Interview Poëzie

Nieuwe gedichten van Willem Thies

Door Willem Thies | beeld: Luuk van Zon
10 augustus 2018

 

Geen verweer, klaag me aan

Soms wil ik mijn lichaam bedekken, uit teleurstelling
en schraalte, het lichaam is dan niet wat mij past maar wat mij
aankleeft, een stroeve laag die net niet sluit, scheef
gelegd, maar de verbindingsstof droogt al, zachtjes
tracht ik te herstellen, het vel te verschuiven, het scheurt –

 

Beschut

De afspraak is dat we elkaar niet duurzaam
schenden. In onze monden groeien nieuwe tanden,
als we slapen omklem ik je schouders,
zodat je niet oud wordt.

Slangen: opgerold in het gras, rond 

een tak gewonden
of bruin in dorre bladeren, aarde. Camouflage
is de bereidheid op te gaan in wat je inbedt,
een uitstulping te vormen van de ondergrond.
We ontkleden elkaar, je legt jezelf op mij.
Het is alsof je lichaam uit het mijne groeit.

 

Grond
                voor Idwer de la Parra

Dit gebed is een verwijt.
Ik woelde de grond om, mengde hem met lucht.
Steunde op de steel, amechtig.

Met korte felle slagen hakte ik stenen
tevoorschijn, groef ze uit. Alles zo hel
in de pornozon, de kop van de woerd bazuinde groen,

het kobalt van kruin en staart van de pimpelmees.
Boterbloemen, klaprozen. Alles naakt en vol van zichzelf.
Donker, waar was je toen ik je nodig had?

 

Terug

Met holle wangen zoog je rook uit de lucht,
een sigaret verlengde tussen je vingers

werd heel en hield op te gloeien aan de punt,
je las een bundel terug tot de openingszin,

de eerste hoofdletter, titelpagina, kaft. Scherven
voegden zich samen tot een glas in je hand,

de plas op de vloer verdampte terstond. Droogde
als op een withete ovenplaat. Je lichaam richtte

zich op, een droom in een droom, een vlinder
die in zijn cocon terug kroop. Je ogen stroomden

vol licht. Een valk keerde weer naar zijn kooi,
gelokt door een prooi, een met zand gevulde leren buidel

met vlees eraan. In je gedichten draaide je de dood een loer.

 

 

Illustratie Luuk van Zon

 

 

‘Het gaat meer om de lading dan om het expliciete geweld’
(Interview: Martien Bos)


Willem Thies (1973) debuteerde in 2006 met de bundel Toendra, waar hij de prestigieuze C. Buddingh’-prijs mee won voor het beste debuut van dat jaar. Twee jaar later verscheen Na de vlakte, waarmee Thies genomineerd werd voor de J.C. Bloemprijs. In 2012 kwam Twee vogels één kogel uit en in 2015 Meer mensen dan reddingsvesten. Zijn gedichten verschenen in literaire tijdschriften als Hollands Maandblad, De Tweede Ronde, Tirade en Nymph, en werden opgenomen in diverse bloemlezingen en poëziekalenders. We spreken elkaar vlak nadat hij de laatste hand gelegd heeft aan zijn vijfde bundel.

In het juryrapport van de C. Buddingh’-prijs werd gezegd dat het er in je poëzie ‘bar en onherbergzaam’ aan toe gaat (zoals de titel Toendra al suggereert) en op onze redactie vielen bij herinneringen aan je werk de adjectieven ‘kil’, ‘hard’ en ‘afstandelijk’. Kun je je vinden in dergelijke omschrijvingen?

Als dat ooit zo geweest is, dan is het nu heel anders: energiek, temperamentvol, krachtig en heftig, zelfs broeierig… In elk geval niet meer zo onderkoeld als bij m’n debuut. ‘Kil’ heeft iets stars en onbeweeglijks terwijl het bij mij tegenwoordig juist dynamisch is: als je atomen verwarmt, komen ze in beweging. Mijn poëzie is heel persoonlijk. Ik neem geen kunstmatige distantie in acht, wat je niet moet verwarren met openhartigheid, al schemerde er in mijn vierde bundel wel meer van mijn eigen leven in door. Ik dicht dus wel degelijk persoonlijk, maar niet echt autobiografisch. De stem, de toon, de energie, of noem het voor mijn part de vibe: die maakt het voor mij persoonlijk. Schrijven voelt voor mij ook als een fysieke exercitie, en daarom is het lichaam prominent aanwezig. Mijn laatste gedichten zijn heel intuïtief en niet zo weloverwogen ontstaan. Aanvankelijk dichtte ik misschien wel wat afstandelijk, maar na verloop van tijd gaat het steeds intuïtiever, stromend, vaak gutsend, en soms komt een gedicht in een woeste eruptie tot stand.

In vergelijking met voorgaande jaren laat ik me nu steeds vaker meevoeren door het moment. Ik noem het maar geen mystiek of goddelijke inblazing, maar toch: je voelt dat er iets broeit, je begint te schrijven en laat je meesleuren door de mui. Ik heb geen monolithisch thema zoals iemand die met een conceptbundel bezig is, ik baken niks van tevoren af. Maar of ik het nu wil of niet, op de een of andere manier speelt steeds het fysieke een grote rol: op het zinnelijke vlak en dat van de fragiliteit van het lichaam. Ik ontkom niet aan het beeld dat het ooit kan gaan haperen of zich zelfs tegen je keren.

Het ritueel is een begrip dat regelmatig terugkeert in je gedichten. Hierboven zien we bijvoorbeeld een soort vervellingspassage en een gebed. Heb je zelf een bepaald ritueel dat je voltrekt voor je kunt schrijven? En op welk tijdstip van de dag ben je als dichter het meest productief?

Het fijne is dat ik de afgelopen jaren heel schrijfzaam – om er maar eens een neologisme in te gooien – ben geweest. Ik stond continu ‘open’. Je associatief vermogen staat aan, overdag sijpelen de ideeën door, ze sprenkelen door je heen tot ze je doordrenken. Dat gebeurt dan in de vroegnachtelijke uren, wanneer het buiten aan de overkant stil is en een bijna existentieel gevoel je overvalt: het gevoel dat je de enige bent, op jezelf teruggeworpen, solistisch, solipsistisch misschien wel. Dan werkt het goed: als de lichten aan de overzijde gedoofd zijn en de stad duister is. Soms werkt dat late dichten ontwrichtend als ik de volgende ochtend vroeg op moet, want als ik een goed idee heb, in vorm ben, lever ik slaap in.
Schrijfrituelen heb ik volgens mij steeds minder nodig. Eerst rookte ik nog – tijdens het schrijven was het hét moment voor mij om extra veel te roken. En te drinken. Vanaf m’n tweede bundel nam ik me voor om nauwelijks meer te drinken. Dat resulteerde in een heldere manier van dichten. Tegenwoordig dicht ik juist heel intuïtief, een van de verschillende manieren, naast het nuttigen van drank, om los te komen van conventionele manieren van denken.

Dat ik regelmatig over rituelen schrijf, komt omdat een ritueel zelf bijna een gedicht is: het geeft vorm aan iets heel betekenisvols. Ik heb de afgelopen jaren behalve veel geschreven ook veel gelezen, waaronder veel werk van goede dichters, en ik zag daar een lijn in. Ik vind dat poëzie in het beste geval een groot bezwerend vermogen heeft. En dat is wat ik probeer te doen: bezweren. En dat is ook waar rituelen voor bestaan: of het nu schrijven is om iets af te wenden of om geluk af te dwingen. Het is een vorm die je jezelf oplegt. Het kruis dat je slaat voor je het veld op gaat, de kus op de crucifix aan je ketting, het drie keer stuiteren voor je opslaat.

Wat is voor jou je ideale lezer?

Lezen is een soort wederzijdse doordringing, of het doordrenken van de lezer – hoewel dat weer heel zwaar klinkt. Nee, ‘doordrenken’ is een armoedige metafoor, sorry. Hoe dan ook, op een dergelijke geconcentreerde manier lezen komt niet veel meer voor. Zonder cultuurpessimistisch te willen klinken, want ik ben geen tijdsgeestwanhoopsprofeet, mensen zijn misschien goed in multitasken, maar het lijkt ze steeds lastiger gemaakt te worden om in één ding echt op te gaan, zoals ik me nog kan verliezen in een liveconcert (ook gewoon op YouTube), van PJ Harvey bijvoorbeeld, Queens of the Stone Age, Pixies of Joy Division. En laatst heb ik heel monomaan naar Tricky geluisterd: of hij nu de slang of juist de slangenbezweerder is. Eén keer grondig luisteren is niet genoeg om die wereld in je toe te laten. Sommige recensenten raken afgestompt, die kunnen het niet meer opbrengen om een bundel zes, zeven keer te lezen en zo echt in een andere wereld terecht te komen. Mijn ideale lezer wil echt afdalen en niet te veel dingen tegelijk doen. Je mist namelijk echt iets als je je niet geconcentreerd durft open te stellen.

Heeft de dichter een taak? Ik citeer even wat. Een regel: ‘ik ga lichtgewapend en in zomeruniform’, een afdelingstitel: ‘Wapenstilstand’, titels van gedichten: ‘Protocol voor de overlevenden’, ‘Indringer’… Als ik je krijgskundig idioom lees, stel ik mezelf voor dat je een bepaalde missie voor ogen hebt.

Dreiging en geweld: het is iets heel primairs en existentieels, zéker in de natuur, het naakte bestaan, de overleving, waakzaamheid, vluchten, vechten, of zich aan het zicht onttrekken. Geweld is daarbij een gegeven, hoewel het me meer gaat om de lading dan om het expliciete geweld. Ik roep liever die spanning op. Als nachtportier bij Hotel De Filosoof ben ik ooit bedreigd met een pistool. Stel je voor: iemand houdt een pistool op je gericht en kijkt je door het venster van zijn bivakmuts indringend aan. Dat komt méér dan dichtbij: het is krankzinnig intiem – en ongewenst, uiteraard. Ik moest op de vloer liggen en daar blijven tot hij weg was. Hoe kun je zo’n ervaring zonder te onderkoelen of juist te dramatiseren als dichter nog vormgeven? Door heel exact een deel van het proces-verbaal te fixeren en reproduceren, net als een readymade zoals Vaandrager en Armando die maakten. Autobiografischer kan bijna niet.

Maar afgezien van het autobiografische element ervan, wat fascineert je zo in dreiging van geweld?

Het zet de dingen op scherp, het is primair, zintuiglijk, net als erotiek – die natuurlijk ook niet per se lieflijk is. In mijn poëzie ben ik op zoek naar intensiteit en intimiteit. Die twee begrippen zijn voor mij wezenlijk. Verdriet en rouw kunnen daar ook onder vallen.
Ik merk steeds meer hoe belangrijk het lichaam is en hoe belangrijk het is om daar tevreden mee te zijn, senang. Je lichaam kan jezelf in uitzonderlijke gevallen belagen tot je meer dan wanhopig en radeloos bent. De manier waarop een lichaam zich tegen zijn drager kan keren valt te vergelijken met een burgeroorlog. In het geval van Menno Wigman, een dierbare vriend, was zijn eigen lichaam ook onverbiddelijk en fataal. Ik had nooit verwacht dat hij zo jong zou sterven. Het is een gebeurtenis waar ik niet omheen kan, ik wil en moet daar iets over schrijven – ook al mislukken er veel gedichten. Of liever gezegd: gedichten vinden niet altijd hun vorm. Het ene gedicht is daar succesvol in en het andere niet – dat is dan strikt genomen nooit een gedicht geworden.

Wat zijn je toekomstplannen?

Ik ben nu net klaar met de laatste werkzaamheden aan mijn vijfde bundel. Na het paringsritueel heet die en hij zal in september verschijnen. Op dit moment zit ik tussen twee schrijfperiodes in en doe ik eigenlijk niet zo veel. Ik wil de energie van deze bundel – het gevoel dat dit een culminatie was – eerst laten wegebben voor ik me weer ga opladen.

Zaterdag 29 september treedt Willem Thies op tijdens de Nacht van de Poëzie.

Omslagbeeld van ‘Na het paringsritueel’ van Willem Thies

 

Over de auteur

Willem Thies (1973) was medeoprichter van het literaire punkrocktijdschrift Zeroxat. Sinds 2014 is hij redacteur van Poëziekrant. Thies debuteerde met de dichtbundel Toendra (2006), die is bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Hierop volgden Na de vlakte (2008), genomineerd voor de J.C. Bloemprijs, Twee vogels één kogel (2012) en Meer mensen dan reddingsvesten (2015). Medio september zal zijn vijfde bundel verschijnen: Na het paringsritueel.

Over de illustrator

Luuk van Zon (1990) heeft Illustration gestudeerd aan de HKU. Luuks stijl is heel divers. Hij houdt zowel van het maken van atmosferische beelden als van helderde redactionele illustraties of vormexperimenten. Meer informatie over Luuk van Zon is te vinden op zijn website.

Lees meer uit de categorie Interview Poëzie

Vers in de etalage

Door Anne Broeksma

Nachtgeslacht je bent zeker te snel opgegroeid in een huis waar altijd de verwarming loeide met ruimte voor het huilen om de dingen maar nooit stil, om te horen of het zondag was er werd van je gehouden in tafels colakringen, snoeppapier en preken en het was allemaal oprecht, dat moet je weten men dacht […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper