kort verhaal

Honderd streepjes

Door: Benoit van der Cruysse
Beeld: Sara-Noor ten Cate

27 februari 2026

De koek ligt op het houten plankje, naast de vlek die lijkt op een draaikolk.
‘Als ik ’m niet mag opeten,’ zeg ik, ‘bijt dan op je lip.’
Ik staar naar vaders lip. Wacht. Moeder zucht en veegt met haar pink de kruimels in een lijn. ‘Tessa, alsjeblieft.’
Ik bijt in de koek. Vader kijkt weer naar het schilderij met de wolken. Wat ziet hij dat ik niet zie? Ik schuif van mijn stoel en ga vlak voor hem staan. Ik steek mijn tong uit, duw mijn neus omhoog. Zijn ogen gaan dicht. Dan weer open.

‘Ha,’ zeg ik. ‘Standbeelden bewegen niet. Jij verliest.’

Ik vind nog wat brokjes in de zak cornflakes. Mijn natte vingertop wint altijd. Omdat vader gestopt is met werken, is er volgens Karel straks geen geld meer voor eten. Dan vermageren we, zegt hij, tot alleen ons skelet overblijft. Hij wijst naar zijn ribben. ‘Dit is Rob,’ zegt hij. ‘En dat is Bart.’

Ik tel de dagen dat vader niet praat. Elke dag een streepje in mijn schriftje. Zevenennegentig vandaag. 

Morgen is hij jarig, maar eerst doen we hem lachen. Karel steekt zijn hoofd naar voren, als een eend op zoek naar brood. ‘Doe het,’ sist hij.

Ik schud mijn hoofd. Eenden kunnen niet praten.

‘Kom op.’

Ik draai me naar vader.

‘Wat is groen en glijdt van een berg?’

Vader zit stil.

‘Zeg het,’ snauwt Karel, zijn ogen groot.

‘Een ski-wi.’

Niets. Vaders schouders hangen naar voren. Misschien zei ik het niet luid genoeg. Misschien is hij vergeten hoe te lachen. Vroeger lachte hij om al mijn moppen. Misschien is hij bezorgd omdat er straks geen eten meer is.

‘Het was het proberen waard,’ zegt Karel. Hij lacht.

Ik kijk naar zijn gezicht, naar de moedervlek op zijn wang. Ik wil hem eraf krabben.

Ik loop naar mijn kamer. Tussen de krakende planken zitten zwarte groeven, diep, met monsters erin. Ik spring, ontwijk ze. Plank. Groef. Plank. Aanraken is vallen. Ontwijken is leven. Weer niets, monsters! Moeder ploft naast me neer op bed.

‘Gaat het, schat?’ vraagt ze. Ze klinkt nasaal.

Ze neemt mijn hand. Haar vingers trillen sinds vader een standbeeld werd. Ik haal mijn schouders op.

‘Mensen zijn… als batterijen,’ zegt ze. ‘Soms zijn ze leeg.’

Normaal is alleen het randje rond haar ogen rood. Nu ook het wit, alsof ze buiten de lijntjes heeft gekleurd.

‘En vader is leeg?’

Ze lacht, maar er zijn geen kuiltjes in haar wangen. Dan telt het niet.

‘Ik vrees het, hij moet een tijdje opladen.’

Waar moet zijn stekker? Waar moet die van mij? In mijn rug? Toch niet mijn neus? Ik durf het niet te vragen. ‘Hoelang duurt dat?’

‘Ik weet het niet.’

De dag erna vieren we vaders verjaardag. Moeder lijkt gekrompen in zijn trui. Even alles vergeten, zegt ze. Ik vergeet niets, ik schrijf alles op. Haar sigaret knettert als ze eraan zuigt, op het uiteinde kruipt een oranje streepje. We maken vaders lievelingstaart, chocolade en aardbeien. Ik kijk naar vader. Hij zit op de bank en kijkt naar zichzelf in de televisie.

‘Is hij opgeladen?’ fluister ik. Moeder stopt met roeren. Haar wallen zijn geel, ik zag haar er iets opsmeren. Van mij hoeft dat niet. Van mij mag ze wallen hebben.

‘Ik hoop het,’ zegt ze, en roert weer verder.

Aan tafel tel ik de kaarsen. Eén, twee, drie, vier, ook al is hij geen vier. Hoe oud is hij eigenlijk?

‘Zullen we zingen?’ vraagt moeder.

‘Hij hoort ons toch niet,’ zegt Karel.

Moeders mond opent, maar ze zegt niets.

Ze steekt drie vingers in de lucht.

Twee.

Eén.

‘Lang zal hij leven, lang zal hij leven…’

Ze zingt luid alsof ze hoopt dat de buren het horen. Karel zingt Antarctica in plaats van gloria. Met mijn ogen duw ik hem van zijn stoel. Het lukt niet. Ik mummel mee.

Vaders ogen staren naar het tafelblad, net naast de taart.

Na het lied is het stil. Even lijkt het alsof vader knipoogt, maar het zijn de kaarsen die flakkeren. Eén kaars dooft vanzelf. Karel schuift de taart naar zich toe en blaast de rest uit. Een sliert rook kronkelt omhoog. We eten elk een stuk taart. Behalve vader.

‘Kom,’ zegt Karel. ‘We gaan in de tuin.’

Ik zet mijn vork recht in vaders stuk. Karel en moeder doen hetzelfde. Buiten is de zon fel, de lucht helder. Het gras prikt aan mijn voeten, ik ben een reus en vertrappel het. We springen op de trampoline. Het rubber piept bij elke sprong. Onze huid en botten raken elkaar, moeder kijkt en lacht mee. De lucht kleeft. Boven mij schuift een vliegtuig voorbij. De wolken eten hem op. Dan kijk ik naar het keukenraam. Hij zit er nog. Zijn stuk taart voor hem. De drie vorken steken omhoog.

Die nacht word ik wakker. De maan valt ongehinderd binnen en raakt de vloer. Ik lig op mijn buik, armen langs mijn lijf, gezicht in het kussen. Ik kijk opzij. De rode streepjes op mijn radio vormen een twee, een dubbele punt, een nul en een drie.

Dan hoor ik een krassend geluid. Mijn ogen schieten open. Misschien zijn het ratten. Drupt er ergens water? Ik trek het laken op mijn matras, zodat niets de grond raakt. De deur staat open. Ik wil kijken maar durf niet. Dan hoor ik gepiep. Muizen? Ik doe het licht aan, schuifel naar de deur.

Kras.

Drup.

Piep.

Voor Karels kamer wordt het luider. Ik kijk binnen. Zijn hoofd ligt op zijn armen. Het geluid komt uit hem, heel zacht. Zijn schouders gaan op en neer. Misschien wil hij toch geen skelet worden.

‘Karel?’ vraag ik.

Zijn hoofd schiet omhoog. Hij kijkt achterom.

‘Wat doe jij hier?’ vraagt hij.

Hij wrijft over zijn ogen.

‘Niets,’ zeg ik.

Ik wrijf in mijn nek. Mijn kin trilt.

‘Ik bedenk wel iets,’ zegt hij.

Ik loop terug naar bed. Trek het laken over mijn hoofd. Mijn hart slaat snel, stopt soms. Dan slaat het twee keer achter elkaar, alsof het iets wil goedmaken.

De volgende ochtend hoor ik moeders stem, scherp, bijtend. Er valt iets. Ik loop de gang in, stop drie tegels voor de keukendeur. Ik gluur langs de rand. Op de grond liggen scherven. Moeder staat achter vader, armen gestrekt tegen de koelkast.

‘Godverdomme, Jan.’

Vader beweegt niet. Alleen zijn pupillen glijden naar rechts. Dan naar beneden. Ze draait zich om. Onder haar ogen hangen zwarte vlekken.

Ze ademt diep in. Haar schouders trekken omhoog.

‘Zeg iets, godverdomme.’

Niets. Ik wil schreeuwen. Naar hem. Naar haar. Maar er komt niets. Ze port zijn achterhoofd. Zijn hoofd zwiept naar voren. Dan terug. En nog eens, tot hij bijna de tafel raakt. Heen en weer, als een kapotte pop. Zijn gezicht doet niets. Mijn vingertoppen prikken. Mijn hals voelt warm, alsof er een hand op drukt. Moeder beukt haar voorhoofd tegen het zijne. Nog eens. Een doffe klap.

‘Kom terug,’ roept ze.

Haar handen knijpen in zijn schouders. Haar vingertoppen zijn wit. Ze spuugt op zijn hoofd. Een dunne speekseldraad blijft hangen. ‘Ik kan niet meer.’

Ze maakt een piepend geluid, als een ballon waar je langzaam de lucht uit laat. Vader legt zijn vingers op die van haar. Ze legt haar hoofd op het zijne. De koude muur drukt tegen mijn schouder. Mijn hart bonkt. Bonkt. Bonkt. Dan is het stil. Stil zoals wanneer ik mijn hoofd onder water houd.

Ik sluip naar zijn kamer. Neem zijn pyjama. Hij ruikt naar vader. Naar zweet en slaap. Ik trek eraan. Scheur hem. De stof kraakt. De knoopjes klepperen op de grond. Mijn armen trillen. Wat als hij nooit meer iets zegt? Misschien verdwijnt je stem als je lang niets zegt.

Die nacht komt Karel me halen. Ik ga naast vader staan. Hij ligt op zijn rug, handen gevouwen op zijn buik. Zijn mond hangt open. Hij snurkt, luid, als een stofzuiger. Moeder ligt naast hem, ze houdt hem vast alsof hij anders valt. De oplader ligt in het schaaltje waar ik niet aan mag komen. De kabel hangt als een touw.

Karel staat in de deuropening. 

‘Doe nu maar,’ zegt hij. ‘Zoals we hebben geoefend.’

Ik aarzel. Even. Neem de oplader. Hij voelt zwaar, alsof het meer dan een kabel is. Misschien is het dat ook. Ik kijk naar vaders voeten. Ga ik dit doen? Ik doe het. Ik buk en leg de oplader voorzichtig onder zijn hiel. Zoals moeder een handdoek onder me legt na het bad.

Karel komt naast me staan. Hij kijkt naar het bed. Naar vader.

‘Wanneer is hij opgeladen?’ vraag ik.

Karel legt zijn hand op mijn schouder.

‘Als het lampje groen wordt.’

Ik klem mijn schriftje tegen mijn hart. Bij honderd streepjes stop ik met tellen.

Over de auteur

Benoit van der Cruysse schrijft sobere, psychologisch gelaagde verhalen en gedichten. Zijn teksten onderzoeken hoe mensen overleven in verstikkende omstandigheden. Hij behaalde in 2025 de shortlist van de Editio Debutantenschrijfwedstrijd, de longlist van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd en won de Paul Mercken Aanmoedigingsprijs. Dit voorjaar wordt zijn werk gepubliceerd op Meander en Een Twee Powezie.

Over de illustrator

Sara-Noor ten Cate (2005) is illustrator. Ze vertelt graag beeldende verhalen over maatschappelijke onderwerpen omdat het belangrijk is dat ook moeilijke, delicate onderwerpen aan het licht komen en behapbaar worden gemaakt. Ze ziet illustraties als een taal die iedereen zou moeten kunnen verstaan en zet zich daar graag voor in. Haar maakproces begint altijd analoog voordat het digitaal wordt uitgewerkt.

Lees meer uit de categorie kort verhaal

Het kortstondige en niet geheel onaangename tijdsvacuüm van Boud Bakker

Door Henk van Straten

Door zijn rechterarm op de juiste manier in een hoek van negentig graden te houden, kon Boud Bakker zijn bicep als een ongeduldig molletje kopjes laten geven tegen de binnenzijde van zijn met Clinique anti-blemish solutions clearing moisturizer ingesmeerde huid. Gedurende de eerste twintig minuten nadat de intercity station Utrecht had verlaten en richting Assen […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen