Kort verhaal

Op de vlucht

Door Jasper van Buren | beeld: Renske van Enckevort
8 september 2015

Manises, het vliegveld van Valencia. Mijn landgenoten lezen De Telegraaf of kijken naar hun telefoon. De incheckbalie is nog dicht. Ik ga op de streep staan die je privacy waarborgt, wat direct tot gevolg heeft dat iedereen overeind komt en met zijn bagage begint te zeulen. Ik sta nu aan het hoofd van een file.
             De grondstewardess wenkt me. Het zijn weer lange, warme maanden geweest aan de kust van de vleermuizen en de sinaasappelbloesems. Haar lukt het wel om te glimlachen, mij, na mijn werkvakantie, nauwelijks. Ik geef in het Spaans antwoord op een Engelse vraag, een gebaar dat ze op prijs stelt. Die en die gate, dan boarden.
            In de taxfree winkel schaf ik twee gram saffraan aan, de gedroogde krokusstampers die een paella kleur en smaak geven, en een stukje zomertruffel. Verder koop ik El País, jamón ibérico de bellota (ham van loslopende varkens die alleen eikels eten) en turrón uit Alicante, harde noga met amandelen waar mijn vriendin een moord voor doet.
            Een omroeper zegt: vertraging. In een verlaten hoek van de terminal lees ik verder in De Eetclub van Saskia Noort, een onbedoelde maar solide analyse van het Hollanderschap. Het proza is ooit achtergelaten in het vakantieappartement van mijn ouders, dat snap ik, maar iemand heeft het ook ooit meegebracht. Alle vrouwelijke personages hebben een a in hun naam – Karen, Babette, Hanneke, Angela, Patricia – waardoor het honderd pagina’s duurde voordat ik überhaupt wist wie wie was. Er wordt bedremmeld gekeken, er wordt een ovenschotel bereid, er wordt gefietst met een vagina die zwaar op het zadel klopt.

Het begon zo goed. De chique jaren zestig-flat aan de boulevard. Het appartement op de zevende verdieping. De Middellandse zee die aan de horizon in een lichte boog van ooghoek naar ooghoek loopt. Het terras van tien bij drie, met tafel, stoel en lamp. Het koele marmer onder mijn voeten. De temperatuur die zelfs in het holst van de augustusnacht niet onder de dertig graden komt. Het zeebriesje.
            Daar zat ik dan, te werken aan mijn onsterfelijkheid, op de achtergrond het hypnotische geluid van de branding. Jack Kerouac schreef On The Road in drie weken, dus ik moest toch ook een heel eind kunnen komen in twee. Ik bracht een stortvloed aan tekst voort. Ik at niet en sliep weinig. Een paar etmalen later herlas ik de eerste vijftig pagina’s van mijn debuutroman. Maar er klopte iets niet. Het werkte niet.
             Ik ging naar het strand, nam een duik in het warme water en dobberde wat terwijl ik met mijn handen door het zand op de bodem woelde, op zoek naar tellinas, de schelpdiertjes die rauw minstens zo lekker zijn als met knoflook en olijfolie. Het idee was geweest om te kijken hoe onaangenaam een hoofdpersoon kan worden zonder dat de lezer afhaakt. En nu was ik, de schrijver zelf nota bene, afgehaakt voordat het boek goed en wel op gang was gekomen. De ik-persoon bleek te zijn wat ik stiekem al wist. Schijnheilig. Horkerig. Arrogant.
             Ik moest ‘m sympathieker zien te maken.

Als ik bij de gate kom, is de wachtruimte al leeg. Aan het einde van de slurf vouw ik de voorkant van De Eetclub tegen de achterflap aan. Ik word verwelkomd door twee mannen in groenwit gestreepte poloshirts. De een is gezet; hij begroet me met minzame belangstelling. De ander is spichtig; zijn rechterhand houdt de linker op borsthoogte vast.
            Ik haal diep adem.
            Daar heb je ze.
            Rij na rij na rij.
            Absurd grote hoofden, kilo’s gel waarmee kapsels in het gareel worden gehouden. Gekleurde brilmonturen. Stupide blijdschap als façade voor afgunst en berekening. Het overgewicht van de welvaart. Ze worden raar bruin, Hollanders, na het rood volgt een koperzweem, het lijkt of ze worden verlicht door een weerspiegeling.

Opdevlucht-illustratie3 (2)

           Bij de vleugel zijn er geen drie maar twee stoelen. Ik ga aan het gangpad zitten en probeer me weer te verdiepen in het verhaal. Dit lukt niet door het gesprek tussen de vrouw aan de andere kant van het gangpad en de man achter me. Hij: halflang geblondeerd haar, grote zonnebril en een lach die op de hik lijkt. Zij: lodderige ogen waaruit een angstig soort nieuwsgierigheid spreekt.
            ‘Ah!’ zegt ze, ‘daar heb je Hennie!’
            Drie links, drie rechts, iedereen krijgt een schouderklop, begeleid door een vriendschappelijk woord en een giller van een grap. Hennie is het type dat zijn kaalheid camoufleert met een geschoren schedel. Hij heeft de uitdrukking van iemand die regelmatig avonturen beleeft, maar ze niet kan duiden.
             ‘Doorlopen,’ zeg ik zachtjes.
              Hij doet het. Om na een paar minuten te ontdekken dat de stoel naast mij inderdaad de zijne is. Ik hijs mezelf omhoog zodat hij erlangs kan. Hij ploft neer en roept: ‘Zo, ik zit!
              Om ons heen klinkt gelach.
              ‘Nou,’ zegt de vrouw, ‘die gaat dat boek echt niet uitlezen!’
              Mijn bilspieren spannen zich aan. Ik heb geen oogcontact met Hennie gemaakt. Hopelijk zal hij niks tegen me zeggen. En ja hoor, hij gaat omgedraaid op zijn knieën op de stoel zitten en richt zich tot de man met de zonnebril: ‘Gezellie was het. Of niet dan?
              ‘Dat kun je wel zeggen, Hendrik.
              ‘Hé Marion!’ roept Hennie door het vliegtuig. ‘Moet ge nog een banaan?’
               Het lachen golft door de cabine, totdat steward 1 naast ons komt staan en het bekende stuk mime opvoert. Hij doet dat niet alleen verveeld, maar ook snel, want we moeten de vertraging goed zien te maken. Halverwege de safety instructions zegt Hennie: ‘Zal ik deze deur ’s effe opentrekken?
               ‘Eerste waarschuwing,’ zegt steward 1. ‘U zit nu op level two. Bij level three laat ik u verwijderen. Ik houd van een geintje. Alleen niet tijdens de safety procedure.
                Heeft Hennie het goed gehoord? Is hij echt zo toegesproken? Ten overstaan van de mensen die hem net nog een heldenontvangst hebben gegeven?
                Intussen mimet steward 1 door, ondersteund door steward 2 over de intercom. Aan het einde van de instructie volgt de mededeling: ‘Wilt u iemand verschonen? Doet u dat dan in het achterste toilet.’
                Hennie herstelt zich: ‘Hé Marion, zal ik alvast klaar gaan liggen?’
                ‘…en,’ gaat steward 2 verder, ‘we komen straks bij u langs met de kar met spulletjes. Koptelefoontjes voor de film. Allerlei lectuur zoals de Story, waarin u kunt lezen… even kijken… dat Martijn en Amanda Krabbé in de clinch liggen en dat Dries Roelvink slapeloze nachten heeft van zijn zoon Dave. De arme man.’
                We scheuren de startbaan op en kiezen in één beweging het luchtruim. Als mijn ergste doofheid weg is, hoor ik Hennie snurken. Het glanzende hoofd voorover, kin op de borst. Ik stel me voor dat zijn nek onder het gewicht bezwijkt. Het geluid dat je hoort als je de twee botten in een kippenpoot tegen de richting in buigt. De genadeklap voor al die humor.
                 Na de koptelefoontjes, de tijdschriften en de aftershave komt het duo met de drankjes langs. Ze verkopen me een cola. Kwijl loopt uit Hennies mond, op zijn roze overhemd zit een donkere plek. Steward 2 port hem zachtjes wakker.
                ‘Wilt u een slabbetje?’
                 Hoewel ik geen afstand wil doen van mijn chagrijn, spuug ik de frisdrank bijna uit. Hennie veegt de slijmdraad van zijn kin en grinnikt voorzichtig mee. Hij koopt een blik ijsthee, drinkt het in één teug leeg, boert en gaat opnieuw omgedraaid op zijn knieën zitten.
                 ‘Hé Marion,’ roept hij, ‘heb je eigenlijk wel ingecheckt?’
                 ‘Maar Hennie,’ klinkt een stem, ‘je weet toch dat ik ál-tijd incheck?’
                  Wie is toch Marion? Wat is dit voor groep? Swingers op stedentrip? Omgekochte ambtenaren? Een korfbalteam? Inmiddels weet ik dat ik over deze vlucht moet schrijven. Maar dat betekent ook dat ik een gesprek met Hennie dien te beginnen. Onderzoek is vereist.
                  Mijn kans komt als hij het Transavia-magazine uit heeft. ‘Wilt u dit blad nog inzien?’
                  ‘Je hoeft geen u tegen me te zeggen, hoor,’ zeg ik. Kennelijk is mijn optreden effectief geweest; ik boezem ontzag in bij een man die een jaar of tien ouder is dan ik. ‘En nee, dank je. Hebben jullie het lekker gehad?’
                   Ik zie hem denken: hij zit al twee uur naast me met een gezicht als een oorwurm en nu wil hij een praatje maken?
                   ‘Absoluut,’ zegt hij.
                   ‘Ja?’
                   ‘Vreselijk gelachen.’
                   ‘Dat geloof ik graag. Zijn jullie met z’n allen op stap geweest? Gezellie?’ Mijn wijsvinger beschrijft een liggend rondje.
                   ‘Eh, ja. Marion is onlangs vijftig geworden. Ze wilde het met al haar vrienden vieren in Spanje. Alles tot in de puntjes verzorgd. En betaald. Wat een topwijf, die Marion. Maar goed, veel geslapen hebben we uiteraard niet. Je ligt dan toch een week lang cava te slobberen in een zwembad…’
                    Vertel mij wat, denk ik, en terwijl Hennie doorbabbelt, dwaal ik weer af naar mijn meesterwerk.

Net als de hoofdpersoon deugde de methode niet. Gewoon ergens beginnen met schrijven was bij nader inzien niks voor mij. Het verhaal had geen richting. Ik besloot elk hoofdstuk, elke scène tot in het kleinste detail uit te denken alvorens de pen weer ter hand te nemen. Dat moest ik eerst maar eens doen. Denken.
                 Ik werd, kortom, dronken.
                 De tijd verstreek traag, daar op de zevende verdieping. Ik sms’te mijn vriendin dat ik haar miste. Dat ik alleen nog maar een gesprekje met de zwakbegaafde conciërge had gevoerd.
                 Ze antwoordde: ‘Is je boek al af?’
                 Misschien moest ik me laten inspireren door de wereldliteratuur. Ik waagde me een middag aan De Idioot van Dostojevski, maar het voelde raar om daar alleen een zwembroek bij te dragen. Ik neusde door de achtergelaten boeken. Ik zocht lectuur, het liefst iets met kloppende vagina’s.
                 Een ijskoud blikje San Miguel erbij: zacht, bitterzoet en niet overdreven koolzuurhoudend bier.
                 Lekker chillen.
                 Niks meer aan doen.

Ik sluit mijn ogen, adem uit, probeer de spanning in mijn schouders kwijt te raken. Op mijn inademing zuig ik een zo groot mogelijke hoeveelheid vergevingsgezindheid naar binnen. Als ik mijn ogen open doe, wordt de landing ingezet.
               Om het veen te bereiken moeten we door kilometers bewolking. Het toestel rammelt alsof het bezeten is. Hetzelfde weer dat me veertien dagen geleden heeft uitgezwaaid, haalt me nu op. Hennie zegt tot drie keer toe hoe mooi hij het uitzicht vindt en ik knik, omdat hij gelijk heeft. Plukken nevel schieten voorbij, lichtflitsen, regenwater kruipt over het raam. Dan: Holland. De plassen en het gras, elke vierkante meter een bestemmingsplan. Eindelijk thuis.
               Na de landing gebiedt steward 2 ons over de intercom om te blijven zitten totdat de riemen vast-lampjes uit zijn. Wanneer we stoppen branden­ die lampjes nog, maar men koppelt zich los, want een Hollander bepaalt zelf wel wat mag en wat niet. Gerommel in de compartimenten met handbagage. Dan komt het vliegtuig met een schok weer in beweging. Veel landgenoten vallen om, maar er wordt niet gevloekt of geschreeuwd; nee, er wordt alleen even niet geginnegapt.
                We houden definitief halt, de lampjes doven en steward 2 zegt: ‘Nú mag u gaan staan.’
                Ik lach. Hennie schrikt.
                Net als altijd is het uitstappen koud. De slurf wordt gegeseld door de regen – het voelt geborgen. Wachtend op mijn rugzak lees ik verder. Er wordt iets geroepen. Na een tijdje besef ik dat de woorden voor mij bestemd zijn. Ze komen uit het glanzende hoofd van Hennie, die aan de andere kant van de bagageband staat.
                Ik doe of ik hem niet hoor.
                ‘Hé, meneer de intellectueel!’
                ‘Wat is er nou?’ roep ik.
                ‘Of je De Eetclub al uit hebt!’

 

Over de auteur

Behalve vader en aikidoka is Jasper van Buren freelance copywriter en liefhebber van Spanje. Hij publiceerde eerder korte verhalen in de literaire tijdschriften Lava en Passionate Magazine.

Over de illustrator

Renske van Enckevort is beeldend kunstenaar en schrijver. Ze woont en werkt in Amsterdam.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Moeder

Door Martijn van Koolwijk

Oké, kotsen dus. Terwijl buiten vuurwerk knalt, hang ik boven een van de drie toiletten in mijn studentenhuis. In tegenstelling tot mijn medestudenten hoef ik mijn toilet met niemand te delen. De zolderkamer heeft schuine plafonds en biedt plek aan één bewoner, die grotendeels bukkend door het leven moet gaan. Ook het toilet heeft een […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper