Kort verhaal

Slagroomscheet

Door Marijn Sikken | beeld: Tim Schoonhoven
22 februari 2012

Omdat Slager Kot 50 is geworden en zijn winkel 25, is er feest. Door de hele kantine van de sportschool hangen slingers en ballonnen. Er is muziek van een dj. En omdat het hele dorp er is, kan het niet anders of Afke moet er ook zijn. Op haar wacht ik.
Iedereen draagt zijn beste spijkerbroek, haar kortste rokje, het leukste shirtje – ook Kot. Ik niet. Mijn pak is van azuurblauwe stof, een soort vilt, precies de juiste kleur. Er zit een rits aan de voorkant. Met dezelfde stof en reepjes ijzerdraad maakten Gaime en ik de kop, die ik af kan doen wanneer ik wil, en uit oranje karton knipten we twee eendenvoeten en een snavel – voorbeeld Donald Duck.
De staart bestaat uit twee lagen bruin karton met een ruitjesmotief erop getekend. Het ding zit met ductape aan mijn aars geplakt. Ik kocht een detectivehoed in een tweedehandszaak, die ik weer aan de kop bevestigde. Zo werd ik Perry het Vogelbekdier. Of Agent P. Uren zijn we er mee bezig geweest. Het is te warm, ik heb het hoofd al afgedaan.

Gaime had het makkelijker: een doktersjas, een bril en warrig bruin haar was het enige dat hij nodig had, van welke hij het laatste al in bezit had. Op een kwaadaardig Duits accent hoefde hij ook niet lang te oefenen. Maar Gaime is er niet. Gaime had een feestje, gisteren, en mist daardoor het feest van vandaag.
Dan zie ik Afke. Ze staat aan de andere kant van de zaal, haar goudrode haren omhoog in een knotje. Met mijn hoofd onder mijn arm geklemd loop ik op haar af. Om bij Afke te komen moet ik over de dansvloer – een slagveld van bewegende figuren, felle lichten en Katy Perry.
Men zou bij Kot, met zijn beroep en Hollandse uitstraling, misschien een wat meer Hazesachtige muzieksmaak verwachten. De Toppers, Fransje Bauer, dat werk, maar hij is gek op al het dansbare dat uit Amerika afkomstig is. Kot kneedt ballen gehakt op Lady Gaga.
Ik stoot stelletjes uit elkaar en bots tegen oud-klasgenootjes op die het me vergeven omdat ik net doe alsof ik dans of dronken ben, wat ik niet ben. Zij dragen allemaal gewone, feestelijke kleren. Niemand vraagt naar mijn pak.
Als ik bij Afke ben aangekomen zet ik mijn hoofd weer op. Ze is in gesprek met Bas, Sukkel-Bas, en die doet hardnekkig alsof ik niet besta. Ik buig een stukje naar Afke toe, de bordkartonnen snavel raakt bijna haar oor. Ik adem diep in en ruik de zoete appelgeur die altijd in haar haren hangt. Dan zeg ik heel hard: ‘HALLO AFKE.’

Ze schrikt er zo van dat ze een stukje omhoog springt. Daarmee raakt ze mijn snavel en die klapt om. Terwijl ik kermend het karton terugvouw, kijkt Afke me aan. Haar ogen zijn groot, de bekende rode vlekken vormen zich in haar nek. Bij een kloppend adertje is ze boos, weet ik.
‘Jos,’ zegt ze. Ze lacht niet. Maar er is ook geen kloppend adertje. ‘Wat heb je aan?’

 

Ik kijk naar mijn voeten met de bordkartonnen flippers, alsof ik nu pas zie dat die aan mijn schoenen geplakt zitten. Dan haal ik mijn schouders op en draai ik, wapperend met mijn armen, een rondje. Als het kon, zou ik kwispelen met de staart.
Ze móet het herkennen. Zij was degene die Phineas and Ferb geweldig vond en altijd Perry’s geluidje nadeed als hij in beeld kwam. Perry’s geluidje zag er op tv uit alsof hij zijn lippen losjes op elkaar hield en er dan lucht doorheen blies. Trillend, zou het dan moeten klinken maar het klonk eerder alsof hij bellen blies in een glas limonade. Met een rietje.

‘Ik ben Perry,’ zeg ik. ‘Het vogelbekdier.’
Afke knikt. ‘Agent P. Ik zie het.’

Dus toch. Nu hangt Bas over haar schouder zoals ik zo-even heb gedaan, maar dan zonder snavel bij haar oor. En Bas draagt geen Perry-het-vogelbekdier-pak, maar gewoon zijn zwarte Levi’s met een witte blouse. Hij heeft zijn mond open alsof hij iets wil zeggen. Ik ben hem voor: ‘Het idee was dus dat Gaime als professor Doofenshmirtz zou gaan.’
Afke frummelt aan de onderkant van haar shirtje. Bordeauxrood, v-hals.

‘Je weet wel, zeg ik. ‘Die van Doofenshmirtz Duistere Plan Producties.’
‘Ik weet het.’ Nog steeds kijkt ze me niet aan.
‘Nou, die dus.’ Meteen heb ik spijt dat ik over Gaime ben begonnen. Nu is het van Gaime en mij en valt het buiten haar – dit, dit pak en dit statement. Nu gaat het niet meer over Afke. En dat was juist de bedoeling.
‘Waar is Gaime eigenlijk?’ vraagt Bas.
‘Die ligt oesters te kotsen.’

Even lacht ze, een beetje maar, alleen haar linkermondhoek trekt wat op. Ik weet dat ze nu voor zich ziet hoe Gaime zich aan de oesters-met-wodka vergrijpt op een van de vele kakkineuze party’s die zijn nieuwe hockeyvrienden geven. Gaime kan niet tegen wodka en iedereen weet het behalve Gaime zelf. En Sukkel-Bas natuurlijk, die wordt aangesproken door Wenneke, Kot’s vrouw, en zich noodgedwongen van ons gesprek losmaakt.
Afkes lach verdwijnt snel. Alsof ze niet mag lachen om iets van vroeger, om iets dat van ons was, zoals ze ook het vogelbekdierpak niet als Perry mag herkennen. Ik ben duidelijk een pijnlijke herinnering aan het verleden en hoe meer details ik nu vertel (zoals: weet je nog die keer dat ik met slagroom een hart op je rug had gespoten en dat de punt ervan bij je bilspleet eindigde en je, toen ik eenmaal met mijn tong bij die punt was aangekomen, zo hard moest lachen dat je een slagroomscheet in mijn gezicht liet?) des te minder zij kan ontkennen dat ze me kent. Dat wij wáár waren. Dus daar ga ik: ‘Weet je nog die keer dat ik een slagroomhart op je rug tekende en…’
Maar voor ik bij de scheet aangekomen ben zegt Afke al dat ik op moet houden. Het valt, temidden van het feest, stil. ‘Ik dacht dat je je zou gedragen. Dat het gewoon leuk zou worden,’ zegt ze. Een adertje klopt op haar slaap.

‘Leuk?’
‘Om je weer te zien, ja. Als vrienden.’
‘Je vraagt nogal veel van me.’
‘Niet echt.’

Nooit heb ik kunnen begrijpen hoe mensen, die elkaar eerst liefhadden en daarna niet meer, vrienden kunnen blijven. Ik vraag naar Bas. Ze zwijgt. Stiekem kijk ik naar de sproeten op haar borsten. Af en toe geeft de discoverlichting ze, vanaf het podium, een andere kleur. Groene sproeten. Paarse sproeten. Azuurblauwe sproeten.
Ooit wilde ik al die kleine stipjes met een pen met elkaar verbinden, zoals die tekenpuzzels van vroeger, maar ik heb het nooit durven vragen. De erectie die ik krijg is gelukkig niet in het vogelbekdierpak te zien.

‘Bas is erg…’ Afke pauzeert even, alsof ze zelf ook nog betwijfelt wat Bas dan zo erg is. ‘…aardig voor me.’
‘Oké,’ zeg ik.
‘Niet dat jij dat niet was.’
‘Nee.’
‘Ik bedoel – jij was ontzettend aardig voor me.’
‘Ja.’
‘Maar toch.’
‘Maar toch wat?’ vraag ik.

Waarschijnlijk gaat ze nu weer zeggen dat ze verrast wil worden, net als toen ze het uitmaakte. Dat ik niet spontaan genoeg was. Maar iemand die een vogelbekdierpak naar een dorpsfeest draagt lijkt me toch behoorlijk spontaan.
Afke kijkt de andere kant op en ik kijk met haar mee: één van de in de kantine opgehangen ‘Hoera, 50 jaar’-slinger hangt te laag, hij raakt bijna de langste aanwezigen.

‘Gewoon,’ zegt ze.
‘Oké.’ Misschien moet ik nog een keer over het slagroomhart beginnen.

Iemand slaat me hard op mijn rug. Ik draai me om. Het is Kot. In plaats van zijn slagerspak met winkellogo draagt hij nu een feestelijke blouse met meer kleuren dan mijn hersenen aan kunnen.

‘Kot, van harte!’ roep ik. Te hard.
‘Goed pak, jongen!’ roept hij terug. Zijn neus en wangen zijn rood. ‘Neem een bitterbal.’ Hij duwt een schaal bitterballen onder mijn neus en ik pak er twee. Op de schaal staat een glazen mosterdbakje, korrels bitterbal zijn erin blijven plakken.
‘Geen saus?’ vraagt Kot.
‘Geen saus,’ zeg ik en ik bedank hem. Afke lust geen mosterd. Kot loopt door.

Ik weet dat ze er niet meer zal staan als ik me omdraai. Ik draai me om. Ze is weg. In mijn eentje eet ik de bitterballen op, wat nogal lastig gaat met een kartonnen snavel als mond. Zonder saus smaken ze nergens naar.

In de herenwc’s gooi ik wat water in mijn gezicht. De bordkartonnen snavel is onherstelbaar gebroken, zweetplekken hebben zich in volmaakte cirkels onder mijn armen gevormd. Ik heb bitterbal over mijn pak gemorst. Voorzichtig probeer ik het uit te spoelen, maar het wordt alleen maar erger. Met een natte vlek op borsthoogte loop ik de wc uit. Ze staan te zoenen bij de buitendeur, Afke en Sukkel-Bas.
Het is me al vaker opgevallen dat hoe afwijkender je voorkomen is, des te minder je opvalt. Dus kan ik in mijn vogelbekdierpak alles maken. Ik ga via de bar naar de keuken; niemand die het ziet. Ik pak de kingsize fles ketchup uit de koelkast; niemand die me vraagt waar ik mee bezig ben, wat de bedoeling van het pak is. Ik passeer Wenneke met de fles en ze zegt: ‘Ha Jos!’ en ik zeg ‘Ha die Wenneke, van harte, hè?’ Ik salueer met de fles tegen mijn slaap. Zij knipoogt en loopt door.
Onderweg naar buiten klampt Sukkel-Bas zich aan me vast. ‘Je moet het opgeven, Jos.’ zegt hij. Hij is heel erg dronken. Ik niet.

‘Wat opgeven?’
‘Afke. Ze wil je niet meer. Het is over. Geloof me van man op man.’
‘Is het niet van man tot man?’
‘Weet ik veel.’ Sukkel-Bas fronst en ziet dan mijn fles ketchup. ‘Wat ga je met die fles doen? Waarom loop je in godsnaam in dat stomme pak? En waar is Gaime?’
‘Oesters met ketchup, Bas,’ zeg ik, hopelijk gedecideerd genoeg. ‘Daar begrijp jij helemaal niets van.’ Ik druk de punt van de fles tegen zijn borst. Een volmaakte rode stip blijft achter op de witte blouse. Bas lijkt het niet te merken.

Buiten staan rokers en ze kijken niet naar me. De muziek dreunt met geweld door de deuren van de sportschool heen. Black Eyed Peas: I gotta feeling. Stelletjes staan met de handen in elkaars broekzakken of onder shirtjes en truitjes. Gaime is er niet bij. Afke ook niet. Ik doe een laatste keer mijn hoofd af.
Weet je nog dat je zei dat je helemaal nooit iets had meegemaakt en dat je dat speet? Dat je je ten onrechte bevoorrecht voelde zo gelukkig te zijn en daardoor slechts in angst kon leven tot het moment waarop het zou gebeuren – dat je iets méé zou maken en dat die veilige bel van je kindertijd kapotgeprikt zou worden? Nu is dat moment aangebroken. Ik doe dat voor jou. Omdat je mijn vriendin was. Omdat je mijn vriendin niet meer bent. Omdat het niet gewerkt heeft vandaag, dit, dit pak, het slagroomhart niet spontaan genoeg voor je was – en alle keren dat we samen op bed tv keken, tekenfilmstemmetjes nadeden, lachten om Perry het Vogelbekdier ook niet.
Ik smeer Perry’s hoofd helemaal onder de ketchup en loop er dan mee naar het fietsenrek. Ze heeft nog steeds dezelfde roze bloemenfiets. Omdat ik niet zeker weet welke fiets van Bas is, laat ik aan beide kanten van de hare wat banden leeglopen. In mijn hoofd hoor ik Gaime zeggen dat ik dit niet moet doen, dat het smakeloos is. Maar ik heb een ander woord in gedachten.
Het hoofd van Perry leg ik op haar zadel. Zo zonder ogen, met gebroken snavel en een ingedeukte detectivehoed ziet het er leeg uit. Ketchup druipt vanaf het nekgat naar beneden over het zadel. Hier heb je spontaan, veel geluk ermee. Ik draai me om.
‘Hé,’ hoor ik achter me. ‘Daar loopt Perry het vogelbekdier!’

 

Over de auteur

Marijn Sikken (Utrecht, 1990) won in 2011 zowel de jury- als de publieksprijs bij Write Now! Haar korte verhalen verschenen o.a. in De Titaan, Passionate Platform, Kluger Hans, Tirade en De Optimist, waar ze inmiddels zelf redactielid van is. Sikken schreef columns voor onder meer Youth-R-Well.com, de online community voor jonge reumapatiënten, en schrijft voor Literair Nederland. Daarnaast was ze werkzaam in het Wilhelmina Kinderziekenhuis Utrecht, waar ze zich bezighield met patiëntparticipatie. Marijn Sikken draagt regelmatig voor op literaire podia. Probeer om te keren (Cossee, 2017) is haar debuutroman.

Lees meer van

Niet goed in ziek

Door Marijn Sikken

Het eerste wat hem opvalt, zijn haar haren: lang, bruin dat te veel naar rood neigt. Hij opent de passagiersdeur van de Opel en zegt: ‘Is het al zover?’       ‘Ik wen vast.’ Ze stapt in. In de spiegel herschikt ze de pruik. Als ze hem ziet kijken, probeert ze een glimlach. ‘Hoe vind je […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Kiespijn

Door Dorien Dijkhuis

‘Tanden hebben zorg nodig, meneer Jacobs,’ zei de tandarts. Ze inspecteerde met een spiegeltje aan een lange steel de binnenkant van zijn mond. ‘Net als bloemen in een vaas.’ Haar neus stak boven het mondkapje uit, het puntje bewoog wanneer ze sprak. ‘Die moet je schuin aansnijden zodat ze genoeg voeding kunnen opnemen.’    Haar […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper