kort verhaal

De afwezigen

Door: Martijn van Bruggen
Beeld: Anne Kleinjan

2 juni 2023

Weet je wie me boos maken? Mensen die het hebben over de kunst van het stijlvol te laat komen, en vooral mensen die erbij zeggen dat ik dat niet beheers. Weet je waarom ik dat niet beheers? Omdat ik te laat komen helemaal niet stijlvol vind, en zeker geen kunst. Te laat komen is hetzelfde als in je broek schijten: het gebeurt vanzelf. Het is een prestatie van niks.

Terwijl er thuis nu allemaal mensen op de bank zitten te berekenen hoelang ze nog moeten wachten totdat het te laat genoeg is, sta ik in de woonkamer van een of andere vage tweelingbroer van een vage oud-klasgenote. Ik was ze allebei vergeten tot ik eergisteren per app een uitnodiging kreeg voor zijn achttiende verjaardag. Het feestje zou beginnen om zeven uur en het is kwart over zeven, maar ik ben nog steeds alleen. De jarige zelf is er ook natuurlijk, maar die is nerveus als de pest en vraagt alleen maar of de anderen wel zullen komen. Ik denk dat hij zich beter zorgen kan maken of ik wel ga blijven.

Het is niet eens ten opzichte van hem (al helpt hij niet mee) maar ik heb een haat-liefdeverhouding met feestjes. Ik heb liefde voor ze als ik niet uitgenodigd ben, en als ik dan uitgenodigd ben begin ik ze opeens te haten. Ik zie allemaal beelden opdoemen van mijn slaapkamer alsof ik lsd heb genomen. Hoe ik daar gezeten zou hebben met mijn Xbox. En met die beelden komt het besef dat die ene avond waarop ik had kunnen gamen nooit meer terug gaat komen, omdat ik zo nodig bij mensen moet zijn die ik alleen maar ken omdat onze ouders toevallig op hetzelfde lapje Nederland hebben gerotzooid…

Ik denk dat hij donders goed weet dat de tijd op niemand wacht, dat secondes een genadeloos verschil kunnen maken

Zie je, ik begin al bijna te huilen. De jarige heeft ook wel erg zijn best gedaan om de woonkamer zo sneu mogelijk te maken: hij heeft allerlei statafels op random plekken neergezet die nu eng ongebruikt staan te zijn en dan laat hij ook nog vrolijke muziek afspelen uit een speaker. Hijzelf doet net alsof hij de muziek niet hoort en ik sta dom van links naar rechts te schommelen als een slap boompje in de wind, maar eigenlijk moet ik huilen. Ik durf hem niet aan te kijken, want er is iets in zijn blik dat me sowieso het laatste zetje gaat geven. Ik denk dat hij ook geen persoon is die stijlvol te laat komt. Ik denk dat hij donders goed weet dat de tijd op niemand wacht, dat secondes een genadeloos verschil kunnen maken.

De overgang tussen twee liedjes duurt maar vijf seconden en toch voelt het nog ondraaglijker dan wachten op verbinding met de alarmcentrale terwijl er voor je ogen iemand ligt te sterven. Geloof me, ik kan het weten. Ik vraag de jarige hoe oud hij is geworden. Dat weet ik wel, maar ik wil duidelijk maken dat we geen vrienden zijn. Hij schrikt ervan dat er op zijn verjaardag zomaar tegen hem wordt aangepraat, maar herpakt zich en herhaalt zijn appje: ‘Achttien jaartjes alweer. Deze jongen wordt eindelijk volwassen.’

Deze jongen heeft zelf geen persoonlijkheid meer, dus jat hij al zijn teksten maar van internet. Hij is zo’n gast geworden die alleen nog de Spotify Top 50 afspeelt door z’n speakers, terwijl daar toch best veel rukmuziek tussen zit. Ik heb in een kwartier tijd al twee keer een opgehipt zeemanslied voorbij horen komen. Ik bedoel, dat werd niet voor niets alleen maar in cafés gezongen wanneer je lam was als een schaap. Ik vraag me echt af of er een moment is waarop je beslist: ik heb geen smaak en die gaat ook nooit komen, dus doe ik maar gewoon wat de rest doet. Als je het mij vraagt groei je erin.

‘Mooi hoor, achttien,’ zeg ik. ‘De tijd vliegt.’

Omdat het op Insta ook voldoende is om te vermelden hoeveel jaartjes je geworden bent, gaat hij niet eens op me in en zwijgt als het graf. Op een begraafplaats kan je tenminste nog bloemen roven, maar dat is er hier ook niet bij. Alles, echt alles, is uit de woonkamer verwijderd – op de meubels na. Aan de muur zie je allemaal witte rechthoeken op een vaal behang en zelfs de tv is verdwenen. Daar staat nu een vuistdikke kaars in een lantaarn, die er alleen maar lijkt neergezet om te tonen dat er geen tv staat. Ernaast staat een lijstje op een standaard met ik gok een foto erin, maar die is van de woonkamer afgedraaid, alsof de jarige en zijn ouders bang zijn dat er vanavond dingen te gebeuren staan die zelfs niet geschikt zijn voor de ogen van de vereeuwigden. Nou, verre van dat. Ik wou dat ik me ook van dit moment kon afdraaien.

Ik druk de jarige alvast zijn cadeautje in z’n handen, zodat ik elk moment kan vertrekken. Het is een briljant cadeautje, al zeg ik het zelf. Misschien een beetje sentimenteel. Maar hij kan het hebben, want hij heeft al jaren geen gevoel meer. Ik heb het zelf ingepakt en dat vind ik eigenlijk dubbele punten waard. De jarige lijkt oprecht verbaasd dat hij een cadeau krijgt op zijn verjaardag en kijkt naar het inpakpapier alsof dát het presentje is. Net als ik wil zeggen dat ik het zelf wel aan stukken scheur, wordt er aangebeld. Hij loopt de woonkamer uit en sluit de deur achter zich. Sta ik hier alleen in die woonkamer die in alles ongeluk uitstraalt en uit de speaker klinkt voor de derde keer het zeemanslied en ik kan wel janken.

Gelukkig blijkt de jarige Sasha binnen te hebben gelaten en die ken ik van school. We zaten een paar jaar in dezelfde klas. Het was een kutklas tot er zo’n meisje stierf en toen werden we opeens superhecht allemaal. Zo zie je maar weer dat de een zijn ontbinding de ander zijn verbinding is, dat is het leven. Sasha heeft make-up op, maar ze draagt geen oorbellen en daaraan kan je zien dat ze het feestje niet belangrijk vindt.

‘Jij ook hier,’ zegt Sasha en meer valt er eigenlijk ook niet op te merken.

In het uur erna druppelt er nog een tiental mensen binnen. Op een gegeven moment letterlijk, want het is begonnen te regenen alsof alle cocaïneverslaafden uit de regio boven een pot warme thee hangen. De jarige vraagt serieus of iedereen zijn modderige schoenen uit wil trekken, omdat anders zijn ouders boos worden. Nu weet ik heel zeker dat het een kutfeest gaat worden. Ik vraag me af waar zijn ouders überhaupt zijn, totdat ik tijdens de zoveelste ongemakkelijke stilte naar de wc vlucht en boven mij nog een wc hoor doorspoelen.

De minuten verstrijken als overjarige honing en ik wil hier niet de jarige gaan roasten – daar werkt hij zelf al hard genoeg aan. Ik wil alleen maar zeggen dat ik het een onwerkelijke prestatie vind om zelfs op je eigen verjaardag zo’n bijfiguur te zijn. Op een gegeven moment staan we met z’n allen om een statafel en de jarige zelf staat op de tweede rij! We zeggen allemaal dingen tegen hem zoals ‘ga nootjes halen’ of ‘flesopener nu’ en dan gaat hij gelukkig weer even de keuken in, zodat we het erover kunnen hebben wat voor sneu figuur hij eigenlijk is. Ene Jelle vraagt: ‘Waarom zijn we hier, is hij jarig of zo?’ en ik zeg: ‘Is dit zijn huis dan?’

‘Het zijn al jaren mijn buren,’ zegt Jelle, ‘en sinds een tijdje gaan ze nooit meer ergens anders naartoe dan de supermarkt.’

Ik spuug een nootje richting het tv-meubel. ‘Maar een schaal borrelhapjes kopen is te veel gevraagd.’

Sasha zegt dat we niet zo gemeen moeten doen, door hun verleden, maar ze bedoelt: ga door, ga door, ga door.

Als de jarige na elven alwéér vraagt wie er nog nootjes wil, geef ik de hoop op dat er nog iets anders te bikken valt. De muziek is precies dezelfde rommel als om zeven uur. De jarige is natuurlijk ook niet veranderd. Ik zeg dat ik maar eens naar huis ga, want ik moet morgen vroeg op. Sasha met haar uitgestreken hoofd: ‘Dan is het zondag.’

Dat bedoel ik dus, ze wil gewoon dat ik hardop tegen de jarige zeg dat het een kutfeest is. Ik vind het hypocriet, want zij was degene die ontroostbaar was toen het allemaal gebeurde en steeds zei: ‘Ik vind het zo erg voor hem.’ Door haar hebben we ook contact met hem gezocht. En blijvend gevonden, want als mensen in de shit zitten en je steekt per ongeluk je hand uit, klampen ze zich aan je vast als kleefkruid. Echt, hij blijft me maar appjes sturen op dagen die belangrijk voor hem zijn en lijkt zich nooit af te vragen of ze ook belangrijk voor mij zijn.

Deze dag is niet belangrijk voor mij. Ik pak mijn jas en laat me niet verleiden te zeggen dat het een kutfeest was. ‘Je cadeau!’ schiet me opeens te binnen als ik de jarige een hand geef, die vettig is van de nootjes. ‘Waar is het?’

Omdat de kamer een soort afzuigkap voor luchtigheid is en werkelijk niemand het lukt een gesprek met elkaar te voeren van meer dan drie zinnen, gaat iedereen op zoek naar het cadeau van de jarige. Het is zoeken naar een speld op een steriele tafel, want de kamer is zelfs met bezoek zo leeg als een lijk. ‘Maak gauw open, want ik moet morgen vroeg op,’ herhaal ik mijn leugen terwijl hij het pakje ronddraait als een Rubiks kubus.

‘Jij beheerst niet bepaald de kunst van het stijlvol vertrekken,’ fluistert Sasha in mijn oor.

De jarige luistert alweer niet naar me en trekt ziekelijk behoedzaam aan het reepje plakband op het inpakpapier. Jelle zegt: ‘Scheur het gewoon naar de tyfus.’ Maar de jarige zegt: ‘Ik wil het niet beschadigen, want wij gebruiken het altijd nog een keer.’

Bijzonder,’ zegt Sasha terwijl het zeemanslied voorbijkomt.

Niemand deed wat toen ze plots naar de grond ging

Met z’n tong uit zijn mond krijgt hij eindelijk het plakband los. We joelen. Hij is minder bezig met mijn cadeau dan met waar hij het inpakpapier kwijt kan zonder dat het in een druppel bier belandt. ‘Geef maar hier,’ zegt Sasha, die plaats heeft gemaakt voor de jarige en op de tweede rij is gaan staan. Hij overhandigt het papier aan haar en ze drukt het meteen in elkaar tot een prop en smijt het de keuken in. De jarige heeft het niet gezien, want zijn oog is gevallen op mijn cadeau en hij begint opeens met zijn duim over het gezicht van zijn tweelingzus te wrijven.

Het is een foto die ik twee jaar geleden stiekem heb gemaakt toen ze een presentatie aan het geven was over haar aandoening. Schokkende onthullingen! had ik er als onderschrift bij geplaatst op Snapchat. Ik weet nog dat ik dat heel grappig vond. Een paar minuten na het maken van die foto was ze dood. Niemand deed wat toen ze plots naar de grond ging. Misschien hadden we het al te vaak gezien, misschien was niemand aan het luisteren.

Wist je dat de kans dat iemand sterft tijdens een epilepsieaanval praktisch nihil is? Nou, daar heb je dus niks aan wanneer je met je slaap op de punt van een tafel knalt.

De jarige blijft maar over het gezicht van zijn tweelingzus wrijven. De foto is ingelijst trouwens. Ik heb niet het goedkoopste lijstje gekocht, maar echt één waarvan ik dacht: ja, die is het waard om de laatst genomen foto van een levende tweelingzus te omlijsten. Ik kan dat niet zeggen nu, het is niet het moment.

Het moment slaat een gat in de tijd. Hij wordt wit waar ik bij sta. ‘Ze was jarig,’ zegt hij met een geknepen stem. ‘Net als ik.’

Vrij obvious natuurlijk als je tweeling bent. Ik wist niet dat haar verjaardag nog zo’n ding voor hem was. Ik bedoel, hij heeft het nooit meer over haar. Van zijn profielfoto is ze ook verdwenen. Toen ik die uitnodiging van hem binnenkreeg, moest ik opeens weer aan haar denken en ik dacht: ik geef hem die foto maar cadeau, anders vergeet hij haar eveneens.

De jarige piept. Jelle klopt hem op zijn schouder: ‘Sorry, maat.’ Maar wat kan Jelle eraan doen. Het lijkt alsof hij iets heeft losgeslagen, want plots begint de jarige te huilen. Hard te huilen. Het water loopt zelfs uit zijn neus zo hard. ‘Niet doen,’ zegt Sasha, ‘want dan moet ik ook.’ Ze probeert haar tranen terug te wapperen, maar ze staat machteloos – zoals wij allemaal die dag.

Zij probeert tenminste nog te vechten tegen haar tranen. De jarige doet niets. Hij jankt als een hond en schreit als een kleuter. Ik haat mensen die hun tranen laten lopen. Je kan tenminste dóén alsof je de controle hebt. Hij laat het snot gewoon van zijn kin druipen. En wij staan erbij en kijken ernaar.

Dit moet stoppen. Ik draai me van de statafel af en zoek naar een doos tissues, maar die is natuurlijk ook weggemoffeld. Gelukkig ligt het inpakpapier nog in de keuken. Ik raap het op en ga ermee naar de jarige om het onder zijn neus te duwen. En terwijl ik naar hem toe loop bedenk ik me dat hij op zijn zus lijkt. Hij lijkt zelfs op haar in de manier waarop zijn lichaam schokt.

Over de auteur

Martijn van Bruggen (1999) studeert Nederlandse Taal en Cultuur in Utrecht, met een minor filosofie. Daarnaast is hij medewerker van <i>Tzum</i> en de <i>Boekenkrant</i>. Zijn verhalen zijn onder andere gepubliceerd op <i>Vuurland</i>, waar hij een talententraject aflegde, en <i>Verhaal van de Maand</i>, dat hij als eerste persoon drie keer won.

Over de illustrator

Anne Kleinjan (Amersfoort 2002) begon in 2022 aan de opleiding Illustration design in Zwolle. Ze haalt inspiratie uit alledaagse situaties maar zoekt in haar beeld ook naar de grens tussen wat herkenbaar is en wat niet. Zie @anne.kleinjan.

Lees meer uit de categorie kort verhaal

Stijlestafette: Lovende recensie

Door Evelien Flink

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven. De setting is beslist pittoresk te noemen: een monumentaal pand, een fraaie, opsmukloze caféluifel en een brede stenen brug met een fantastisch uitzicht over de maanverlichte gracht. Ook prettig om naar te kijken, zijn de […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen