Proza

De Duellist: Panopticon

Door Bouke Schut | beeld: Abe Borst
21 juni 2020

Voor onze themamaand De Duellist vroegen wij deelnemers het duel aan te gaan met zichzelf en hun tekst.

Christoff wekte mijn wantrouwen toen hij zich tijdens de voorstelronde als ‘Columbus de veroveraar’ voorstelde. Hij keek triomfantelijk de klassencirkel rond en knipoogde naar me. Later op de dag zag ik hem high fives uitdelen in de wandelgang. Nonchalant achteroverleunend praten met de schooldirecteur, alsof ze alledaagsheden bespraken. Fluisteren in het oor van de conciërge, die hem stiekem een sleutel overhandigde. Christoff stond en profil op de startpagina van de schoolwebsite en in Cleopatra-houding op de wervingsfolders. Hij floot wijsjes als hij in de mediatheek naar boeken zocht. Hij noemde me ‘Aard’ in plaats van meneer Boogaerdt, ook nadat ik hem met klem vroeg dit niet te doen, en hij schreef me onder zijn proefwerken bedankjes voor het geduld dat ik in de les voor hem opbracht, ondanks zijn onvermogen fatsoenlijk te kunnen hoofdrekenen, dat erkende hij namelijk wel. Ik schreef onder zijn proefwerk dat ik geen tijd had om zijn woorden te lezen, dat ik liever had gezien dat hij had geleerd zodat ik hem nu geen 2,3 hoefde te geven. Toch voelde het goed om zijn zware onvoldoende te onderstrepen, zo hard dat de punt van mijn pen door zijn papier drukte.

In de klas was hij stil als hij stil moest zijn en gaf hij volslagen stompzinnige antwoorden op mijn gerichte vragen, maar met een nonchalance die die stompzinnigheid onschadelijk maakte. Hij pakte iedereen in met zijn aangeboren charme. De mooie meisjes waren verliefd op hem, alsook de mooie jongens, die daarin erg uitgesproken waren, alsof homoseksualiteit iets was om trots op te zijn.

Hij werd door de laatstejaars bij de examenstunt betrokken omdat hij met zijn telefoon het roosterscherm in de aula kon bedienen; iedereen lachte om de gênante foto’s van de docenten en aan het einde kreeg hij van diezelfde docenten een daverend applaus voor zijn inbreng. Christoff bracht alles en iedereen in de war met zijn aanwezigheid en hij kon ook nog eens mooi tekenen. Hij wilde naar de kunstacademie en bleek, naast school, al een deeltijds vooropleiding te volgen. Ik googelde zijn naam en zag dat hij als ‘aanstormend talent’ in het NRC had gestaan met een essay over geïnstitutionaliseerd seksisme in het Victoriaanse tijdperk. Daarna googelde ik naar plaatjes van ‘Victoriaans tijdperk’. Ik kwam terecht bij Charles Dickens. Christoff had ooit eens het vuistdikke Bleak Street uit zijn tas gehaald en naast zich op tafel laten liggen totdat zijn verliefde buurman hem vroeg wat hij las, of het mooi was, of hij het mocht lenen, waarop ik beide jongens een briefje liet halen en de hele klas de rest van het uur verontwaardigd had zitten doen over die ‘overdreven straf, meneer Boogaerdt, echt be-lá-chelijk’.

Toen kwam de lockdown. Ik keek op tegen het thuiszitten, bang om te veel geconfronteerd te worden met herinneringen, maar het beviel me beter dan ik dacht. Dat kwam deels door de aanwezigheid van mijn dochter, die vanuit Groningen was gekomen om deze tijd samen door te brengen. We waren na het overlijden van Margriet dichter naar elkaar toe gegroeid en hielden haar in leven door over haar te praten. Hier haalden we troost uit.

’s Middags gaf ik virtuele lessen. Vanuit mijn studeerkamer kon ik al mijn leerlingen in de gaten houden: ze waren in overzichtelijke rijen gerangschikt, alsof ik de toezichthouder in een koepelgevangenis was. Ik zag dat Maartje haar goudvissenkom moest verschonen. Dat Ruben nog met een knuffel sliep. Özlem werd elke les een kopje thee en een plak cake gebracht door haar moeder, die dan enthousiast in de webcam zwaaide totdat Özlem haar gegeneerd wegstuurde.

En een aandachtige studie van Christoffs kamer zette ook hem in een alledaags daglicht.

In zijn kast stonden foute boeken: Adolf Hitlers Mein Kampf. Neil Strauss’ The Game, dat ik toevallig herkende van een recent tv-debat: een zelfhulpboek voor het manipuleren en veroveren van onzekere vrouwen. Markies de Sades De 120 dagen van Sodom.

Aan Christoffs bed hing een handboei. Een fotolijst stond omgekeerd tegen de muur en suggereerde een beeld dat niet voor de ogen van de lovende gemeenschap was bestemd.

Luisterend naar Christoffs zangerige, opgewonden stem – zelfs op zo’n grote afstand veel te aanwezig in mijn leven – besloot ik mijn intuïtie te volgen en hem ten gronde te richten.

Ik maakte screenshots van zijn kamer en schreef mijn observaties in een apart document: zo had Christoff op een dag blauwe knokkels, die zichtbaar werden toen hij een hand door zijn honingblonde lokken trok.  Ik schoot een beeld van zijn kwaadaardig glinsterende ogen – een blik die maar heel af en toe voorbijkwam, als zijn perfectejongensact even verslapte, zijn pupillen twee zwarte gaten die voor een kort moment een inkijkje gaven in zijn verdorven ziel. Op een goed moment vroeg ik Christoff tijdens een klassikale opgave waarom hij The Gamein zijn kast had staan, waarop sommige klasgenoten begonnen te joelen en anderen met dringende stemmen vroegen wat dat dan was, The Game, en ze het boek natuurlijk direct googelden.

‘Omdat ik een onzekere jongen ben, meneer Boogaerdt,’ antwoordde Christoff quasi-onzeker. Zijn klasgenoten vonden dat schattig. ‘Awww,’ klonk er in koor, waarop hij begon te grijnzen. Die nacht kon ik de slaap weer eens niet vatten. Ik had in mijn strijdlust kenbaar gemaakt dat ik over zijn schouder meekeek, dat ik hem extra in de gaten hield. Hij had me voor de eerste keer ‘meneer Boogaerdt’ genoemd, waarin een spot klonk die de anderen niet hoorden.

Maanden later troffen we elkaar weer in de klas. De meeste kinderen hadden moeite met de plotselinge omschakeling van een stil huis naar een rumoerige school: ze liepen verloren door de gangen, praatten zachter dan voorheen, waren aan het eind van de dag doodmoe van alle indrukken. Christoff niet. Christoff was nog steeds de stabiele Christoff, in control en misselijkmakend populair. Hij luisterde aandachtig naar de rampenverhalen van zijn klasgenoten, over familieruzies en de aanhoudende verveling, en knikte daar innemend bij, als een psycholoog die zeer begaan is met zijn patiënten. Hij deelde sigaretten uit op het schoolplein en zwaaide naar me toen ik langs hem heen naar huis fietste. Ik negeerde hem, mijn blik stug vooruit gericht.

Een goede zaak: mijn dossier was compleet. Ik had me als een bevlogen rechercheur op de zaak Christoff geworpen en hem geanalyseerd, ontleed, verzameld, uitgeprint en omcirkeld. Ik ben zelfs langs de copyshop gefietst om een mooie, mintgroene kartonnen kaft voor mijn dossier te kopen, met daarop in dikgedrukte letters ‘Christoff, Columbus. 2020’. Ik smokkelde het dossier mee naar school en bewaarde hem in de bureaula van mijn klaslokaal. De eerste fase van zijn omverwerping zou bestaan uit een goed gesprek met de directeur die zich zo naïef inliet met deze volmaakte leerling. Ik zou hem overtuigen met harde bewijzen, om te beginnen de verzameling gevaarlijke boeken. Christoff was tenslotte nog erg beïnvloedbaar, zijn brein nog niet volgroeid. Dan zou ik mijn bevindingen delen over de grens tussen leraar en leerling, die Christoff talloze keren op slimme maar gevaarlijke wijze wist te omzeilen, of zelfs publiekelijk bespotte. Hoe we dat niet konden laten gebeuren, want welk signaal gaven we daarmee naar de andere leerlingen? Die wilden we toch ook in toom houden? Mijn punt was duidelijk en kende een sterke, argumentatieve opbouw: als we Christoffs vrijpostigheid geen halt zouden toeroepen, zou hij onze school binnen de kortste keren omtoveren tot een dierentuin vol levensgevaarlijk wild.

In de grote pauze van de volgende dag trok ik me terug in mijn klaslokaal, tilde mijn privé-laptop uit mijn rugtas en tikte een mail aan de directeur, omdat ik bang was in een persoonlijk gesprek overredingskracht te missen die cruciaal was voor deze zaak. Het ging om méér dan Christoff, natuurlijk: het ging om een visie, een schoolbeleid dat zich vast moest houden aan traditie, vooral in een tijd waarin het onderwijssysteem op de helling stond. Juist toen ik de mail had afgetypt en de screenshots als bijlage toevoegde, klonk eeen kloproffel op de deur en vloog die plechtig open. Christoff verscheen saluerend in de deuropening. Ik klapte mijn laptop dicht.

‘Goedemíddag,’ zei hij met een verbaasde toon, alsof ik degene was die zijn lokaal binnenstormde, in plaats van andersom. ‘Wat toevallig om jou hier te zien.’

‘Kan dit later, Christoff? Ik ben erg druk.’

Hij glimlachte ontroerd en deed de lokaaldeur achter zich dicht. ‘Kun je je nog herinneren dat ik mezelf als Columbus de veroveraar voorstelde?’

‘Je hebt me gehoord. Hup.’

Hij ging onverstoord verder: ‘Veroveraars houden graag overzicht over hun vergaarde successen, om zich daar op elk gewenst moment op te masturberen.’

‘Pardon?’ Mijn stem klonk eerder geschrokken dan autoritair.

Hij sloeg zijn armen over elkaar en monsterde me. ‘Ik zal je vandaag een belangrijke les leren.’ Toen wrong hij zijn telefoon uit zijn broekzak en ontgrendelde die zonder mijn blik los te laten. Zijn technische behendigheid joeg me plotseling angst aan.

‘Ben je je schriftje vergeten? Of ga je het allemaal onthouden?’ vroeg hij, terwijl hij met de telefoon naar mijn tafelblad wees. Hij wandelde op me af zoals een slang zich door het struikgewas richting zijn prooi beweegt, ongrijpbaar, onzichtbaar, tot hij dichtbij genoeg is en in één snelle, glibberige draai zijn voedsel toe-eigent.

‘Ik weet niet wat je probeert, meneer C…’

Christoff kapte me met een ongeduldig handgebaar af. ‘Zullen we het elkaar niet te moeilijk maken, Aard?’ Hij stond al naast me en schoof zijn telefoon achteloos voor mijn neus. Daarop was ik zelf te zien, gefilmd door mijn webcam, terwijl ik ruw masturbeerde. Op mijn voorhoofd klopte een slagader en mijn ogen waren waterig. Mijn magere borst glinsterde en uit mijn oksel liep een straaltje zweet. Het kroop over mijn ribbenkast en liet een slakkenspoor achter op mijn blauwachtige webcam-huid. Ik versteende. Christoff gaf ondertussen een rukje aan de bureaula en keek met me mee: de la was leeg.

Ik probeerde wat te zeggen, maar het voelde alsof hij cement in mijn luchtpijp en slokdarm had gestort. Hij knielde naast me neer en duwde mijn laptop open zodat de mail met screenshots tevoorschijn sprong. Samen keken we een volle minuut in stilte naar het scherm. Toen begon hij met één uitgestoken wijsvinger, letter voor letter, mijn zinnen weg te halen. Hij verwijderde neuriënd de screenshots uit de mail en uit mijn bestanden. ‘Pfew,’ zei hij opgelucht en hij wreef met de rug van zijn hand over zijn voorhoofd.

Toen legde hij zijn hand plat op mijn kale hoofd en drukte zich op. Mijn nek maakte een pijnlijke knik. Christoff rekte zijn rug en draaide met zijn vinger een cirkeltje over mijn kruin. ‘Welkom in 2020, Aard-boy.’ Hij nam de telefoon weer van mijn tafel en duwde hem in zijn broekzak. ‘Je bent nooit een bewaker geweest,’ zei hij en hij liet me gissend naar antwoorden achter.

Over de auteur

Bouke Schut (1994) studeerde Literatuurwetenschap en Cultural Analysis aan de Universiteit van Amsterdam en is momenteel verbonden aan de SchrijversAcademie te Antwerpen. Hij schreef korte verhalen voor onder andere Kluger Hans, online verhalenbundel VIRUS en Babel. Bouke is eindredacteur bij tijdschrift Filmmagie en werkt aan een roman waarin hij onderzoekt hoe film ons bewustzijn verrijkt/verstoord.

Over de illustrator

Abe worstelt vaak met de D's en T's van spelling en heeft hierdoor een lange tijd aversie gehad voor taal. Tot hij via door zijn liefde voor strip en het maken beeld er op een nieuwe manier naar ging kijken. In veel van zijn werk probeert hij beeld en taal samen te laten werken om zo een verhaal te vertellen of te versterken. Over de D's en T's struikelt hij nog steeds, maar zijn liefde voor vertellen houdt hem overeind. Squabe.nl | @abe_borst

Lees meer uit de categorie Proza

Voorpublicatie uit ‘Uiterste dagen’ van Ferdinand Lankamp

Door Ferdinand Lankamp

Lente dus. Edvard Haga kent de allereerste voorbode: de dagen die gaan lengen. Het zal niet lang meer duren tot de sneeuw op de daken van de boerderij, de stallen en de schuren, en op de takken van de bomen aan de oostkant van de weg, hoorbaar begint te schuiven, om eerst in druppels, dan […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper