zijn. Kost niets extra’s.’

‘Zie je wel,’ zegt de man. ‘Dat ding is geen donder waard’

De man kijkt nog eens naar zijn vrouw. Ik begin te vermoeden dat de man wil gaan afdingen. Dat de man van alles gaat zoeken om de koop niet door te laten gaan. Zodat hij het toch geprobeerd heeft, voor zijn vrouw. Zodat hij tegen iedereen kan zeggen dat híj haar wel weer een stem wou geven, maar dat zíj. Misschien moet ik de verkoop cancelen, je geeft ook geen pup aan mensen die beginnen af te dingen in plaats van met de pup te spelen, maar dan zet de vrouw vastberaden het mondstuk aan haar lippen en blaast. Het geluid van een hagelbui, en ik zie steeds duidelijker een vogel voor me, de poten vastgevroren aan een reling. De man knikt tevreden, kruist zijn handen voor zijn borst.

‘Stop,’ zeg ik smekend.

Maar de vrouw blijft blazen. Achter de vogel verschijnt een winters meer. Midden op het meer zie ik een zwaan, vastgevroren, met de hals bewegend, vergeefs om zich heen hakkend met zijn snavel. Daar weer achter daagt de steven van een gekapseisde boot, de rest onder het ijs al.

‘Stop,’ schreeuw ik.

‘Zie je wel,’ zegt de man. ‘Dat ding is geen donder waard.’

Dat is vlak voor om zijn enkels een ijzeren ketting verschijnt, want de vrouw blaast door en een vrieslucht bevriest de bloemen die ik in de vaas heb gezet, de koekjes zullen als een ijsje smaken, maar wie proeft. Ik niet. Ik denk aan jou, ik wil uit alle macht aan jou denken, maar ik hoor die hagel in de schoorsteen van de Buffet Crampon en ik herinner me het laatste stuk dat ik erop speelde, een treurmars. Beethoven. Ik huil dus inmiddels, de huid van mijn wangen schrijnt. Als ik de tranen wil wegwrijven zie ik het bloed op mijn handen, maar met mijn adem is nog steeds niets mis, en er zijn meer manieren om een geliefde te begraven. Ik glij over het ijs en neem het kopstuk van de vrouw af, blaas zo veel mogelijk ademmist eruit, draai de klankbuis eraan vast, ik neem geen tijd om de wisser door het binnenste te halen, ik vlij mijn lippen op de lipplaat en speel tot ik je zie verschijnen, je lach wil ik, je blauwe ogen, zelfs het trillerklepje wil ik zien, maar je kijkt me aan met een askleurig gelaat en je haren zijn sneeuwwit van ouderdom, op je wang een litteken als een winkelhaak, ik speel Vivaldi, steeds luider, ik wil je jeugd terug in je lichaam blazen, de kleur in je haren, de bloedproppen uit je aders, en ik zal blazen tot ik het glas water naar je mond breng, en jij je hoofd net genoeg omhoog brengt om te drinken, waarna ik de rest van het water opdrink, het glas wegzet zonder mijn lichaam van jouw lichaam te halen, ik zal blazen tot ik een brug over het water zie, de vogels weer zie fladderen. Ik vraag me niet af of ik de vrouw een stem afneem of een stem geef, speel, denk ik, speel, negeer die twee, de gouden duivenringen om hun ringvingers, om de enkels van de man de ketting waar ik niet naar wil kijken, alsjeblieft niet naar kijken, denk ik nog, ik dwing mijn gedachten naar elders, ik denk aan de werkplaats van Verne, waar ik mocht zitten tussen de onaffe instrumenten en de zorgvuldigheid waarmee de Buffet Crampon voor mij uit de schappen werd gepakt, mijn stem die van zilver werd daarna, en ik speel, de vrouw pakt ondertussen het koffertje van de tafel, mept op de man, die ‘stop’ blijft roepen, maar niet weg kan vanwege de ketting, en ik blaas en speel voor twee terwijl ik naar jouw moeizame tred kijk, je staat nu met je hand om de vastgevroren poten van de vogel, probeert die te ontdooien, maar je haalt al hortend adem, grijpt met je vrije hand naar je hart, en mijn adem stokt.

Ik wil je zeggen dat ik mijn onderlip niet meer van de lipplaat krijg gehaald, ik wil je zeggen dat de vogel niet het probleem is, dat ik het ben, dat ik het niet wil, dit lied met de valse toon, maar dat ik wil ademen.

Over de auteur

Anke Cuijpers is schrijver, dichter en recensent. Ze schreef voor de Revisor, de Tirade, de Poëziekrant, Het Liegend Konijn, Kluger Hans en Het Gezeefde Gedicht. Met haar poëzie belandde ze meermaals in de top 100 van de Turing Gedichtenwedstrijd. Ze studeerde proza en poëzie aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Momenteel voltooit ze haar eerste roman, en schrijft ze aan een bundel gedichten. Voor DLVA recenseert ze literaire fictie.

Over de illustrator

Hannah Vonk is een illustrator uit Zwolle. Als kunstenaar houdt ze zich bezig met menselijke relaties en gedragspatronen, soms vanuit maatschappelijk oogpunt, soms vanuit persoonlijke beleving. Haar werk is vaak realistisch, levendig en kleurrijk en uit zich met name in schilderingen, digitaal werk en videokunst. Zie haar instagrampagina voor meer.

Lees meer van

Poëzie: Anke Cuijpers

Door Anke Cuijpers

En of er iets gebroken is je leent een beweging op het moment dat de rente zo laag is dat hij uitgesproken negatief is, met welke prijs ga je akkoord omdat je zorgvuldiger omgaat met wat je leent van een ander strijk je de beweging glad, maar is het dan meer of minder waard zoals […]

Lees meer uit de categorie kort verhaal

Korte verhalen: Bart Smout

Door Bart Smout

Superheldenfilm 1 De haas en de schildpad willen een nieuwe superheldenfilm maken. De haas wil een film maken over een haas die heel snel is. De schildpad wil een film maken over een schildpad die heel traag is. 2 Ze besluiten dat ieder zijn zin krijgt. Het wordt een actiefilm met een superheldenduo, haas en […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen