Zelfportret
Door: Aafke van Pelt
Beeld: Ilse Groot Nuelend
2 oktober 2024
‘Het heeft flink gesneeuwd de afgelopen dagen,’ zegt mijn chauffeur.
Het landschap trekt in golven koud wit voorbij. We klimmen en het wegdek wordt steeds slechter tot we op onverharde wegen terechtkomen; de jeep springt nerveuzer op en neer, schudt me haast de bijrijdersstoel uit. Misschien had ik toch een huisje in het dorp vlakbij moeten huren, maar dit hutje heeft volgens de site een sleutelkastje, geen veel te aanwezige of overdreven vriendelijke host. Ik verlang naar rust.
De man tilt mijn koffer naar de deur terwijl ik de roestige sleutel stroef in het slot duw. Voor ik de deur dichttrek wijst hij naar de stille, witte bossen die het huis vastklemmen.
‘Het wordt heel donker ’s nachts.’
Ik knik. ‘Ik heb een goede zaklamp bij me.’
Hij schudt zijn hoofd, fronst. ‘Het wordt heel donker.’
Ik doe de deur op slot en schuif het kettinkje erop. Ik vraag me af of ik hem niet had moeten bedanken, of op zijn minst naar hem had moeten glimlachen.
Over alle spiegels hangen grijze doeken als lijkkleden. Ik trek er eentje af en duw mijn mondhoeken met mijn duimen omhoog. Het effect is eerder maniakaal dan vriendelijk; ik herken mezelf nauwelijks.
Net als ik mijn camera heb uitgepakt, wordt er geklopt.
Het zál toch niet.
Ik trek de deur net iets harder dan gepland open. Er staat een man die een rechthoekig boekje naar me uitsteekt. Even weet ik niet naar wie ik kijk, en dan zie ik de jeep achter hem. Het is mijn chauffeur. Ik ben nooit goed geweest met gezichten, maar een man niet herkennen naast wie ik twee uur in een auto heb gezeten is wel een nieuw dieptepunt. Haast automatisch pak ik het voorwerp dat hij me wil geven aan.
‘Je paspoort,’ zegt hij. ‘Dat lag nog in de auto. Samantha.’
Ik schrik bij het horen van mijn naam, van de manier waarop deze compleet vreemde de drie lettergrepen uitspreekt alsof hij het al jaren doet.
‘O,’ zeg ik verdwaasd. ‘Ja. Dank je wel, eh…’
Hij laat mijn uitgestrekte, half vragende zin doodbloeden. Hij kijkt naar het bos achter hem, dan naar mij, en schudt zijn hoofd.
‘Wat kom je hier eigenlijk doen?’
‘Ik ben fotograaf,’ zeg ik. ‘Ik werk aan een serie zelfportretten in verlaten gebieden. Het moet de isolatie van de moderne mens weergeven, afgetekend tegen de fascinatie met zelfdocumentatie.’
Zijn reactie blijft uit, dus ik til mijn handen op en doe het maken van een foto na.
‘Selfies, en zo.’
‘Ik weet wat je bedoelde,’ zegt hij scherp, ‘en zo verlaten is het hier niet.’
Hij draait zich om. Ik overweeg hem uit te zwaaien, maar trek de deur dicht en leg mijn paspoort op tafel. De stilte omhelst me. Ik parkeer mezelf op de bank, plotseling te moe om nog iets anders te doen. Als ik op mijn telefoon iets op wil zoeken over de Appalachen, laadt niets fatsoenlijk. Geen bereik. Mijn koffer verplaatsen en uitpakken voelt als te veel moeite, dus laat ik me in de kussens zakken en sluit kort mijn ogen.
Hoe gruwelijk ook, de geweien vormen een mooie achtergrond
De nacht valt als een hamer. Als ik wakker word, is het aardedonker in huis.
Ik begin langzaam de hut te verkennen, op zoek naar alle lichtknoppen. In het ontstoken licht vind ik kamer voor kamer wat aangevreten boeken, vliegenlijkjes en een alarmerend uitgebreide collectie hertenschedels die met krullend gewei en al aan de slaapkamermuur prijken. Ze kijken me met holle oogkassen aan.
Hoe gruwelijk ook, de geweien vormen een mooie achtergrond.
Ik pak mijn camera, een oude polaroid waar de rolletjes bijna onmogelijk voor te vinden zijn, en durf mezelf na een uur meubilair rondslepen eindelijk voor de lens te positioneren.
De flits verdrinkt even heel de kamer in allesomvattend wit. Ik heb intussen geleerd mijn ogen niet meer dicht te knijpen tegen het licht, geniet tegenwoordig bijna van het idee dat mijn pupillen bleek wegbranden. Als de camera de foto uitspuugt leg ik hem onmiddellijk ondersteboven op het nachtkastje. Ik heb het altijd vreselijk gevonden om mezelf zo langzaam te zien verschijnen, eerst een gezichtloze schim en dan scherp, met grote twijfelogen en een harde kaak.
Wanneer ik naar buiten kijk is het net een polaroid: een grijswit vlak zonder definitie waar pas na een tijdje staren vormen in te ontdekken zijn. Ook al zo’n perfecte achtergrond. Ik zou tot morgen kunnen wachten, maar de uitgestrekte sneeuwvlaktes komen onder de scherpe blik van een cameraflits in het donker misschien nog wel beter uit.
De wind is gaan liggen en het is stil buiten. Het enige geluid dat ik hoor is het knerpen van de sneeuw onder mijn laarzen. Ik zet snel mijn camera op het houten krukje dat ik mee heb gesleept, ga in kleermakerszit in de sneeuw zitten en hoop dat de kou die door mijn broek mijn huid in sijpelt me afleidt van het feit dat ik niet verder kan kijken dan het tuinhek.
De flits is zó fel in het donker dat ik er haast duizelig van word. Ik duw mijn vuisten tegen mijn gesloten ogen zoals ik mezelf heb aangeleerd, tel tot één, twee, drie…
‘Samantha.’
Een stem vlak bij mijn rechteroor, alsof iemand probeert mijn aandacht te krijgen in een menigte, ik kan de warme adem op mijn oorschelp haast vóélen. Happend naar adem rol ik opzij, draai me om, maar er is niemand. Enkel die eindeloze, inktzwarte leegte.
Maar ik hoorde het echt. Mijn naam, glashelder, bijna een schreeuw, zo luid was het. Sneeuw kruipt dwingend tussen mijn vingers omhoog, mijn mouwen in. Ik schud het geïrriteerd los terwijl ik struikelend overeind kom.
‘Hallo?’
Iets daalt neer, iets drukkends, en het is geen tweede sneeuwbui. De lucht voelt zwaarder. Ik had niet moeten antwoorden – nooit antwoorden, vertelt iets me, al weet ik niet wat of wie, ik voel dat diegene gelijk heeft, nooit antwoorden.
Ondanks de kou heb ik het bloedheet, ik zou mijn trui wel willen uittrekken maar ik las ooit dat dat het begin van het eind is, dat ze vaak doodgevroren mensen poedelnaakt terug hebben gevonden.
In de verte verschijnt een paar koplampen. Ik weet dat ik naar rust en stilte op zoek was, maar toch voel ik me opgelucht; misschien is het mijn chauffeur wel, of toch mijn host die komt kijken of alles naar wens is. Bij het tuinhek wachten is waarschijnlijk de beste optie. Ik zet een paar stappen naar voren.
De hitte in mijn lijf keert in duizendvoud terug.
Geen koplampen. Ogen. Een paar bleke ogen staart me vanuit het duister aan.
‘Samantha,’ hoor ik nogmaals, en het klinkt verder weg maar de ogen komen dichterbij.
Zodra ik de eerste uitlijn van een hoekig lijf zie gris ik mijn camera van de grond en zet het op een lopen richting de deur. Nooit rennen, zegt diezelfde paniekerige stem vanbinnen, maar ik negeer het en sla de deur met een klap achter me dicht.
Met trillende handen pak ik mijn mobiel erbij en zoek het telefoonnummer van mijn host op, maar dan zie ik het knipperende vraagteken weer in de hoek van mijn scherm – geen bereik. Zelfs het noodnummer niet.
Godverdomme.
Ik gooi mijn telefoon op de vloer en controleer nogmaals de sloten van de voordeur.
‘Samantha.’

Ik blijf drie volle seconden naar de deur staren en geef er dan in een opwelling een trap tegen. Ik weet niet hóé wat daar buiten ook rondloopt mijn naam weet, maar iets in mij wil de deur openrukken met een keukenmes in mijn handen.
Met bonzend hart trek ik de gordijnen opzij en dwing mezelf nogmaals het duister in te staren. Daar staat het, duidelijk als de scherpste foto, maar wat het is weet ik niet. Lang, naakt en zo bleek dat hij nauwelijks tegen de sneeuw afsteekt, staat er een voorover gebogen iets op het tuinpad, iets wat recht in mijn ogen kijkt. Ik verstijf.
Het wezen blijft bij het hek staan. Ik kan in het flauwe licht vanuit mijn hut geen duidelijk gezicht ontwaren. Dan begint hij plots mijn richting in te lopen, vloeibaar stappend, bijna zwevend, alsof hij uit nevel bestaat. Hij laat geen voetafdrukken achter in de sneeuw. Hij rekt uit. Zijn benen groeien bij iedere stap net langer, zijn armen doen mee met wuivende vingers. Op een afstandje leek hij mijn lengte, maar intussen torent hij al bijna boven de dakgoot uit.
Mijn botten voelen plots lichter. Golven koortsachtige hitte spoelen onder mijn huid door en ik duik weg onder de vensterbank, druk mezelf tegen de muur aan. Gal brandt bitter in mijn keel omhoog. Ik durf niet te kijken of hij er nog is.
Dan hoor ik het. Een zacht tik-tik-tik.
In de spiegel aan de muur tegenover me zie ik mijn voorhoofd en daarboven het raam. Een paar benen staat doodstil voor mijn huis. Het is alsof iemand huid te strak rond een geraamte heeft getrokken en heeft vastgepind met ijzeren klemmen; de botten van het wezen steken uit als bergkammen.
Dan: een even magere witte hand die zich naar het glas toe beweegt. En vervolgens hetzelfde zachte tik-tik-tik.
Ik schud mijn hoofd en sla in een opwelling met mijn vuist tegen de houten muur achter me. De witte hand trekt zich vlug terug van de ruit en de benen doen een stap naar achteren. Even hoop ik dat dit genoeg was om het ding af te schrikken, maar dan zie ik dat hij zich vooroverbuigt.
In de spiegel zie ik hoe het gezicht van het wezen in mijn raam verschijnt. Bleek als de wereld in een cameraflits, met twee even witte ogen, zonder pupillen, als twee maanstenen in zijn oogkassen gelegd; zijn mond een brede, zwarte streep, alsof iemand met twee vishaken zijn mondhoeken van oor tot oor open heeft gehaald om een glimlach te forceren. Hij is… Fout. Vroeger, in de Victoriaanse tijd, nam men foto’s met dode familieleden, en die zaten opgezet in hun stoel, bloedeloos en uit proportie. Dat is hoe dit ding eruitziet. Zijn botten zijn het lichaam scheef aan het ontgroeien.
‘Samantha.’ Het klinkt nog verder weg dan eerst maar ik weet, ik vóél dat het wezen buiten tegen me praat.
Ik sla nogmaals tegen de muur. Het wezen trekt zich opnieuw even terug, maar duwt vervolgens toch weer zijn gezicht tegen het raam.
Ik ben in Amerika en toch is er in heel deze hut geen geweer te bekennen, niet eens een kleintje, niet eens een honkbalknuppel. Met de botte aardappelschilmesjes in de keukenla ga ik het niet redden. Maar het wezen lijkt schrikachtig.
Met een ruk kom ik overeind en draai me om, sla met twee platte handen tegen het raam en schreeuw. Mijn oren protesteren – ik negeer het, hou aan tot mijn keel pijn begint te doen. Dan val ik stil.
Haar lippen vormen de lettergrepen. Sa-man-tha
Even registreert mijn brein niet wat ik zie. Ik denk voor de spiegel te staan, want in de reflectie zie ik mezelf, met verwrongen mond en wilde, woedende ogen, handen tot klauwen krullend tegen het glas.
Maar dan dringt door wat er mis is: het zijn mijn ogen niet. Ze zijn glad, spierwit, en er is geen pupil te bekennen. Als de ik achter het raam haar mond opent, splijt haar hele gezicht mee.
Haar lippen vormen de lettergrepen. Sa-man-tha.
Ik laat me vallen, tijger over de vloer naar mijn polaroidcamera die nog op de deurmat ligt en richt hem met bevende handen op mezelf. De spiegel vertrouw ik niet meer.
De foto verschijnt tergend langzaam. Mijn gezicht, bleek en bang, mijn mond een uitgeveegde streep, half opengesperd en vreemd donker. In de verte echoot mijn naam als het slaan van een trommel, Sa-man-tha-sa-man-tha-sa-man-tha, en ik wapper met de polaroid hoewel ik weet dat dat niets uithaalt.
De foto lijkt op mij, dénk ik. Er is niemand die ik kan bellen om te vragen of het klopt. Niemand die het weet, zelfs mijn buren niet want die ontloop ik, zelfs mijn opdrachtgevers niet want ik doe alles over de mail. Ben ik dat? Is dat mijn vreemd scheve kaak, mijn uitstekende sleutelbeen?
Sa-man-tha-sa-man-tha-sa-man-tha
Het zingen klinkt verder weg. Dat betekent dat ze er ieder moment kunnen zijn, want dichtbij is ver weg en ver weg is dichtbij, ik voel het in mijn botten die mijn lijf willen ontgroeien.
Sa-man-tha-sa-man-tha-sa-man-tha
Mijn handen trillen zo hard dat ik de ontwikkelende polaroid nauwelijks meer kan zien. Maar daar, in de bleke vlek die mijn gezicht dan maar moet voorstellen, krijgen mijn ogen steeds scherper vorm. Wit als sneeuw. Blind leeg gestaar, in melk gedoopt.
Sa-man-tha-sa-man-tha- het begint als een vraag te klinken.
Ik buig me dieper over het glimmende papier en wens vurig dat mijn pupillen nog verschijnen.
Over de auteur
Aafke van Pelt (1998) is schrijver, dichter, theatermaker en beeldend kunstenaar. Haar werk verscheen onder andere bij Op Ruwe Planken, Kluger Hans, papieren helden, Hard//hoofd, het Shakespeare is Dead theaterfestival en Dichters in de Prinsentuin. Ze is zakelijk leider bij de eigenzinnige theaterstichting Underground Theatre en vaste schrijver bij shortreads.nl. In haar werk zoekt ze naar het uiterste van lichamelijkheid, het gruwelijke van het alledaagse en de monsterlijke mens; haar beeldende werk, daarentegen, is speels, camp en kleurrijk. In haar vrije tijd bezoekt ze graag oude begraafplaatsen.
Over de illustrator
Ilse Groot Nuelend (1998) vertelt verhalen in woord, audio en beeld. Ze verzamelt inspiratie uit haar omgeving en ervaringen, trekt deze uit elkaar en plaatst ze weer in nieuwe fictieve werelden. Zie Ilses Instagram.
Lees meer uit de categorie De Exorcist
Les œufs macabres de Synthetic_Pink
Door Martien BosBody Horror, Weirdcore et Surrealisme de Synthetic_Pink. Mais surtout des oeufs, beaucoup des oeufs.