Kort verhaal

Olek

Door Saskia Waterman | beeld: Mary Slumber
13 oktober 2013


Centraal Station.

Ik vraag me af wat er in godsnaam aan de hand is met de klok boven de stationshal. De grote wijzer draait wild in het rond, in vlagen. Nu eens de ene kant op, dan weer de andere.
Dan besef ik dat ik naar een windwijzer sta te kijken.
Mijn vrouw had me gebeld. Ik was bezig het dak van een serre open te snijden. Ze vroeg me, had ik ooit van een zekere vrouwennaam gehoord. Ik dacht van niet, zei ik, nee. Ze zei, Olek, denk wat verder terug, een jaar of twaalf.
Toen woonde ik in Amsterdam, met een kunsthistorica. Nee, zei ik opnieuw, absoluut niet. Godzijdank, was het antwoord. Ze begon te huilen.
Er was een brief voor me. Het ging over alimentatie. De moeder had een sjieke dubbele achternaam. Niet moeilijk te vinden, zelfs niet in Amsterdam.
Ik belde terug dat het wat later zou worden vanavond.
Ik weet nog hoe de trams rijden hier.
Lijn zeventien.

De Dam.
Nog een half uur, schat ik. Het wordt al donker.
Ik moet blijven staan in het harmonicadeel tussen de twee coupés. Als de tram een bocht naar links maakt, komt m’n jas klem te zitten tussen de samengedrukte plooien. Bij iedere bocht naar rechts wijken ze weer uiteen en zak ik weg in de zachte buitenwand.
De kinderen hielden me in de gaten terwijl ik hun serre afbrak. Ze bonkten en fluisterden achter de schuifdeuren. Als ik me omdraaide, stonden de deuren soms open en keek ik in twee paar stuurse ogen. Ik zei niets, probeerde te glimlachen en schoof de deuren weer dicht.
De moeder was onrustig, de vader laconiek. Het was voor hen veel werk geweest om de wasmachine, het speelgoed en alle meubelse uit de serre te verwijderen. Nu zat het er voorlopig op. Zodra ik klaar was met mijn slijptol, moker en aanhangwagen kon het wachten op de nieuwe aanbouw beginnen. Voorzien van alle moderne gemakken, vloerverwarming en alles.
Ik was begonnen bij de inbouwkast aan de zijkant. Een simpel houten wandje om eruit te tikken. Er kwam een paneel achter tevoorschijn, bedekt met schoolbordverf en nog een paar vage krijtkrabbels in schoonschrift. Achter mijn rug probeerden de kinderen het zachtjes te ontcijferen. Ik trok de spijkers eruit.
Hun moeder snauwde iets over de kou die het huis introk.

Westermarkt.
Remzand knarst tussen de wielen. Ik knijp m’n ogen toe en open ze langzaam weer.
Er komen een paar stoelen vrij, maar ik zie ook een vrouw met een blond jongetje instappen. Ik blijf nog even staan.
Het kind draait onrustig in zijn stoel. De vrouw klemt de stof van zijn jas stevig tussen haar vingers, maar ze kijkt afwezig uit het raam.
‘Mama, mijn geduld is op. Mijn geduld is helemaal op.’
Zijn moeder draait zich niet naar hem toe. ‘Dat is niet zo mooi lieverd. Wat gaat er nu gebeuren dan?
‘Als mijn geduld op is, dan… ontplof ik. Boem.’
‘Doe maar niet. Denk maar aan de frietjes die je straks krijgt.’
Het joch is maar even afgeleid door het idee. ‘Maar dan raakt mijn geduld wéér op…’
Mijn vrouw zal het leuk vinden om dit te horen, straks. Als ik weer thuis ben. Of ze zal me misschien niet geloven. Dat een kind zo praat en denkt. Dat ik het verzonnen heb. Maakt niet uit. We hebben het dan in ieder geval over iets anders dan pijnstillers.
De serre was opgebouwd uit panelen enkel glas in zware ijzeren kozijnen. Hij nam de helft van de achtertuin in beslag. Het liep tegen lunchtijd, maar er lag nog steeds een dunne nevel over het gras. Geen al te best gazon. De ouders hadden er geen probleem mee dat ik de losgesneden delen er voorlopig even op neerzette, leunend tegen een scheefgezakte schutting. Ik liep de modder weer uit over hun laminaat.
Op een gegeven moment sloeg de vader een sjaal om en trok hij een paar tuinhandschoenen aan. De rest van de middag zetten we de ramen met z’n tweeën in het gras, zwijgend. Misschien had hij me horen hoesten. Of gezien dat ik na ieder paneel zelf even een paar minuten tegen de schutting leunde.
Moeder wurmde zich tussen haar kinderen door met een grote schaal pepernoten. Onze blikken kruisten elkaar toen ze hem op de vloer neerzette, naast mijn gereedschapskist. Ze sloeg haar armen om zich heen, ademde een wolkje uit en knikte naar de schaal. Daarna heb ik haar niet meer gezien.

'Olek' - illustratie door Maaike Verwijs

Elandsgracht.
Ik kan me geen vrouw herinneren, twaalf jaar geleden. Eerlijk niet. Alleen de kunsthistorica die met middeleeuwse heiligenbeelden bezig was.
Waar zou ze in godsnaam vandaan moeten komen?
De kunsthistorica had me ooit meegenomen naar een tent op de Overtoom. Ze zei dat dit vroeger de filmacademie was. Dat wilde ik best geloven: het stikte er van de mislukte regisseurs-types die over verschraalde bankstellen hingen. Aan de bar schonken ze antikapitalistische krakerscola.
Toen ik terugkwam van de WC stond er zo’n jongen met zo’n glas cola naast haar. Ik keek toe van een afstandje. Hij riep iets in haar oor. Ze deed haar best om hem te negeren.
Ik kocht een shot wodka en bood hem dat aan. Hij weigerde. Ik grijnsde en gaf hem een schouderklop. Het duurde even voor hij me doorhad, maar het deed me goed toen ik de irritatie bij hem zag opkomen. Lekker puberaal.
Hij droop af. Ik was teleurgesteld dat hij me niet opwachtte buiten. Dat zou ik op zijn leeftijd wel hebben gedaan. Iemand die verhaal komt halen. Het was al zo lang geleden dat ik me dat had laten overkomen.
Dat mis ik soms nog het meeste. Om je lijf op die manier te gebruiken. Zoals je dan ademhaalt. Hoe het zoemt in je hoofd. Alle kleuren die een bloeduitstorting doorloopt.
Ik weet nog dat we terug moesten lopen, omdat we geen geld hadden voor een taxi en de kunsthistorica durfde de nachtbus niet in. Het kostte ons minstens drie kwartier.
We pauzeerden even, op een bankje dat vastgeklonken stond aan de pui van een wasserette. De zaak was verlaten en onverdraaglijk fel verlicht.
Na alle drank en muziek wilde ze praten over heiligenbeelden. Haar kindjes. Over hoe mooi hun plooien en krullen in het hout waren gevangen. Over hoe jammer het was dat hun beschildering soms was afgeschrobd. Niet meer authentiek.
Ik vond dat ze er dan juist natuurlijker uitzagen. Eerlijk materiaal.
Precies, dat dachten ze in sommige kerken dus honderd jaar geleden ook. Dat was juist het probleem.
Ze ging verder. Over hoeveel emotie er in zat. En hoeveel emotie ze in de loop der eeuwen moeten hebben opgezogen, wanneer ze werden toegesproken of aangeraakt. Stel je voor wat een willekeurig Mariabeeld allemaal gadeslaat. Zelfs eentje van plastic, uit de fabriek, ergens in Mexico, of Polen.
Ik zei niets. Het laatste waar een Mariabeeld me aan doet denken, zijn een moeder en haar kind.

Ten Katestraat.
Eindelijk een stoel. Godverdomme. Mijn longen zetten weer een hoestaanval in. Het is alsof ik van binnen langzaam in hout verander.
Godver. Tamara.
Nee gek, natuurlijk niet. Dat was in Polen nog.
Ze zou intussen getrouwd kunnen zijn, vandaar zo’n fraaie achternaam. Alles om weg te komen. Emigreren, je familiegeschiedenis uitwissen. Helemaal als het meer geld oplevert. Ze zou de eerste noch de laatste zijn.
Natuurlijk, ze lag in het ziekenhuis, in de vakantie.
Die ene keer dat ik haar borsten vasthield, vertelde ze me dat ‘die dingen’ haar rugpijn bezorgden. En dat ze zou laten verkleinen. Liefst voordat ze ging studeren.
Ik weet niet meer waar het verhaal over een abortus vandaan kwam. Van haar vriendinnen, of van de andere jongens?
Het had van iedereen kunnen zijn.
Ik ben die laatste zomer nog een paar keer langs haar flat gelopen. Een lange rij knoppen naast de deur. Ik wist donders goed welke ik moest indrukken. Ik had al bedacht wat ik zou zeggen. Ik zou haar niets vragen. Alleen iets beloven. Maar ik heb het nooit gedaan.
De brug over de Kostverlorenvaart staat open. Godverdomme.
Waarom grijnst die vrouw buiten zo, wachtend met haar fiets aan de hand?

Postjesweg.
Naast me staan twee dametjes van nauwelijks anderhalve meter lang. Thais, denk ik, met identieke matrasjassen en opgestoken kapsels. Ik probeer de ene met grijs haar mijn stoel aan te bieden, maar ik kom adem tekort om mijn zin af te maken.
Ze glimlacht en schudt haar hoofd. De tram schokt door de bocht en haar dunne hand valt even op mijn schouder.
Goed dan. Ik grijp naar de codeïne in mijn jaszak.
Godver. Er zitten alleen nog pepernoten in.

Hoofdweg.
Ik ben er.
Tegenover de halte bevindt zich een winkel die alleen kroonluchters verkoopt, de etalage even verblindend als een wasserette. Ik blijf voor het raam staan totdat de vlekken in mijn ogen weer zijn veranderd in geslepen kristalletjes.
Het adres in mijn telefoon leidt me naar een benedenwoning. Gesloten luxaflex in de ramen en stoffige vlekken op de vensterbank. De deurbel staat op naam van een bedrijf.
Ik druk hem in en doe een wens. Eindelijk.
En dan doet het kind open.
Twaalf jaar? God, hij is klein voor zijn leeftijd. Draagt over zijn sweatshirt een kettinkje met groene en blauwe kralen.
Is dat mijn haarkleur? Zijn dat mijn ogen? Wat voor kleur ogen had ik eigenlijk, de laatste keer dat ik in de spiegel keek? Wat voor kleur precies? Zitten er ook van die lichtbruine strepen in?
Er doemt een schaduw op in de matglazen tussendeur achter hem.
Zijn moeder verschijnt en meteen weet ik het.
Ik heb haar nog nooit gezien.
‘Kan ik u helpen? U ziet er niet goed uit.’
Het is alsof mijn eigen moeder me er weer aan herinnert dat ik Pools tegen mijn vader moet praten en ik sla weer net zo dicht als mijn zesjarige zelf.
‘Is hij ziek ofzo? Dakloos? Mam?’
Ik heb me vergist. Wijs naar de deurbel. Begin weer te hoesten.

Eindelijk is het donker.
Thuis ligt de brief op tafel. Hij is gericht aan iemand met mijn voorletter en mijn vaders achternaam. Na mijn vertrek uit Amsterdam heb ik de naam van mijn moeder aangenomen. Er zullen wel twee bestanden verkeerd aan elkaar zijn geknoopt.
Mijn vrouw schrijft met grote letters RETOUR AFZENDER op de envelop. Ze probeert het venstertje naar ons adres door te krassen, maar de balpen laat nauwelijks inkt los op het plastic. Ze smijt de pen weg, wrijft in haar gezwollen ogen en steekt de brief in de lijst van de spiegel bij de voordeur.
Ik sleep me naar bed. Voorlopig kom ik er niet meer uit.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Marktplaats

Door Marron Das

Juli is een slechte maand om dingen te verkopen. Dat weten wij, want waar wij wonen zijn mensen op vakantie in juli. De meeste in Frankrijk en Duitsland, sommige in Roemenië (Lisette en Rob). Sommige gaan met het vliegtuig, niemand gaat buiten Europa. Hanne en Simon zijn met Evert en Viënna vertrokken in een auto. […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper