Beer

Door
24 januari 2021

Beer kende ik van haven tot god. Had Beer deze zin gelezen dan had hij me verbeterd, maar we leerden elkaar kennen in Antwerpen en ik verloor hem aan de kerk, dus het klopt wel. Tussendoor raakte hij verslaafd. Elk detail van zijn lichaam heb ik in mijn kop opgeslagen. Op zijn arm had hij een tatoeage van Pinhead uit Hellraiser. Toen de spuit kwam, ging het bergafwaarts met Beer. Ik chineesde af en toe, maar meestal bleef het bij pillen. Mijn angst voor naalden is achteraf mijn redding geweest. Beer lazerde in de afgrond en kwam waarschijnlijk op zijn hoofd terecht, want plots had hij het licht gezien.

Een paar maanden na zijn bekering kwam ik hem weer tegen op straat. Ik schrok. Zijn humor was eruit geslagen. Eerst cold turkey, daarna een bijbelcursus gevolgd. Vanaf dat moment moest hij gaan evangeliseren. Mijn Beer was verdwenen. De bekeerlingen waren maar wat blij met hem. Zo’n 120 kilogram geloof. Als mensen hem zagen, durfden ze de deur niet meer dicht te gooien en luisterden tot de club klaar was met het verkondigen van het Woord.

Na mijn leven met Beer besloot ik alleen verder te gaan. De pillen zwoer ik af en al snel vond ik een baan. Natuurlijk nam ik wel eens iemand mee naar huis. Mijn lijf hunkerde naar liefde, maar kreeg alleen andermans hoogtepunten. Beer daarentegen kon me de hele avond aaien. Het leek alsof het hem niet kon deren dat we niet toekwamen aan de daad. Een keer vroeg ik er naar. Voor spuiten had hij mij niet nodig, zei hij lachend. Als hij bij me was, wilde hij zo veel mogelijk van mij voelen. Letterlijk. Een climax zou het einde inluiden. Klaarkomen, afrollen, pitten, dat wilde hij niet. Hij hield van uitstel.

 

 

 

Ik had Beer al jaren niet meer gezien. Tot vorige maand. Ik zag hem zitten onder een afdakje. Naast hem stonden allerlei mensen op hun mobieltje te kijken terwijl hij voor zich uit staarde. Toen ik in zijn blikveld liep leek hij me niet te herkennen, maar al snel kwam er een grijns op zijn gezicht. Hij riep mijn naam en ik stak over. Voor ik wat kon zeggen, pakte hij mijn handen. Hij keek me aan en wreef met zijn duimen kleine cirkels over de middelste vingerkootjes.

‘Ik ben opgestaan,’ zei hij. Hij bracht mijn linkerhand naar zijn mond. Zijn lippen beroerde vederlicht mijn vingers. Mijn lichaam herkende hem. ‘Hoe staat het met god?’ vroeg ik. ‘Hij heeft me gered toen het nodig was. Nu kan hij het wel weer zonder mij.’ Hij pakte mijn polsen iets steviger vast en zei: ‘Zijn licht was me te fel. Ik leef liever in de schaduw.’ Ik voelde mijn bloed tegen zijn vingertoppen kloppen. ‘Waar was je?’ vroeg hij. ‘Ik was altijd hier. Jij vertrok.’ ‘Na de duisternis werd ik verblind door het licht,’ zei hij zacht, ‘Waar waren we gebleven?’ Hij nam me bij de hand. Gewillig liep ik met hem mee. Er was een honger opgetreden die snel gestild moest worden. Zonder wat te zeggen reed hij me naar het hotel waar we vroeger altijd over spraken als het dreigde mis te gaan. Daar zouden we opnieuw beginnen. Aan de rand van het strand, uitkijkend over zee.

Onze kamer was op de eerste verdieping. Op bed lagen twee smetteloos witte handdoeken. Beer liep naar de balkondeuren en opende ze. Zeelucht kwam binnen. Ik ging op bed zitten en keek naar buiten. Beer glimlachte naar me terwijl hij zich uitkleedde. Zonder iets te zeggen liep hij naar de badkamer. Toen het water liep ontdeed ook ik me van mijn kleren. Ik stapte onder de straal en niet lang daarna smeerden we elkaar zwijgend in met doucheolie. Zonder afdrogen verlieten we de badkamer en gingen op het balkon staan. De wind raasde langs mijn lichaam. Beer kuste het kuiltje boven mijn sleutelbeen en trok me naar het bed. ‘Ik voel me zo moe,’ zei hij. Ik lachte en duwde hem zo dat hij op zijn rug kwam te liggen. ‘Daarom moet je ook naar bed.’ Met mijn oor lag ik op zijn borst. Zijn ietwat onregelmatige hartslag maakte me rustig. De vingers van Beer gleden over mijn rug. Soms duwde hij zachtjes op een van mijn wervels. ‘Hoeveel levens hebben we nog?’ vroeg ik. ‘Iets meer dan het jouwe,’ was zijn antwoord. ‘Als we niet samen verder kunnen…’ Beer gromde. ’Eerst moet het nog vloed worden.’ Ik sloot mijn ogen en hoorde de zee langzaam dichterbij komen.

Lees meer van

Vrouwentongen

Door

Wanneer we de telefoon opnemen, klinken we hetzelfde mijn moeder en ik – al doe ik mijn best om zacht uit haar toon te vallen. Nu nog wonen we in hetzelfde huis. Ze dweilt het behendig op hoge hakken, wankelt weleens wanneer ze denkt dat wij niet kijken. Tegenwoordig lijken emmers hier enkel verder over […]

Lees meer uit de categorie

ZKV-zondag: De rivier

Door

Een nieuwe, tijdelijke rubriek bij De Optimist: ZKV-zondag. Een reeks Zeer Korte Verhalen van Felix Sandon op zondag. De Japanse schrijvers Yasunari Kawabata noemde ze ook wel handpalmverhalen: verhalen zo klein en zo kostbaar dat ze in de palm van een hand passen. Leestijd: minder dan 30 seconden. Impact: onmeetbaar. Dit is nummer drie, De […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper