Proza

Wintervacht

Door Roddia Rumahloine | beeld: Maarten Klein
2 juli 2020

De dagen turf ik op het vergeelde behang naast de voordeur, net als in een film, in keurige rijtjes van vijf. Vandaag zet ik mijn zestiende streepje. Zand stuift tegen de ramen, in de verte spoelt de zee op het strand en een van de luiken klappert.
   In de keuken laat ik ijskoud water in een steelpan lopen en zet hem op het draagbare kooktoestel. Ik moet opwarmen, thee. Een vochtige wolk stijgt op uit de pan en het keukenraam beslaat. Ik wil net het water in een beker gieten als ik door de condens een schim zie bewegen.
   Snel zak ik naar beneden, uit het zicht van het raam. Heet water klotst over mijn hand, maar ik voel het nauwelijks en blijf zo stil mogelijk zitten. Normaal komt hier niemand, alleen konijnen huppen op de overgroeide paden. De enige andere persoon die ik soms zie, is de kassadame van het winkeltje in het dorp.
   Plotseling klinkt er gebonk tegen de voordeur van het huisje tegenover me. Ik kruip over de plavuizen langs mijn gaskachel en de smoezelige bank waar ik ’s nachts op slaap. Via de trap sluip ik naar boven. In een van de lege slaapkamers gluur ik door het raam dat uitkijkt op het huisje aan de overkant.
   Een jonge vrouw trapt tegen de voordeur, maar hij gaat niet open. Ze is ongeveer even oud als ik, dertig, of iets jonger. Ze ziet er zo onopvallend uit dat het bijna moeilijk is om haar te beschrijven: niet heel groot of klein, ze heeft blond haar tot op haar schouders, geen bril of rare make-up en ze draagt een degelijk zwart windjack dat er warm uitziet.
   Na nog een paar pogingen beukt ze de deur open, verdwijnt ze in het huisje en hoor ik alleen de wind en het klapperende luik.



*

Vijf streepjes zet ik op het behang voordat ik haar durf aan te spreken. In de tussentijd zie ik haar het huisje verkennen, rommelen in alle kamers, alsof ze nog niet snapt hoeveel gas je nodig hebt om alles te verwarmen, en hoe zwaar die flessen uit het winkeltje zijn.
   Op de derde dag verplaatst ze al haar spullen naar de woonkamer, net als ik heb gedaan. Misschien kijkt ze ook bij mij naar binnen, als ik niet naar haar kijk, maar in mijn slaapzak mezelf toesta om weg te dromen bij mijn oude leven: vakanties in de zon, nachten dansen, hardlopen, picknicken in het park. Ik woel in de herinneringen, knabbel er stukjes vanaf tot er niets anders over is dan het moment dat alles misging.
   De wind gaat liggen en als ik haar eindelijk aanspreek is het mistig. De vrouw doemt op uit de witte slierten die tussen de huisjes hangen. Ze heeft de rode fiets gevonden in de schuur naast de verlaten receptie, aan het stuur bungelt een tas met boodschappen. Ik wil haar niet laten schrikken, maar ik spring naar buiten, bang dat ze wegglipt.
   ‘Ik schrik me rot,’ zegt ze.
   ‘Sorry, ik woon hier.’ Ik wijs naar mijn huisje. ‘Hoe heet je?’
   Ze neemt me in zich op, alsof ze twijfelt of ze haar echte naam zal noemen.
   ‘Ik ben Mae,‘ zeg ik om haar aan te moedigen.
   ‘Anna. Is het bij jou ook zo koud?’
   Ik knik.
   ‘Mag ik eens binnenkijken?’
   Het mag en ze loopt naar mijn woonkamer, ze kent de weg, die is gespiegeld aan haar eigen huisje, en ze bekijkt de slaapzak op de bank, mijn weekendtas, de gaskachel, het kooktoestel. ‘Jij hebt het handiger aangepakt dan ik.’
   Ze ritst haar zwarte windjack open. Van dichtbij zie ik dat ze sproeten heeft en wallen onder haar ogen. Haar hand gaat onder haar jas, ze voelt ergens aan en automatisch maak ik dezelfde beweging. Mijn vingers schieten naar de woekerende erwt onder mijn huid.
   Even kijken we naar elkaar en nu pas herken ik haar witte polsbandje: de streepjescode, de naam van het ziekenhuis, haar naam en het patiëntnummer. Ik droeg hetzelfde bandje toen ik terugverlangde naar de rust van deze plek en besloot uit mijn leven te vluchten.
   ‘Dus, jij ook,’ zeg ik.
   Ze knikt verward en ik zie haar naar me kijken, vergelijkingen maken. Ik bruin haar, zij blond, ik een donkere huid, zij een lichte, allebei moedervlekken, rimpels, wallen en allebei een woekerende erwt.
   Langzaam lijkt ze het te begrijpen en ziet ze in mijn ogen wat ik ook in de hare zie: de mensen die we missen, de dingen die we nog hadden willen doen, het scannen en wachten, de blikken van onze ouders, de chirurgen die onze lichamen aftekenden alsof we koeien waren, het gif dat we in onze lichamen zouden moeten stoppen in ruil voor extra tijd.
   Ze ademt wolkjes uit en misschien lijkt het zo, maar haar aanwezigheid doet iets met de woonkamer. Haar contouren trillen als hete lucht boven asfalt.
   Samen is het warmer.

*                                                                                                                                         


                                                                                     
Anna heeft geen spullen bij zich die verraden wie ze was, hiervoor. Ze draagt altijd dezelfde kleren: het zwarte windjack, een grijze muts, een wollen sjaal, wandelschoenen en daarboven dikke sokken met een soort kerstmotiefje.
   Ik bevrijd haar van haar witte polsbandje. Het moment doet me denken aan het doorknippen van een lintje om een nieuw gebouw te openen. Met de schaar bezegel ik ons bondgenootschap en ze lijkt opgelucht.
   We lopen door het bos en de duinen, sloffen met onze wandelschoenen door het zand, elke dag dezelfde route. Bij de kruising van twee paden vraagt ze: ‘Waarom gaan we hier nooit rechtsaf?’
   Vroeger ging ik altijd links, als ik hier met mijn ouders liep. Rechts is het pad mistig, een kolkend wit gat, een plek die niet is opgenomen in dit bouwwerk van herinneringen, en ik zeg: ‘Links is de enige weg die ik ken.’
   We gaan links. De kou slaat tegen onze wangen en mijn neus wordt nattig van het snot, maar mijn lichaam is sterk en het voelt goed om pijnvrij te zijn .
   Soms schieten tijdens het lopen gedachten naar boven en dan twijfel ik of ons besluit om ons hier te verschuilen dapper is, of laf. Of we slechte mensen zijn omdat ons verlangen naar rust en controle groter is dan de drang om tijd met onze geliefden door te brengen. Als afleiding duw ik Anna op de krakende schommel en zij laat mij de korstmossen zien die op de boomstammen groeien.
   ’s Avonds maken we eten warm in mijn huisje. Noedels met chilisaus. Na het eten spelen we Rummikub of maken we een puzzel uit de spelletjeskast. Dan lachen we en geeft het niet dat er stukjes missen.

*

We gaan op de fiets naar het winkeltje in het dorp. Anna is moe van al het wandelen, ze hijgt een beetje en mag achterop, ze klemt haar dunne armen om mijn heupen. Ik trap tegen de wind in, over het verlaten fietspad, door de duinen, het deinende helmgras, naar het dorp. Mijn oksels zijn nat van het zweet. De mist lijkt dichter te worden. Onderweg komen we niemand tegen, alleen meeuwen en hondendrollen.
   De kassadame vraagt: ‘Is het niet te koud daar zonder stroom?’
   ‘Samen is het warmer,’ zegt Anna.
   Ik leg de thee en noedels op de band, en knik. 

*

‘Misschien moet je in mijn huisje blijven,’ zeg ik als Anna met trillende handen de noedels openmaakt in mijn keuken. Dat trillen doet ze steeds vaker en haar wangen worden holler, net als de kuilen in het duinzand.
   Ik wil voor haar zorgen, zet de kachel aan en sleep haar bank vanuit haar huisje naast de mijne, naar het raam toe, zodat ze naar buiten kan kijken, naar de witte slierten die voorbij trekken.
   Anna laat het gebeuren en zegt: ‘Ik denk dat het gaat sneeuwen.’
   ‘Wie weet,’ zeg ik.
   Ze kijkt me aan met haar lichte ogen. ‘Denk je dat het sneeuwt? Thuis?’
   Er flitst iets over de plavuizen, alsof het onweert. Ik wil niet dat ze praat over waar we vandaan komen, dat ze scheuren maakt in ons samenzijn. Ik wil dat ze blij is, dat ze nergens anders wil zijn dan hier met mij en ik zeg: ‘Als het gaat sneeuwen, maken we sneeuwpoppen en drinken we warme chocomelk.’
   Ze lacht en ik begin een nieuwe lijst met streepjes op het behang, een lijst voor ons samen.



*

Er komen dertien streepjes bij en de sneeuw komt niet. Ik hoop dat de vorst verdwijnt, de vogels gaan broeden en ik kijk uit naar de dagen dat we samen kunnen zwemmen in de zee, maar onze vingers en tenen worden steeds stijver.
   In de ochtend zegt Anna: ‘Ik voel mijn benen bijna niet meer.’
   En ik antwoord: ‘Ik heb het ook koud.’ Maar ik heb het minder koud dan zij.

*

We gaan niet meer samen naar het winkeltje, of naar de duinen, we liggen onder de deken en ik blijf wakker tot Anna in slaap valt. Af en toe voel ik aan de woekerende erwt onder mijn huid, hij lijkt groter dan eerst.
   Buiten zie ik de hagelwitte mist, het doet pijn aan mijn ogen en de randen van de wereld lijken dichterbij te komen.
   Anna legt haar hand om mijn pols. ‘Nog steeds geen sneeuw.’
   ‘Nee.’
   Ze lacht en friemelt aan mijn haar. ‘Jij kan nog teruggaan.’
   Haar woorden maken barsten in de muren en ik loop snel naar boven, voordat ze meer dingen kan zeggen die ik niet wil horen. In de slaapkamer zoek ik een extra deken en ik kijk uit het raam waardoor ik haar de eerste dagen bespiedde.
   De mist heeft Anna’s huisje opgegeten.

*

De zon slaapt de hele dag en Anna eet geen noedels meer. Ze ligt onder de stapel dekens, bij de kachel, met haar ogen dicht.
   Ze doet me denken aan Mimi, mijn poes van vroeger, en ik aai haar vacht. Ik voel de grillige erwten, het zijn er veel.
   Ik aai haar tot het vuur stopt met branden en de rest van de nacht.

*

Anna is weg, alleen de deken ruikt nog naar haar. De mist kolkt om het huisje. De luiken klapperen en buiten vallen dingen: dakpannen of afgebroken takken. Mijn wangen zijn nat, voor het eerst.
   Ik staar naar de gedoofde kachel, de lege noedelverpakkingen. Witte slierten stromen door de scheuren in de muren en plavuizen naar binnen. Het huisje vult zich met mist: het wolkt op als de rook van een brand en ik vraag me af hoelang het duurt voordat ik ook verdwijn.
   Aan de kapstok hangen Anna’s zwarte windjack en haar sjaal, naast de streepjes op het behang, de streepjes voor ons samen. Ik trek haar kleren en stevige schoenen aan, die bij de voordeur staan.
   De slierten kringelen richting mijn gezicht. Ik stop mijn haren onder Anna’s muts, open de deur en ga.

Over de auteur

Roddia Rumahloine schrijft verhalen, essays en gedichten. In 2019 werd ze o.a. genomineerd voor de vakjuryprijs van de Editio Debutantenschrijfwedstrijd, stond ze op de shortlist van de Lowlands Schrijfwedstrijd en werd ze geselecteerd voor de Lage Landen Schrijfweek. In 2020 was ze medeoprichter van VIRUS: een online magazine met elke dag een nieuw verhaal om te lezen in quarantaine. Ze woont in Amsterdam, rondde daar de masters Film Studies en Literatuurwetenschap af en studeerde proza aan de Schrijversvakschool.

Over de illustrator

Maarten Klein (1989) is een Nederlandse illustrator. In zijn werk focust hij zich vooral op alledaagse vormen en observaties. Naast zijn werk voor klanten werkt hij veel als visueel notulist en wordt er momenteel gewerkt aan een graphic novel. Je vindt zijn werk op zijn instagrampagina.

Lees meer uit de categorie Proza

De wederopstanding van Jezus en Hannie Schakema

Door Koonian Thomas

‘Ik ben het, Jezus,’ zei Jezus, en ik wist niet zo goed wat ik met die opmerking moest.    ‘Hallo,’ zei ik. ‘Ik ben Hannie Schakema.’    ‘Dat weet ik,’ zei Jezus, en ik zei: ‘Niet om vervelend te doen, maar ik geloof niet in u.’    Ik hoorde Jezus zuchten. ‘O, oké,’ zei hij. […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper