kort verhaal

Van de doden

Door: Wim Lankriet
Beeld: Anka Hashin

8 mei 2024

Ik wist niet dat mijn vader in een verpleeghuis zat. We hadden al jaren niets meer van hem gehoord en ik vernam het van een notaris, die me opbelde in verband met onbetaalde rekeningen. Dat verraste me, want mijn vader had er altijd warmpjes bij gezeten.

‘Het is ook een man met serieuze gezondheidsproblemen,’ voegde hij er nog aan toe.

Er viel er een lange stilte. Ik wilde zeggen dat mijn vader een paar jaar geleden plots zijn nummer veranderd had en daar niemand van op de hoogte gebracht had, dat hij het was die zich van iedereen afgezonderd had, maar slikte de woorden in en zei droog dat ik hem jammer genoeg niet kon helpen. Hij kuchte, liet zich een loodzware zucht ontvallen en gaf me het telefoonnummer van het verpleeghuis. De volgende weken vreesde ik aldoor dat hij me opnieuw zou bellen, maar uiteindelijk hoorde ik niets meer van hem.

Zes maanden later was mijn vader dood. Ik heb hem niet meer gezien. Af en toe dacht ik eraan om hem in het verpleeghuis te bezoeken, maar het was meer dan een uur rijden en hij had het zelf ook afgeraden: ‘Tja, ik weet niet of je het wil zien, waar je vader nu beland is. Maar het is leuk dat je gebeld hebt.’

Een paar weken voor zijn dood kwam ook mijn moeder terug in mijn leven. Met haar ging het ook niet goed. Ze sprak met een klein stemmetje en noemde zichzelf mama, zoals altijd wanneer er iets mis was: ‘Mama heeft borstkanker.’

Het was twee jaar eerder begonnen en toen was ze ervan genezen, maar nu was ze hervallen en waren er ook uitzaaiingen naar haar heup. Mijn zus zei aan de telefoon: ‘Het is haar eigen fout. In feite moest ze nog chemo hebben, maar dat heeft ze geweigerd. Dacht dat het niet nodig was en ze het wel zou redden met haar alternatieve therapieën en goeroevrienden. De gebruikelijke quatsch, weet je wel…’

Samen met mijn zus regelde ik de begrafenis van mijn vader. We kozen voor de basisformule van achthonderd euro: crematie plus een korte ceremonie in de afscheidsruimte.

De avond voor de begrafenis belde mijn moeder me op. Ze had een gedicht over mijn vader geschreven en wilde het tijdens de ceremonie voordragen, maar telkens wanneer ze het repeteerde, werd het haar te veel. Wilde ik het niet doen?

‘Ach, dat doe je toch beter zelf?’ zei ik. ‘En als je moet huilen, dan is het maar zo.’

‘Tja, misschien heb je gelijk.’

Tijdens de afscheidsceremonie was mijn moeder de enige die iets voorlas. Ze stapte naar het kleine podium toe alsof ze blootsvoets over kiezels liep en hield haar spiekbriefje voor zich uit, als een ticket dat ze ergens moest afgeven. Even tikte ze angstvallig op de microfoon, slikte een paar keer en begon toen voor te lezen, met beverige stem en haar blik star naar de grond gericht. Na twee zinnen braken de tranen er al doorheen. Het grootste deel van het gedicht was onverstaanbaar en haar verdriet zo luidruchtig dat het wel geacteerd leek. Mijn oom zat er met gekruiste armen naar te kijken. Toen ik hem even aankeek, trok hij zijn wenkbrauwen op en tuitte zijn lippen in een onhoorbare zucht.

Een maand later kreeg ik de factuur van de begrafenisondernemer, met een folder over hun diensten erbovenop. Een naamplaatje op een zuil bij de strooiweide. Dat kon ik nog wel doen voor mijn vader. Het kostte tweehonderd euro. Mijn moeder vond het een goed idee en was bereid de helft te betalen.

‘En tussen haakjes,’ voegde ze eraan toe, ‘ik denk er de laatste tijd vaak aan om ‘s naar Brussel te komen. Kunnen we samen iets gaan eten.’

‘Loop je alweer beter?’

‘Redelijk. Maar vorig weekend was ik in Rijsel en in de oude stad had ik het toch lastig in de kasseistraatjes.’

‘Ach… Hier in Brussel is het natuurlijk van hetzelfde. Misschien kunnen we beter later dit jaar afspreken, als je weer helemaal de oude bent.’

Ze zei niets. De stilte duurde zo lang dat ik vroeg of alles oké was.

‘Ja, natuurlijk. Ik was even de draad kwijt.’ Ze zweeg opnieuw een ogenblik. ‘Ik denk nog vaak aan papa. Een paar maanden geleden zei hij: “We komen hier allebei door, wees maar zeker. Eigenlijk zouden we moeten wedden: wie er zijn kanker de eerste de baas wordt. Hoewel… jij zou toch winnen.” Typisch voor je vader om zoiets te zeggen.’

Een paar weken later vertelde ze dat verhaal ook aan mijn zus. Ondertussen waren er nieuwe uitzaaiingen. Ze accepteerde de chemo, maar klaagde er vaak over. Haar stem werd heser en leek almaar meer onder de vermoeidheid te zwichten. Steeds vaker betrapte ik mezelf erop de verleden tijd te gebruiken wanneer ik aan haar dacht.

Steeds vaker betrapte ik mezelf erop de verleden tijd te gebruiken wanneer ik aan haar dacht.

Drie maanden later waren we allemaal samen in het ziekenhuis, inderhaast opgebeld door mijn zus, die te horen had gekregen dat het einde nabij was.

Mijn moeder lag op haar rug met een rare grijns op haar gezicht. De ogen stonden wijd open, enkel het wit was zichtbaar. Dat spookachtige melkwitte staren maakte me zo ongemakkelijk dat ik de hele tijd de neiging had om van haar weg te kijken.

Mijn tante stapte naar voren, nam mijn moeders hand vast en prevelde onverstaanbare woorden. Mijn zus deed hetzelfde. Toen het mijn beurt was, bleef ik plots staan, op een meter van het bed. Een ogenblik gleden mijn ogen over het gezicht. Daarna keek ik naar het raam, dat wazig werd alsof het door mijn blik bedauwd raakte. Ik bleef staan tot ik vond dat het lang genoeg geduurd had en liep van het bed weg.

Mijn oom fluisterde: ‘Het is bijna voorbij,’ en gebaarde naar mijn tante dat hij naar huis wilde. Ik volgde hun voorbeeld en een uur na mijn thuiskomst kreeg ik van mijn zus een sms’je dat mijn moeder dood was.

Van haar spaargeld bleef weinig over. Er stond niet eens duizend euro op haar rekening. Ik stelde mijn zus voor om hetzelfde te doen als bij mijn vader.

‘Ben je niet goed of zo?’ wierp ze meteen tegen. ‘Dit is een heel andere situatie. Ma kende een hoop mensen. Er moeten rouwbrieven verstuurd worden en wat weet ik allemaal. Het gaat meer kosten. Maar maak je geen zorgen, we verkopen haar cabrio wel.’

De dienst vond plaats in een soort newage-kerk. Een collega van mijn moeder gaf een lange toespraak, over haar projecten, haar passie en haar uitzonderlijke persoonlijkheid. Het was net een inleiding voor iemand die daarna zelf op het podium zou verschijnen.

Wespen. Mensen liepen kriskras door elkaar, sommigen met jassen of sjaals over het hoofd

Bij de strooiweide stond ik in de achterste rangen. De wind deed mijn moeders assen opstuiven en in een wolk over het gras drijven. Ineens was er vooraan opschudding. Een snel aanzwellend gezoem. Iets ketste tegen mijn wang aan. Wespen. Mensen liepen kriskras door elkaar, sommigen met jassen of sjaals over het hoofd. De opwaaiende assen en de insecten vormden nu één wolk en het gegons werd steeds luider, leek het geritsel van de wijkende menigte te overstemmen. Ik bedekte afwisselend mijn ogen en oren, bewoog me in de richting van de parkeerplaats, stap voor stap, arm voor arm, alsof ik door alles heen moest zwemmen.

Op de snelweg beklemden de drukte en de snelheid van het verkeer me algauw. Bij Kruishoutem nam ik de afrit en zwierf door de heuvels. Toen de avond viel, bevond ik me ten zuiden van Ronse, in een streek waar ik nog nooit geweest was. Het avondrood kleurde het glooiende landschap in een aardewerkachtig oker. Er was niemand, behalve vier fietsers die in de tegenovergestelde richting op me afkwamen. Een gezin met twee kinderen. De ouders aan de buitenkant en de kinderen tussen hen in. Net als mijn zus en ik, dertig jaar geleden, op Texel. Zij zes en ik acht, onze ouders eind de twintig. De flakkerende lentezon, de zeewind in onze wapperende haren, lachende gezichten. Terwijl ik naderde, zag ik echter dat de mensen voor me geen gezin vormden. De man reed nu een eindje achterop. Hij was veel ouder en hoorde er duidelijk niet bij.

Ik kreeg het warm. Aan de einder scheen een dieprode gloed. De aarde en het stof van de velden leken in de auto te kruipen. Een flesje water rolde onder de passagiersstoel heen en weer en het geklots ergerde me zo dat ik het nog altijd hoorde toen het opnieuw stil lag.

Over de auteur

Wim Lankriet studeerde Germaanse Filologie en Geschiedenis en woont in Brussel. Hij is actief als schrijver en componist en publiceerde reeds in Papieren Helden en Tijdschrift SKUT.

Over de illustrator

Anka Hashin (Moskou, Sovjet-Unie, 1980) is een pseudoniem van een Russisch-Nederlandse schrijver en kunstenaar.

Lees meer uit de categorie kort verhaal

Daverende halmen

Door Thibault Coigniez

Weinig wordt de oude Ulrich in zijn woning te midden van de havervelden bespaard gebleven in dit verhaal van Thibault Coigniez, die met dit verhaal debuteert bij De Optimist. De magnifieke gif werd gemaakt door de veelzijdige illustrator Pit Lempes.

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen