kort verhaal

Opvliegend stof

Door Gijs Verwaijen | beeld: Juliette Luscuere
19 februari 2024

Of ik thuis ben, vraagteken. Of hij langs zal komen, geen vraagteken. Het gaat bijna met het gemak waarmee we vroeger als kinderen elkaars telefoonnummer draaiden om af te spreken en te ravotten in de buurt. Ik ben er zo, appt Victor, en schiet offline. Ik leg mijn telefoon weg, verruil mijn joggingbroek voor een spijkerbroek en trek een schoon shirt aan. Over twee minuten kan er al aangebeld worden, of over een uur pas, hem kennende – tijd die niet langer van mij is. Ik begin maar wat op te ruimen, rondslingerende kleren boven op de uitpuilende wasmand, het bakje met opgedroogde muesliresten in de gootsteen.

Ik begrijp niet zo goed waarom hij plots langs wil komen. Het is niks voor hem om voor elven de deur uit te gaan, tenzij hij geen andere keus heeft. Ik open mijn laptop en klik wat wetenschappelijke artikelen aan, zodat ik een geloofwaardig excuus achter de hand heb voor het geval hij verschijnt met een fles sterk of met een ander onstuimig plan.

De bel gaat. Zijn voetstappen galmen door het trappenhuis en ternauwernood is hij binnen of zijn schoenen zijn al uitgetrapt. Hij trekt de koelkast open en schenkt met een zwierige beweging een glas vruchtensap voor zichzelf in. Het pak, zonder dop, blijft op het aanrecht staan. Dan ploft hij neer op mijn vertrouwde plekje op de bank. Van jongs af aan heeft hij zich al bij mij thuis gevoeld.

‘Het huis voor jezelf?’ zegt hij.

‘Uhum.’

‘Relaxed.’ Hij strekt zijn benen en tuurt in het rond alsof hij net op een strandstoeltje is gaan zitten en de omgeving rustig in zich opneemt. ‘Hoe gaat het met je scriptie?’

‘Ik hoop niet dat je gekomen bent om het daarover te hebben.’

Hij lacht. Vervolgens plukt hij de roman die ik aan het lezen ben van de koffietafel en leest aandachtig de achterkant. Hij oogt bedachtzamer dan gebruikelijk.

‘Best aardig.’

‘Je mag hem wel lenen als ik het uit heb,’ antwoord ik.

‘Ze zeggen dat je in boeken kan leven.’

‘Wie zegt dat?’ 

‘Weet ik veel,’ zegt hij, ‘maar is het niet zo, dan? Ironisch eigenlijk,’ – zijn ogen flitsen over de rotsachtige kaft – ‘de enige keer dat je naar de bergen bent geweest, was met mijn ouders en mij.’

Langzaam pak ik het glas water dat voor mijn neus staat en neem een flinke slok. ‘Was je in de buurt?’

Zijn spijkerbroek schuurt over de bank wanneer hij gaat verzitten, en hij haalt een hand door zijn ongekamde haarbos.

‘Zoiets.’

‘Je moet je nostalgie ook in bedwang houden, jongen’

‘Hoe bedoel je, “zoiets”?’

‘Gewoon. Toen ik uit bed stapte voelde ik me, nou ja, wat nostalgisch. Is het geen heerlijke dag om eens lekker terug te blikken?

Door het raam zie ik een blauwe lucht en een bleek zonnetje dat wanhopig probeert er wat warmte uit te persen. ‘Je moet je nostalgie ook in bedwang houden, jongen,’ zeg ik.

‘Ik had zin om even te keuvelen,’ vervolgt hij, ‘en we moeten toch een beetje oefenen voor later, wanneer we oude mannen zijn.’

Ik schiet onbedoeld in de lach. ‘Vooruit, brand los.’

‘Eerst koffie?’

Terwijl het koffieapparaat bromt hoor ik de kastdeur piepen, en terug in de kamer zie ik hem gehurkt de platencollectie doorspitten. De elpees zuchten in zijn handen, de rij is wankel.

‘Ah, deze!’ slaakt hij uit. Tussen zijn vingers schittert de hoes van Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band. Hij inspecteert het overzicht van de nummers op de achterkant. ‘Hier was je vader altijd zo dol op,’ zegt hij zomaar, alsof er geen enkel gewicht aan die woorden hangt.

‘Die is van mijn huisgenootje,’ zeg ik.

‘Persoonlijk vind ik de Stones tóch beter.’

‘Als ik een euro kreeg voor elke keer –’

‘Dan wat,’ onderbreekt hij me.

‘Dan had ik er een mooie Beatles-plaat van gekocht.’

‘Met de paplepel ingegoten,’ mompelt hij, terwijl hij zijn aandacht weer op de platen richt.

Laten we de paplepel erbuiten houden.

Hij zet zijn zoektocht voort. Wanneer hij er een ander exemplaar uitplukt, verschijnt er een grijns op zijn gezicht. Het is een plaat van Level 42, met op de hoes een tekening van een merkwaardige, futuristisch geklede vrouw op een leeg strand. Een monument uit een andere tijd.

Blijkbaar is mijn glimlach te flauw, want hij zet door. ‘Weet je nog dat je vader dit vroeger opzette, volume helemaal open, en dan zo vreemd ging dansen, met van die oubollige disco-moves? Ik vond dat prachtig. Vooral toen jij de leeftijd bereikte dat jij je dood begon te schamen.’

Voor me zie ik hoe hij een basgitaar van lucht bespeelt, zijn hoofd deinend op zijn kippennek en zijn voortanden verzonken in zijn onderlip. Schreeuwend wikkel ik me om zijn stuiterende been in een poging om van de grond te komen.

Hoe kan ik het ooit vergeten?

‘Draai je ’m nog wel eens? Of wat van die andere oudjes?’

Ik wuif de vraag weg. ‘Mwah.’ 

Hij fronst en wil er misschien wel verder op ingaan, maar ik ben hem voor. ‘Zet anders iets van de Red Hot Chili Peppers op.’ Hij knikt instemmend. Je kan niet missen met de Peppers. Hij legt het vinyl onder de naald. De muziek welt op, maar wordt niet luid genoeg om door te dringen.

Nadat ik hem zijn kop aanwijs komt hij naast mij zitten, omklemt het warme aardewerk en snuift de geur van de koffie op. Meeneuriënd wendt hij zijn hoofd af en kijkt naar buiten, broedend, maar op wat?

‘Als je mij een gitaar geeft kan ik nog zo dat loopje spelen,’ zeg ik, ‘al is het waarschijnlijk het enige dat ik kan.’

Hij hapt. ‘Dat weet ik maar al te goed, ja,’ zegt hij, ‘anders zou je nooit van je leven een meisje hebben versierd.’

Dat is de aftrap. We memoreren een paar feestjes, en een ex of twee. We bespreken de twijfelachtige beslissingen die we in de eerste jaren van onze studententijd hebben genomen, zoals de keer dat we via de regenpijp naar de eerste verdieping klommen omdat niemand op het feestje de bel hoorde, totdat er niets meer over te zeggen valt.

De muziek is stilgevallen en een leegte blijft achter. Victor is inmiddels volledig ingezakt, voeten vastgeroest op de koffietafel, en hij kijkt mij veelbetekenend aan.

‘Ik draai ’m wel om,’ verzucht ik theatraal.

Krakend komt het geluid op gang. De lage tonen dansen opgewonden door de kamer, klaar om ingekleurd te worden.

‘Dat was nog eens een concert, hè? Ons eerste. Hoe oud waren we?’

‘Jong,’ zeg ik. Het enige goede antwoord.

We herleven het optreden in het klein – sjokken in de rij, schouderduwen in de menigte en springen tijdens het refrein, om na afloop gelukzalig in de oude Volvo te stappen en op de achterbank in slaap gewiegd te worden op de regelmatige deuntjes van de Beatles, met als uitzicht de verlichte weg en mijn vaders verende krullenbol boven de hoofdleuning – totdat de naald vast komt te zitten in de stugge eindgroef van de plaat. 

Tegen het einde van het verhaal ben ik stilgevallen.

‘Weet je nog?’ dringt hij aan.

‘Tuurlijk.’

Hij gaat verzitten. Zijn knieën wijzen nu naar mij en zijn blik is op mij vastgepind. ‘Weet je,’ zegt hij, ‘het is een beetje flauw dat je tegenover mij doet alsof het allemaal niet is gebeurd. Hoe vaak ben ik vroeger wel niet bij jullie over de vloer geweest? Hij was er ook toen ík afzwom, of toen we samen met onze lampionnetjes over straat gingen. En ik was er ook toen hij begraven werd. Tegenover mij moet je niet gaan lopen doen alsof hij nooit heeft bestaan. Echt niet.’ 

Ik trommel met mijn vingers op de leuning van de bank terwijl ik nadenk. ‘Hij heeft jou niet in één klap wees gemaakt,’ zeg ik dan toch. Het zware geschut dat ik liever niet gebruik.

‘Ja, dus?’ 

‘Probeer je me boos te krijgen, of wat?’

Hij tuurt in zijn koffie, zwenkt de kop, en slaat die dan achterover. ‘Een beetje opschudding kan geen kwaad.’  

‘Jezus, man. Jij hebt makkelijk praten, weet je. Jij hoeft hem alleen bij zijn voornaam te noemen. Ik moet elke keer dat ik hem opbreng beslissen wat hij wel en niet is.’

‘Wat bedoel je daar nou weer mee?’

‘Dat ik vaak geen enkel idee heb hoe ik hem moet noemen. Mijn allerliefste papa, of dan toch mijn overleden, vervreemde vader? Gebruik ik zijn naam, of kan ik hem op dit punt het best beschrijven als de man die vroeger wat klusjes in de tuin deed en ’m toen is gesmeerd?’

Mijn stem is luider geworden, de muziek is alweer verdwenen.

Met zijn tong pulkt hij iets tussen zijn kiezen weg voor hij reageert. ‘Dat maakt toch niet uit als je met mij praat? Ik begrijp dat het lastig voor je is en je hoeft ook niet alle antwoorden te hebben, daar vraag ik helemaal niet om, maar je hebt die arme man opgesloten in je hoofd. Daar laat je hem verhongeren en doodvriezen zonder daglicht. Laat hem gewoon uitwaaien in de vrijheid af en toe, welke richting de wind ook mag staan. Je denkt toch wel eens terug – of niet?’  

Nu loopt mijn vader voor mijn neus langs, eerst met lange passen achter een bal aan, dan in de verte, gekromd, sloffend op het perron.

‘Ik hoef toch niet te benadrukken dat je me na al die jaren alles kan vertellen?’

Ik weet dat hij die woorden, die goed in een flutfilm zouden passen, maar moeilijk over zijn lippen krijgt. Juist daarom, moet ik toegeven, is het bijzonder dat hij ze uitspreekt.

‘Ik denk gewoon dat het goed voor je is om het soms over hem te hebben,’ zegt hij, ‘en met wie beter dan met mij?’

‘Ja, dat weet ik. Dat weet ik, man. Maar toch goed dat je het zegt.’

De speakers zoemen zachtjes op de achtergrond. We zijn nog nooit zo ver gekomen.

‘Ik denk gewoon dat het goed voor je is om het soms over hem te hebben,’ zegt hij, ‘en met wie beter dan met mij?’

‘Genoeg om op te rakelen,’ zeg ik, ‘maar wel in een smoezelige bar, waar dat thuishoort.’

Hij lijkt genoegen te nemen met mijn antwoord en leunt achterover in de kussens van de bank. Aan zijn vriendenplicht is voldaan. Bovendien is mijn voorstel in lijn met onze ongeschreven traditie om jaarlijks onze zorgen bezopen op te biechten in de donkerste hoekjes van de kroeg. Geen schoon geweten zonder kater.

Ik loop naar de collectie en laat mijn vinger langs de spitse punten van de hoezen glijden. Als toegift toon ik Victor de plaat met het geconcentreerde gezicht van Miles Davis.

‘De enige echte!’ zegt hij.

Ik herinner me nog haarfijn hoe de trompet op de begrafenis over de hoofden schalde en ik de bomvolle zaal afspeurde naar een blik die me houvast kon bieden – tevergeefs, ze moeten er nog knulliger hebben uitgezien dan ik.

Miles laat zich niet graag overstemmen en er keert geen ritme terug in ons gesprek. Nog voor de plaat ten einde is gekomen, is Victor de deur uit. Bij het afscheid geeft hij me een knuffel en een paar kloppen op mijn rug.

Ik slof wat rond, zet de kopjes in de gootsteen en berg de plaat op. Tussen de kleurrijke ruggen probeer ik zijn plaats terug te vinden. Stof vliegt op, prikt in mijn ogen en vertroebelt mijn zicht. Op goed geluk wrik ik hem ergens tussen.

Ja, soms draai ik ze nog.

Over de auteur

Gijs Verwaijen (1996) is werkzaam als onderzoeker en heeft een achtergrond in sociologie. Hij woont in Utrecht en schrijft soms. Een kort verhaal van hem is eerder uitgegeven door Godijn Publishing.

Over de illustrator

Juliette Luscuere (2002) is vierdejaars student Illustratie bij ArtEZ Zwolle. Ze maakt vooral kleurrijke schilderijen en potloodtekeningen over menselijke relaties, emoties en ervaringen. Ze hoopt in haar werk ‘het verlangen er te zijn’ te vangen en dat anderen zich in haar werk kunnen herkennen.

Lees meer uit de categorie kort verhaal

Vuurdoop

Door Mathilde Drooger

Het is de derde dag en een harde dreun vlak naast me doet me opkijken van het kauwgomkrabben. Will ligt op de grond van de gymzaal. Zijn ogen zijn dicht, tussen zijn vingers smeult zijn sigaret. Net was hij nog druk bezig met de boenmachine. ‘Will, wakker worden!’ roep ik, maar hij geeft me geen […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen