Kort verhaal

Als je dacht het ongeluk onzichtbaar te maken

Door Laurens Duyts | beeld: Emma Ringelding
14 april 2020

De auto langs de vangrail ligt erbij als een platgetrapt blikje. De ambulancemedewerkers hebben een deel van de man al uit de auto gekregen. Zijn hoofd en torso hangen uit het verbrijzelde raam en zijn bijna onherkenbaar misvormd door de klap. Een aantal agenten vraagt de mensen afstand te houden en terug naar hun auto’s te gaan. Thomas loopt tegen de file in terug naar Viktor, die in de auto moest blijven zitten.

Het is de eerste keer dat hij alleen met zijn zoon op vakantie is. Een druppel zweet trekt een lijn over zijn wang terwijl de zon als een gewicht op de autodaken ligt. Zesendertig graden. Sophie hield van de warmte, Thomas haat het. Viktor heeft zijn raam geopend en probeert zo goed mogelijk het ongeluk verderop te zien door zijn hoofd uit het raam omhoog te steken. Als hij niets ziet gaat hij weer normaal op zijn stoel zitten.
   ‘Mag ik gaan kijken?’
   ‘Nee, dat mag je niet.’
   ‘Waarom mag jij wel kijken en ik niet?’
   Thomas zucht. ‘Omdat jij nog een kind bent.’ Viktor lijkt niet tevreden met dit antwoord, maar geeft geen reactie. Viktors sluike, donkere haar is net wat te lang waardoor het voor zijn ogen hangt. Om het haar voor zijn ogen weg te krijgen tikt Viktor voortdurend zijn hoofd stevig naar rechts. Viktor is te lui om naar de kapper te gaan, Thomas maakt het niet uit.
   ‘Is het ernstig?’ vraagt Viktor, enthousiast door de spanning, ‘is er iemand dood?’ Viktors enthousiasme over het ongeluk verbaast Thomas enigszins.
   ‘Ik denk het wel,’ zegt hij.
   ‘Moeten we niet helpen?’
   ‘We kunnen niets doen.’ Thomas’ klamme handen zien bleek, hij laat het stuur los en gaat achteruit gezakt zitten. Met de mouw van zijn overhemd dept hij het verse zweet van zijn gezicht. De sirenes van voorbijrijdende ambulances gillen door de file heen. Wat Thomas opviel was de stilte bij het ongeluk, de agenten die gewoon hun werk deden, de nieuwsgierige mensen die kwamen kijken. Hij schaamde zich voor hen. Die schaamte zakte van zijn hoofd naar zijn voeten omdat hij één van hen was. Hij en die mensen die keken, aasgieren, lijkenpikkers voor wie het ongeluk van iemand anders een spannende onderbreking van hun reis is. Thomas was langzaam en bedachtzaam terug komen lopen.
   Hij zucht en past zonder te weten waarom de stand van de achteruitkijkspiegel aan. Viktor zit aan zijn zakmes te peuteren. Er zijn negen uitklapbare onderdelen, als hij ze allemaal uitgeklapt heeft kijkt hij naar het resultaat. Door de zon reflecteert de rode kleur van zijn shirt op het staal. Dan klapt hij alles weer in het handvat van het mes. Een echte vader-zoonvakantie, had Thomas tegen hem gezegd. Kamperen in de Alpen. Voor de gelegenheid had Thomas hem een Zwitsers zakmes gegeven. Viktor heeft de zachte handen van Sophie.

‘Ik mis mama.’
   Thomas haren gaan overeind staan.
   ‘Je moeder-’ hij stopt, ‘je moeder zou het helemaal niet goed vinden als wij een biertje zouden drinken.’ Thomas geeft Viktor een knipoog met halve overtuiging. Viktor klapt de zaag uit en voelt voorzichtig aan de scherpe tanden.
   ‘We gaan er iets leuks van maken met zijn tweeën, toch?’
   ‘Ja.’
   In de auto voor hen zitten twee jonge kinderen op de achterbank. Zou Sophie nog eens aan kinderen willen beginnen? Negenendertig, niet jong meer, maar jong genoeg voor iets nieuws. Thomas kijkt naar Viktor, die heeft zijn zakmes verruild voor zijn telefoon. Sophie heeft ooit gezegd dat sommige mensen, als ze maar eenzaam genoeg zijn, alles zullen doen om maar met iemand anders in aanraking te komen. Zelfs het veroorzaken van een ongeluk. Ze zat in het raamkozijn te roken toen ze dat zei, een paar jaar geleden. Ze zei het zomaar, zonder aanleiding. Ze deelden een fles wijn. Toen de bodem bereikt was vreeën ze samen op de vloer, Viktor was uit logeren dus ze waren alleen. Die avond had Sophie heel hard moeten huilen, en ze kon niet uitleggen waarom. Thomas vraagt zich af of hij dat zou kunnen, een botsing, zo’n destructieve aanraking. Hij kijkt naar de eindeloze rij auto’s voor hen, dan via de achteruitkijkspiegel naar de eindeloze rij achter hen. Alles ziet eruit alsof het spontaan vlam kan vatten. Sophie had al een tijd lang last van haar gebit toen ze aan hem vroeg om de behandeling uit te voeren. Ze had liever dat hij het deed, dan een tandarts die ze niet kende. Ze waren al een halfjaar uit elkaar omdat Sophie ‘dingen uit moest zoeken,’ en Sophie wilde er gewoon voor betalen, maar dat had Thomas geweigerd. Door per ongeluk diep in haar tandvlees te boren gebeurden er twee dingen: plots leek hij uit een dikke mist te zijn getrokken, voor het eerst sinds jaren keek hij Sophie écht aan, en de verhouding tussen hem en Sophie was onomkeerbaar veranderd.
   ‘Heb je al zin om je twaalfde verjaardag in de bergen te vieren?’
   ‘Ik word dertien.’
   ‘Wat?’
   ‘Ik word dertien!’
   ‘Dat zei ik expres, om je te plagen.’
   ‘Niet waar.’
   ‘Jawel, ik weet heel goed dat jij dertien wordt.’ Hij start de auto en rijdt twee meter vooruit voordat hij alweer moet stoppen. De motor laat hij dit keer lopen. In de auto ruikt het naar benzine en zweet. Hij had haar altijd gezegd dat roken funest voor tand en tandvlees is, waarop zij zei dat hij een steriele gezondheidsfreak was.
   ‘Waarom doe je de motor niet uit?’
   ‘Anders moet ik hem telkens weer opstarten.’
   ‘Maar het stinkt. Ik heb het heet.’
   ‘Goed, ramen dicht en airco aan.’ Met een knop doet hij de ramen dicht, de airco blaast koude lucht naar binnen en even brengt het wat verkoeling. Dan gooit Viktor zijn zakmes tegen het dashboard en Thomas schrikt. ‘Godver! Waarom doe je dat?’ Viktor reageert niet en kijkt nors voor zich uit. Soms kan Thomas dat kind van woede uit elkaar trekken.
   ‘Waarom deed je dat?’ herhaalt Thomas. Geen reactie.
   ‘Viktor, pak dat zakmes op en stop hem in je zak.’ Hij verbaast zich over de dreigende toon in zijn stem. Viktor pakt zijn zakmes en met dezelfde handeling veegt hij de tranen af aan zijn mouw. ‘Ik heet Vik! En ik word DERTIEN!’ zegt hij, en omdat er weer tranen komen kijkt hij snel de andere kant op.
   ‘Zo bedoelde ik het niet. Kom eens hier.’ Hij wil Viktor bij zijn nek pakken maar die slaat zijn hand weg.
   ‘Ik ben niet verdrietig.’
   ‘Vind je Viktor geen leuke naam?’
   ‘Niemand noemt me Viktor, alleen jij. Iedereen noemt me Vik.’
   ‘Mama ook niet?’
   ‘Mama heeft me nog nooit Viktor genoemd.’
   ‘Oh, Vik. Je moeder en ik hebben die naam toch echt samen gekozen, hoor, Viktor, maar Vik is ook leuk.’

Uit de auto voor hen stapt een jonge vrouw om haar benen te strekken. Ze steekt een sigaret op, die ze op dezelfde nonchalante manier rookt als Sophie altijd deed. Sinds het ongeluk is Thomas met verlof. Hij was zo geschrokken van haar gegil en het bloed dat hij niets meer kon doen of zeggen. Hij stond daar maar, als een verloren vogelverschrikker vastgenageld aan zijn plek in de grond. Thomas wil zo snel mogelijk in Grindelwald zijn. De frisse berglucht zal hem goed doen, tijd om na te denken. Om het voor Viktor wat spannender te maken had Thomas hem de locatie in Zwitserland laten kiezen, Viktor had Grindelwald gekozen omdat hij de naam cool vond. Zonder Viktor aan te kijken begint Thomas te praten.
   ‘Wist jij dat je vroeger één woord had voor je moeder en mij? Mapa. Je had maar één woord nodig voor ons allebei.’ Thomas kan zich niet meer voorstellen hoe hij en Sophie ooit voor één opvoedend wezen konden doorgaan. Sophie gaf filosofie op de universiteit en hij was net tandarts geworden toen ze zwanger werd. Hij probeert zich te herinneren wanneer de liefde is verslonst. Ze waren allebei druk geweest. Zij op de universiteit, hij in zijn praktijk. Toen Sophie zei dat ze hem ging verlaten en hij zich niet kon bedenken waarom, realiseerde hij zich hoe gedistantieerd hij van haar was geraakt. Dat ze verliefd was op een vrouw had hem echter zo verrast, dat Thomas ervan overtuigd is dat hij duidelijke voorboden moet hebben gemist. Een gesprek, of zelfs een insinuatie, een opening naar binnen. Sophies reactie op zijn verbazing bracht zo’n woede in haar naar boven dat ze drie dagen lang niet tegen hem had gesproken. Thomas kijkt naar Viktor, die star uit zijn raam kijkt. Hij heeft nog een slordige jongenskop.

 

De auto voor hen start zijn motor weer, de file kruipt vooruit. Na een meter begint de navigatiefunctie van zijn mobiel te praten. Ze moeten over vijfhonderd meter de afslag nemen.
   ‘Als we er zo langsrijden moet je wegkijken,’ zegt Thomas.
   Viktor zucht. ‘Oké.’
   Thomas drukt het gaspedaal zachtjes in en langzaam rijden ze vooruit. De kapot gedrukte auto komt dichterbij, de gekantelde vrachtwagen, de gebroken ruiten, zwaailichten, commotie, nieuwsgierige mensen. Alle auto’s moeten in een dunne sliert langs de vrachtwagen rijden, en hoewel de politie inmiddels mensen sommeert om door te rijden, gaat het slechts mondjesmaat. Thomas tikt repetitief met zijn vingers op het stuur. Mensen moeten invoegen en iedereen wil op vakantie. Viktors knieën steken door twee gaten in zijn versleten broek. Thomas twijfelt of hij echt versleten is of dat Viktor hem zo heeft gekocht. De auto voor hen remt plotseling en de vrouw steekt haar hand verontschuldigend uit het raam.
   ‘Ik zweet me kapot,’ zegt Thomas, ‘geef me eens die handdoek op de achterbank.’ Vik geeft hem de handdoek, en Thomas begint zijn voorhoofd te deppen. Thomas’ overhemd zit strak om zijn lijf gespannen, en tussen de knopen zijn stukjes buik te zien. Hij is de laatste jaren dikker geworden maar weigert om een maatje groter te kopen. Vik haalt zijn mobiel weer uit zijn zak en begint op het scherm te tikken.
   ‘Met wie ben je toch de hele tijd aan het sms’en?’ vraagt Thomas.
   ‘Gewoon.’
   ‘Ben je met je moeder aan het sms’en?’
   ‘Nee.’
   ‘Want dit is onze vakantie, dan had ze maar mee moeten gaan. Het was háár keuze.’
   ‘Ik ben niet met mama aan het whatsappen.’
   ‘Met wie dan wel?’
   ‘Gewoon een vriend.’
   ‘Goed, zeg wat je moet zeggen en doe dan je mobiel weg. Ik wil niet dat je moeder ons voortdurend gaat bellen.’
   Viktor typt nog wat en stopt dan zijn telefoon weg. ‘Maar waarover wil je dan praten?’
   ‘Nou, over…’ Thomas denkt na, en hij voelt het jonge jongenslijf van zijn zoon mijlenver van hem vandaan zitten.
   ‘Over mama?’
   ‘Nee, niet over je moeder, waarom begin je daar nu over?’
   ‘Jij hebt het de hele tijd over haar!’
   Er valt een stilte en waardoor alleen de blazende airco te horen is.
   ‘Heb je mama expres pijn gedaan?’
   ‘Nee! Natuurlijk heb ik je moeder niet expres pijn gedaan. Soms gebeuren dingen gewoon… zonder dat je dat wilt.’ Door een scherpe steek in zijn borstkas begint Thomas nog meer te zweten. De werelden die zich tussen hem en Viktor bevinden. ‘Viktor kan jij de kaart even pakken en- eh, de kaart even pakken en kijken naar de volgende afslag.’ Zit ik godverdomme ook de hele vakantie te verneuken, denkt Thomas, en straks belt Sophie. Een jarenlange sluimering kwam met Sophies gegil abrupt ten einde. Na het ongeluk maakte de mist plaats voor een glazen stolp die over hem heen werd gezet. Vanuit de stolp gezien is alles vervormt en onwerkelijk, maar het ergste was dat Viktor hem anders was gaan aankijken, ook al hadden hij en Sophie beiden benadrukt dat het om een ongeluk ging.
   ‘We kunnen ook gewoon Google Maps gebruiken.’
   ‘Nee, nee. Geen Google. Jullie altijd met je telefoons.’
   ‘Jij hebt zelf ook een telefoon waar altijd op zit om te tinderen.’
   ‘Tinderen? Ik zit helemaal niet te-’ Thomas stopt met praten en voelt weer een scherpe, dunne steek in zijn borstkast die uitklapt als een paraplu.

waarom

                                                      een echte vader-zoonvakantie
                                   is ze nou verdomme weggegaan?

             maak je geen zorgen Sophie het is een simpele behandeling

                                                  verdoving

bloed                                              

                                                            wat ging er mis? Sophie
wat ging er niet goed? 

zo veel bloed

                                  er moet iets te verklaren zijn 

        je doet me pijn!                
                                                        doe iets, doe iets, doe iets!
                                                                                                                      

ik ben er nooit eerder voor gegaan omdat ik bang was, Thomas, bang. Omdat het niet mocht, omdat het niet kon, omdat het niet hoorde, van mijn ouders niet, van familie niet, van jou niet. 

misschien ben ik niet goed genoeg geweest
misschien had ik haar erbij moeten laten
misschien had ik haar vaker moeten beffen
 
                        maar ik denk dat ik het altijd geweten heb, Thomas. Ik hou van jou maar ook van

‘Pap kijk uit!’ Met een lullige klap botst Thomas op de auto voor hen. Thomas begint te vloeken, geeft een klap op de claxon en vloekt nog meer. De rozenkrans die aan de achteruitkijkspiegel hangt bungelt heen en weer. De vrouw komt uit haar auto en loopt met grote stappen richting de deuk die Thomas achterlaat terwijl hij voorzichtig achteruitrijdt. Viktor doet zo zijn best niet te huilen dat zijn samengetrokken gezicht erdoor verschrompeld lijkt.
   ‘Verdomme Viktor, niet nu!’
   ‘Ik heetV-Vik.’
   Thomas dept nog een keer zijn hoofd af en doet dan het portier open. ‘Blijf zitten,’ zegt hij.

‘Vik!’ roept hij, ‘Vííííík!’ Thomas probeert hem tussen de auto’s te vinden. Vik is nergens te bekennen. Thomas tuurt naar de berm langs hun kant van de snelweg om te kijken of Viktor is gaan plassen. Ook niets. Sommige mensen zijn uitgestapt en staan met elkaar te praten. Thomas vraagt of ze een klein jongetje hebben gezien, donker haar, klein voor zijn leeftijd waardoor je hem misschien jonger zou schatten dan twaalf. Een oude vrouw die in de deuropening van haar auto zit wijst naar voren. ‘Hij ging die kant op.’ Thomas vindt Vik vlakbij het grote ongeluk verderop, naast een grote zwarte auto die als een donker canvas is waartegen zijn rode shirt fel afsteekt. Nu ziet die jongen alles, het bloed, het leed, de willekeur. Het lichaam is inmiddels weggebracht, maar de verkreukelde auto en het bloed zijn genoeg. Viks gezicht is wit weggetrokken. Thomas legt een hand op Viks schouder en duwt hem voorzichtig de juiste kant op, weg van het ongeluk. Vik onttrekt zich aan de hand van zijn vader maar blijft dicht bij hem lopen. ‘Ik houd van jou, hè,’ zegt Thomas als ze weer naast elkaar in de auto zitten. Hij denkt na over wat hij nog meer wil zeggen, maar kan de juiste woorden niet vinden. Ik mis je moeder ook, denkt Thomas, maar het komt niet over zijn lippen.

Over de auteur

Laurens studeerde in 2019 af aan de opleiding Creative Writing ArtEZ met de novelle ik hoop dat je kanker krijgt (ik wens je het allerbeste toe) , en de podcastserie de Wassilly Gesprekken. Hij stond in de finale van Write Now! en droeg voor op verschillende podia. Laurens is bezig met zijn pluriforme project de naamloze mensen, waarvoor hij poëzie schrijft en performances maakt.

Over de illustrator

Emma Ringelding (1991) is striptekenaar en illustrator. Ze werkte voor onder andere Oerol, De Volkskrant, FNV, VICE Nederland en Humo. Emma is redacteur bij De Optimist en recensent bij De Boekenkrant. Blog | Instagram

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Kapsalon

Door Henk van Straten

Denise, zo heette ze. Twee jaar lang werkte ze bij ons in de kapsalon. Daarna nam ze ontslag omdat ze ging samenwonen met haar vriend, de zoon van een aannemer, in een dorp twintig kilometer bij ons vandaan. Ze kon ook daar als kapster werken, zei ze. Denise was een plomp meisje met een waterige, […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper