Kort verhaal Proza

Beer

Door Pieter Drift | beeld: Emma Ringelding
24 januari 2021

Beer kende ik van haven tot god. Had Beer deze zin gelezen dan had hij me verbeterd, maar we leerden elkaar kennen in Antwerpen en ik verloor hem aan de kerk, dus het klopt wel. Tussendoor raakte hij verslaafd. Elk detail van zijn lichaam heb ik in mijn kop opgeslagen. Op zijn arm had hij een tatoeage van Pinhead uit Hellraiser. Toen de spuit kwam, ging het bergafwaarts met Beer. Ik chineesde af en toe, maar meestal bleef het bij pillen. Mijn angst voor naalden is achteraf mijn redding geweest. Beer lazerde in de afgrond en kwam waarschijnlijk op zijn hoofd terecht, want plots had hij het licht gezien.

Een paar maanden na zijn bekering kwam ik hem weer tegen op straat. Ik schrok. Zijn humor was eruit geslagen. Eerst cold turkey, daarna een bijbelcursus gevolgd. Vanaf dat moment moest hij gaan evangeliseren. Mijn Beer was verdwenen. De bekeerlingen waren maar wat blij met hem. Zo’n 120 kilogram geloof. Als mensen hem zagen, durfden ze de deur niet meer dicht te gooien en luisterden tot de club klaar was met het verkondigen van het Woord.

Na mijn leven met Beer besloot ik alleen verder te gaan. De pillen zwoer ik af en al snel vond ik een baan. Natuurlijk nam ik wel eens iemand mee naar huis. Mijn lijf hunkerde naar liefde, maar kreeg alleen andermans hoogtepunten. Beer daarentegen kon me de hele avond aaien. Het leek alsof het hem niet kon deren dat we niet toekwamen aan de daad. Een keer vroeg ik er naar. Voor spuiten had hij mij niet nodig, zei hij lachend. Als hij bij me was, wilde hij zo veel mogelijk van mij voelen. Letterlijk. Een climax zou het einde inluiden. Klaarkomen, afrollen, pitten, dat wilde hij niet. Hij hield van uitstel.

 

 

 

Ik had Beer al jaren niet meer gezien. Tot vorige maand. Ik zag hem zitten onder een afdakje. Naast hem stonden allerlei mensen op hun mobieltje te kijken terwijl hij voor zich uit staarde. Toen ik in zijn blikveld liep leek hij me niet te herkennen, maar al snel kwam er een grijns op zijn gezicht. Hij riep mijn naam en ik stak over. Voor ik wat kon zeggen, pakte hij mijn handen. Hij keek me aan en wreef met zijn duimen kleine cirkels over de middelste vingerkootjes.

‘Ik ben opgestaan,’ zei hij. Hij bracht mijn linkerhand naar zijn mond. Zijn lippen beroerde vederlicht mijn vingers. Mijn lichaam herkende hem. ‘Hoe staat het met god?’ vroeg ik. ‘Hij heeft me gered toen het nodig was. Nu kan hij het wel weer zonder mij.’ Hij pakte mijn polsen iets steviger vast en zei: ‘Zijn licht was me te fel. Ik leef liever in de schaduw.’ Ik voelde mijn bloed tegen zijn vingertoppen kloppen. ‘Waar was je?’ vroeg hij. ‘Ik was altijd hier. Jij vertrok.’ ‘Na de duisternis werd ik verblind door het licht,’ zei hij zacht, ‘Waar waren we gebleven?’ Hij nam me bij de hand. Gewillig liep ik met hem mee. Er was een honger opgetreden die snel gestild moest worden. Zonder wat te zeggen reed hij me naar het hotel waar we vroeger altijd over spraken als het dreigde mis te gaan. Daar zouden we opnieuw beginnen. Aan de rand van het strand, uitkijkend over zee.

Onze kamer was op de eerste verdieping. Op bed lagen twee smetteloos witte handdoeken. Beer liep naar de balkondeuren en opende ze. Zeelucht kwam binnen. Ik ging op bed zitten en keek naar buiten. Beer glimlachte naar me terwijl hij zich uitkleedde. Zonder iets te zeggen liep hij naar de badkamer. Toen het water liep ontdeed ook ik me van mijn kleren. Ik stapte onder de straal en niet lang daarna smeerden we elkaar zwijgend in met doucheolie. Zonder afdrogen verlieten we de badkamer en gingen op het balkon staan. De wind raasde langs mijn lichaam. Beer kuste het kuiltje boven mijn sleutelbeen en trok me naar het bed. ‘Ik voel me zo moe,’ zei hij. Ik lachte en duwde hem zo dat hij op zijn rug kwam te liggen. ‘Daarom moet je ook naar bed.’ Met mijn oor lag ik op zijn borst. Zijn ietwat onregelmatige hartslag maakte me rustig. De vingers van Beer gleden over mijn rug. Soms duwde hij zachtjes op een van mijn wervels. ‘Hoeveel levens hebben we nog?’ vroeg ik. ‘Iets meer dan het jouwe,’ was zijn antwoord. ‘Als we niet samen verder kunnen…’ Beer gromde. ’Eerst moet het nog vloed worden.’ Ik sloot mijn ogen en hoorde de zee langzaam dichterbij komen.

Over de auteur

Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn.

Over de illustrator

Emma Ringelding (1991) is striptekenaar en illustrator. Ze werkte voor onder andere Oerol, De Volkskrant, FNV, VICE Nederland en Humo. Emma is redacteur bij De Optimist en recensent bij De Boekenkrant. Blog | Instagram

Lees meer van

Tiewrap

Door Pieter Drift

Die ene keer dat Simon zijn hand op mijn billen legde, hoopte ik nog dat het per ongeluk was. Sommige dingen wil je gewoon niet, ze mogen niet gebeuren. Simon was veertien jaar en ik tweeëndertig. Door een enorme groeispurt waren zijn kleren allemaal net iets te klein. Versleten knieplekken zaten bij al zijn broeken […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal Proza

Tegenstanders

Door Lucia van den Brink

Om me heen klinkt gejoel. De tribunes zitten vol mensen die ik niet ken.             Van mijn coach mag ik niet denken dat ik ga verliezen, ook al moet ik het opnemen tegen een meervoudig wereldkampioen terwijl ik zelf al jarenlang meervoudig twintigste ben. De winnaarsmentaliteit laat geen ruimte voor nuance.             De kampioen staat […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper