Voetstuk
Door: Sandrijn Swarts
Beeld: Finn van Cappelle
9 mei 2026
Zoë was al acht minuten te laat. Tom peuterde het bovenste knoopje van zijn overhemd los, trok de boord van zijn T-shirt lager.
‘Alles in orde?’ vroeg de receptioniste achter de balie. Ze frunnikte een dropje uit een rol, stak het in haar mond.
Hij wapperde haar bemoeienis weg, ja, ja, ging rechterop staan. Negen over één.
‘Zal ik haar bellen?’ Er kleefde een zwart puntje aan haar hoektand.
Wat je kunt doen is de batterij uit die verdomde klok halen, dacht hij.
***
Een half jaar geleden was Zoë in dienst getreden. Ze kwam uit de advocatuur. Dat was uitzonderlijk voor hun juridisch adviesbureau, de meeste medewerkers hadden maximaal een hbo-diploma. De directeur begreep net als hij dat haar komst speciaal was en organiseerde een welkomstbijeenkomst. Op haar eerste dag stuurde hij iedereen een mailtje dat ze om elf uur verwacht werden in de vergaderzaal op de tweede verdieping. Zijn vrouwelijke collega’s zaten achterin op de lange tafel, met hun armen over elkaar, zij hadden zo’n officiële introductie niet gekregen, hun voeten bungelden boven de grond, in die platte veterloze schoenen die hem altijd deden denken aan gymlessen op de basisschool. Zoë stond voor het whiteboard, zij droeg zwarte laarsjes met een rits aan de zijkant, onder een donkere spijkerbroek die rafelde aan de rand van de pijpen. Op haar hakken was ze net zo lang als de directeur die naast haar over de ontstaansgeschiedenis van het bedrijf vertelde. Ze had een van de mouwen van haar trui opgestroopt, rolde een armband langs haar pols en zocht oogcontact met de vrouwen op de achterste rij. Zelf leunde hij tegen de glazen zijmuur, rond hem hingen de restanten van een brainstormsessie van het marketingteam, roze post-its met kreten waar niets mee gedaan zou worden. Hij luisterde nog even, draaide zich om en liep naar zijn kamer. Als hoofd ICT had hij net als de directeur zijn eigen kantoor. Zoë zou vanzelf bij hem komen, voor haar wachtwoord van de beveiligde omgeving. Voor die tijd zette hij een stoel voor haar klaar en verlaagde het lettertype op zijn computer naar tachtig procent.
De advocate, zei hij toen ze binnenstapte. ‘Niet meer,’ zei ze. ‘Juridisch medewerker.’ Hij wuifde haar woorden weg en begon zijn vaste riedel over de verschillende platforms waarmee ze werkten en hoe ze op ieder systeem kon inloggen. Naast zijn toetsenbord lag haar notitieboekje. Veel van wat hij uitlegde schreef ze op. Soms verkeerd, daar zei hij niets van, hij wilde niet dat ze zou krassen door de antwoorden die ze zo ijverig achter haar sterretjes opsomde.
‘Tijd voor pauze,’ zei hij rond één uur.
‘Wat is hier de gewoonte?’ Ze sloeg haar schrift dicht.
‘De meesten eten in de kantine.’
Ze stond op.
‘Zelf loop ik graag een stuk over de heide.’ Hij pakte zijn lunchtrommel uit de tas onder zijn tafel. ‘Ga je mee?’
Ze liepen naar beneden, voorbij de kantine, waar de geur van uiensoep hing. Hun collega’s zaten aan de ronde tafels met dampende kommen voor zich, opengesneden pistoletjes, kuipjes boter en bordjes met plakken ham en kaas; keuvelend over stompzinnige realityseries. Zoals altijd. Zoë bleef voor de ingang staan. Ronald van financiën riep haar en gebaarde naar de lege stoel naast hem. Met haar hand om de band van haar tas keek ze van Ronald naar hem.
‘Kom,’ zei hij. ‘We verspillen tijd.’
Ze volgde hem de gang door. De receptioniste was aan het bellen. Achter haar hing dat lelijke, abstracte schilderij, hij maakte er een grapje over. Zoë lachte terwijl ze door de draaideuren gingen. Binnen een paar minuten waren ze in het bos. Het had die ochtend geregend, de grond was vochtig, er hing een geur van aarde en paddenstoelen. ‘Lukt dat met je hakken op het zandpad?’
‘Ja.’ Ze blikte even omlaag. ‘Natuurlijk.’
Hij vertelde haar over de verschillende bomen, welke bladeren bij welke soorten hoorden, de gelobde rand van de zomereik, de puntvorm van de berk. Af en toe tikte ze iets uit balans met haar schouder tegen de zijne en rook hij een vleug van haar parfum. Hij raapte zijn favoriete blad van de grond, dat van de esdoorn, en vroeg haar of ze het herkende. ‘Denk aan de kleuren rood en wit.’ Hij gaf het haar.
‘Ik heb geen idee.’
‘De vlag van Canada.’
‘Ach, ja. Nu zie ik het.’ Ze liet het blaadje los, het dwarrelde neer.
Ze stopten bij zijn vaste bankje aan de rand van de zandvlakte. Hij haalde zijn mouw over het natte hout en gebaarde dat ze plaats kon nemen. Hij ging naast haar zitten en begon aan zijn broodje kaas. ‘Dus,’ zei hij na zijn eerste hap. ‘De advocatuur.’
Ze viste een zakje uit haar tas, met botervegen aan de binnenkant van het plastic. Het verbaasde hem, hij vond haar meer een saladevrouw.
‘Wat was je interessantste zaak?’
‘Weet ik niet. Lastig kiezen.’ Ze frunnikte aan het knoopje.
‘Heb je vaak in de rechtbank gestaan?’
‘Het was vooral lezen en brieven schrijven.’
‘En had je dan zo’n pakje aan?’ Hij gebaarde onder zijn kin.
‘Een toga,’ zei ze.
‘Heb je die nog?’
Ze trok een sprietje rucola tussen haar boterham uit en stak het in haar mond. ‘Ergens op zolder.’
***
Rond zevenen was hij thuis. Hij hing zijn jas op in de gang en deed zijn schoenen uit. Hij liep de keuken in, het linoleum voelde koud onder zijn linkerhak. Een gat, constateerde hij op één been. Hij gooide de sok weg en viste boven een schone uit de wasgoedhoop op zijn bed, een klusje voor later. Op één zwarte en één grijze maakte hij een diepvriesmaaltijd van Iglo klaar, pasta met roomsaus en champignons. Hij kieperde de bevroren hompjes in de hete pan, de damp vloog op. Met een mes wroette hij de klonten in kleinere stukken. Tussendoor zette hij de televisie aan, op National Geographic, er was een documentaire bezig over diepzeedieren. Even bleef hij staan kijken, het mes in zijn hand. David Attenborough vertelde over de dombo-octopus. Prachtig, zei hij hardop bij het zien van de beelden van de onderwatercamera.
Binnen vijf minuten had hij zijn eten op. Tijdens de reclame ruimde hij de vaatwasser in, zijn afwasblokjes bleken op, hij kneep citroenafwasmiddel in het bakje, het geel droop langs de randen toen hij het klepje dichtdrukte. Hij zette koffie en terwijl die pruttelde, streek hij langs zijn gulp, hij keek om zich heen en zakte in de hoek van zijn bank. Hij wreef over het koele leer, volgde de naad. Zo ja, hij zag het voor zich, haar kleren daar, op het tapijt, naast de salontafel, op een hoop, haar zwarte laarsjes niet, die had ze van hem aan moeten houden. De zware stem van David Attenborough klonk weer, de koffie was doorgelopen. Hij knoopte zijn broek los.
***

Ze zouden elkaar vandaag om één uur beneden bij de receptie treffen. Daar was hij toch duidelijk over geweest, hij had het haar gezegd op het moment dat ze hun schoenen schoon stampten op de tegels voor de ingang en een tweede keer toen ze iets later met rode wangen achter haar pc zat, malend op het kauwgompje dat hij haar na hun boterhammen aangeboden had. Maar ze stond niet bij de balie. Hij keerde terug naar boven en vond haar aan haar bureau, haar vingers raasden over het toetsenbord. Naast haar lag haar tas klaar, met haar sjaal. Goed zo, dacht hij, ze had in het weerbericht gelezen dat het fris zou worden door de noordoostenwind.
‘Kom je?’ vroeg hij.
Ze schrok. Haar ogen flitsten naar het hoekje van haar beeldscherm. ‘Och, ja,’ zei ze. ‘De tijd vergeten.’ Ze typte door. ‘Oké. Klaar.’ Ze stond op. Voorovergebogen sloeg ze nog snel een paar bestanden op.
Iets later liepen ze over het mulle zandpad. Het was inderdaad koud, een harde zijwind blies haar haren naar één kant. Ze veegde de plukken van haar lippen.
‘Willen de anderen niet mee naar buiten?’ vroeg ze.
‘Geen idee,’ zei hij.
‘Heb je ze niet gevraagd?’
Hij pakte een esdoornblad op en hield het met opgetrokken wenkbrauwen voor haar op.
‘Ja,’ zei ze. ‘Dat vergeet ik niet meer.’
‘De vlag van?’
Ze reageerde niet.
‘Van Canada,’ zei hij zelf maar.
***
Voor de zekerheid zocht hij haar de dag erna alvast om half één bij haar werkplek op. Ronald stond met pen en papier naast haar. Natuurlijk. Het was woensdag. In zijn begintijd was Ronald midden in de week ook nog aan zijn bureau verschenen met die stompzinnige vraag of hij een kroket of een frikadel bij de lunch wilde.
‘Een rundvlees of een vegetarische?’ vroeg Ronald aan Zoë.
‘Gewoon met vlees,’ zei ze, en keek naar hem. ‘Blijkbaar is het frituurdag, Tom. Heb jij je voorkeur al doorgegeven?’
‘Tom houdt niet van frituur,’ zei Ronald. Hij klikte op het kopje van zijn pen en draaide zich om voor de volgende inventarisatie.
‘Eet je niet mee?’ vroeg Zoë.
‘Ik kom je ophalen voor onze wandeling.’
Zoë vergrendelde haar scherm en rolde haar stoel naar achteren. ‘Morgen weer?’
***
Voordat hij in zijn eentje naar buiten vertrok zocht hij in de gang Zoë’s jas op. Hij wreef zijn mouw langs haar kraag, zodat hij er thuis aan kon ruiken, aan dat restje parfum van haar, dat niet te zoet was, niet te kruidig. Hij wilde er niet aan denken hoe de frituurlucht in haar kleren zou trekken.
Zoë hield haar telefoon omhoog en nam het gefluit van vogels op. Ze had een app gedownload die haar vertelde welke soort ze hoorden. Haar vinger drukte tegen haar lippen. Hij zette zijn schoen op een eikel en probeerde hem open te kraken, de noot zakte weg in de aarde.
‘Een pimpelmees,’ las ze van haar scherm. ‘Die had ik al. Er zitten hier niet echt bijzondere soorten, hè?’
‘Zeker wel,’ zei hij. ‘Jaren geleden heb ik hier eens een lachvogel, een kookaburra, gehoord.’ Zonder dat op een app te hoeven controleren, dacht hij erbij.
Hij stelde voor om verder te lopen. Ze keek een laatste keer naar de takken boven zich en stopte haar mobiel in haar tas. Ze sloegen linksaf en passeerden een houten hek met aan weerszijden prikkeldraad. In de verte kon je tussen de bomen een landhuis zien liggen.
‘Mis je het niet?’ vroeg hij. ‘De advocatuur?’
Ze hield stil voor het bord met de tekst privéterrein – niet betreden. ‘Je zou daar toch wonen.’
‘Uitdagend is het niet, hè? Dat administratief juridische werk.’
‘Midden in de natuur.’
‘Het lijkt me onder je niveau.’
***
Op woensdagen en vrijdagen at Zoë met Ronald en de rest in de kantine. De andere dagen van de week bracht ze haar lunchpauze met hem door, de andere drie, onderstreepte hij voor zichzelf. Hij snapte dat ze zich als nieuweling niet buiten de groep wilde plaatsen. Zelf had hij daar geen moeite mee, Zoë was jonger dan hij en een vrouw, zij was gevoeliger voor sociale druk. Ook in de winter liepen ze door, in de regen onder de paraplu met het bedrijfslogo, in de sneeuw met hun kinnen in hun sjaal. Hoewel haar hielblessure soms opspeelde en ze liever binnenbleef. Begin januari had ze haar laarsjes ingeruild voor wandelschoenen. Die dag kwam hij haar ’s ochtends tegen op de parkeerplaats met een plastic tas van Decathlon. Ze haalde de kartonnen doos uit de zak, opende hem alsof het een schatkist was, vouwde het witte papier als fluweel opzij en daar verschenen ze, op hun kant, groot, bruingroen, en met dikke veters. Ze stonden haar niet, te lomp onder haar smalle, lange benen. Maar na een paar weken begon hij ze te waarderen, hoe ze in de gang onder de kapstok op hem wachtten, hij stelde zich voor hoe Zoë de schoenen voordat ze naar haar werk was gegaan uit de kast had gepakt, ze onzichtbare stofjes van de neuzen had geveegd en zich had verheugd op haar rondje met hem.
Op hun vaste bankje vertelde ze op een maandag dat ze nu ook in het weekend wandelingen maakte, lange van meer dan tien kilometer. Hij at zijn broodje terwijl de kou van het hout in zijn spijkerbroek trok en vroeg zich af met wie ze dat deed. Of misschien alleen. Beide ideeën vond hij niet prettig, een vrouw als Zoë zou niet in haar eentje in het bos moeten lopen. Ze toonde hem haar routes op haar telefoon. Haar wanten lagen als slappe handen op haar schoot. Ze swipete langs foto’s van Schotse Hooglanders en bevroren vennetjes. Hij luisterde niet echt, staarde naar haar rode vingers. Thuis, in zijn eentje op de bank, met National Geographic op de achtergrond, stelde hij zich voor dat ze zijn geslacht met die ijzige vingers zou omvatten, ze langzaam op en neer zou bewegen en moest giechelen, omdat haar toppen begonnen te tintelen.
In maart startte er een nieuwe medewerker. Ze had pas haar hbo-diploma behaald en had nog geen ervaring. Net als Zoë kreeg ze een welkomstbijeenkomst. Ze ontvingen eenzelfde mail van de directeur, de tekst leek geknipt en geplakt, alleen de naam was aangepast, om elf uur moesten ze verzamelen. Hij bleef achter zijn computer zitten.
Steeds vaker werkte hij met zijn kantoordeur op een kier. Hij keek toe hoe Zoë om stipt tien uur haar koffie dronk, hoe ze de koekkruimels die op haar benen vielen wegveegde, hoe ze haar haren telkens opnieuw in een knot bond als hij opzij was gezakt en hoe ze iets voor enen haar boterhammen klaarlegde op de hoek van haar bureau. Op vrijdagmiddag gooide hij zijn deur helemaal open zodat hij ook de vergaderruimte met glazen muren kon zien waar de juridisch medewerkers hun wekelijkse meeting hadden. Sinds kort mocht Zoë die leiden. Ze stond aan het hoofd en was weer even de advocate die in de rechtszaal aan het pleiten was.
Elf minuten over één. Zoë was er nog niet. De receptioniste bood hem een dropje aan. Hij bedankte en legde zijn hand tegen de tas die aan zijn schouder hing, zijn verjaardagscadeau voor Zoë drukte tegen zijn heup. Pas om kwart over één kwam ze de hoek om.
‘Sorry,’ zei ze. ‘Ik werd opgehouden. Ronald wilde me feliciteren.’
Zonder te reageren stapte hij de draaideur door.
Het was de eerste warme lentedag van het jaar, ruim twintig graden. De lucht rook mestig. Iets later dan gewoonlijk zaten ze op hun bankje, hij had voorgesteld het stuk over de open heide over te slaan, zo hadden ze iets van de verloren tijd ingehaald. Hij ritste zijn tas open en haalde de fles advocaat eruit. Een beetje flauw, maar Zoë zou zo’n grapje wel waarderen. Hij gaf haar het cadeau. Ze hield de drank met opgetrokken wenkbrauwen van zich af.
‘Advocaat,’ zei hij.
‘Ik zie het.’
‘Gefeliciteerd met je verjaardag.’
Ze legde de fles naast zich op het bankje.
In stilte aten ze hun brood. Achter hen floot een vogel. Zoë pakte haar telefoon er niet bij om de soort op te zoeken.
‘Een merel,’ zei hij, en begon aan zijn tweede boterham.
De wind stak op, de takken boven hen ritselden.
‘Ik sprak Ronald dus net,’ zei ze.
Hij kauwde door op dezelfde hap.
‘Ik vroeg of hij met ons mee wilde naar buiten.’ Ze streek een lok achter haar oor. ‘Dat leek hem leuk…’
Hij keek weg, staarde naar een esdoornblad op de grond, en bleef kauwen.
‘… alleen hij had zijn suède loafers aan. Morgen neemt hij zijn wandelschoenen mee. Ik heb gezegd dat hij om één uur bij de receptie moet zijn.’
Over de auteur
Sandrijn Swarts schrijft proza, het liefst over psychologische of existentiële thema’s. Zo gaan haar verhalen over eenzaamheid, eindigheid, persoonlijkheidsproblematiek, bestaansrecht, verstoorde relaties, obsessie, en heeft het intermenselijke altijd de hoofdrol. Nadat ze een paar jaar geleden een grote schrijfwedstrijd won begon ze aan een roman. Deze is ze nu aan het afronden. Ander werk van haar verscheen o.a. in Schrijven Magazine, Op Ruwe Planken en Papieren Helden.
Over de illustrator
Finn van Cappelle is illustrator en schrijver van illustratieve boekjes en zines. Hij vertelt graag verhalen over zorg, systemen en relaties tussen overheid en mens. Door zo dicht mogelijk in te zoomen op persoonlijke verhalen probeert hij complexe thema's vanuit de abstractie terug naar de aarde te trekken.
Lees meer uit de categorie kort verhaal
De atlas
Door Fien VeldmanVoordat wij er eindelijk iets aan deden, was Thomas Martin een vreselijke leerling. In september had hij een klasgenoot, Michel Autun, uitgedaagd de Schelde over te zwemmen in ruil voor een broodje kebab. De brandweer moest eraan te pas komen, het water was te koud en de stroming te sterk. Michel was onderkoeld. Thomas bekeek […]