kort verhaal

Een soort God

Door: Mike van Holsteijn
Beeld: Wommol

8 december 2021

Daniël. Toen ik mijn zoontje voor het eerst in mijn handen hield wist ik meteen dat hij deze naam moest dragen. Mijn vrouw vond het maar raar dat ik zo veel waarde hechtte aan de naam van een jongen uit mijn jeugd die ik om precies te zijn maar tien dagen heb gekend, maar uiteindelijk is het me toch gelukt haar over te halen.

De eerste keer dat Daniël – die van vroeger, dus – me aankeek, herinner ik me nog precies. Het studiejaar was net onderweg en mijn collegeblok lag klaar om te worden beklad met kennis die over een paar jaar in een kartonnen doos zou verdwijnen. Alle studenten luisterden naar de slepende stem van de professor toen de deur van de collegezaal openging en er een jongen binnenkwam.

Hij keek de zaal in. Iedereen staarde naar hem en de professor hield even op met praten. De jongen leek zich daar niets van aan te trekken. Zijn ogen gleden langzaam over de rijen mensen tot zijn blik bleef hangen bij een andere jongen die helemaal alleen boven in de hoek zat. Dat was ik.

Hij kantelde zijn hoofd een beetje toen hij me zag, alsof hij in een museum was en net zijn oog had laten vallen op een schilderij dat hij eens beter wilde bekijken. Ik was de figurant op de achtergrond en voelde me op een rare manier betrapt.

Toen de professor kuchte haalde de jongen zijn schouders op. Hij ging de rijen met banken langs en bleef uiteindelijk bij de mijne staan.

‘Hier is nog wel plek, geloof ik,’ zei hij. Ik maakte plaats voor hem en hij ging zitten.

Na een lang anderhalf uur gaf de professor ons leeswerk op en mochten we vertrekken. Ik had mijn spullen ingepakt en wilde al opstaan toen de jongen een hand op mijn schouder legde. Hoewel hij geen druk zette, was het alsof ik terug in mijn stoel werd geduwd.

‘Volgens mij moeten wij eens met elkaar praten. Ik ben Daniël,’ zei hij en hij stak zijn hand uit. Ik schudde hem.

‘Mike,’ zei ik en hij knikte, alsof die naam voldeed aan zijn verwachtingen.

‘Dan zie ik je vanavond.’ Hij noemde zijn adres en vertrok. Pas toen hij de zaal uit was realiseerde ik me dat ik de hele tijd was blijven staan om hem na te kijken.

Die avond stond ik om negen uur in zijn gang. Hoewel de voordeur van de studentenflat open had gestaan voelde het alsof ik had ingebroken. De deuren van de kamers waren beplakt met stickers en net toen ik me begon af te vragen hoe ik in godsnaam moest weten achter welke deur ik hem kon vinden, zag ik aan het eind van de gang de enige deur met een naambordje. daniël. Ik klopte aan en wachtte.

‘De kust is veilig,’ klonk het.

Ik weet niet wat ik precies van zijn kamer verwachtte, maar achteraf had ik me niets anders voor kunnen stellen. Zijn bed was netjes opgemaakt. Tegen de ene muur stond een boekenkast vol leren, stoffige kaften en aan de andere muren hingen portretten en foto’s van een man die ik niet kende.

Daniël zat met zijn rug naar me toe aan zijn bureau. Hij draaide een half rondje op zijn stoel en glimlachte naar me.

‘Mike,’ zei hij alleen, alsof hij mijn naam nog eens wilde proeven. Toen ik in de deuropening bleef staan en zweeg, wees hij naar niets in het bijzonder en zei: ‘Ga lekker zitten.’

Omdat ik nergens in de kamer een tweede stoel of een bank kon vinden nam ik plaats op het bed en keek om me heen. Daniëls blik prikte in mijn zij, maar ik durfde me vooralsnog niet direct tot hem te richten.

‘Je vraagt je zeker af waarom ik vond dat wij eens moesten praten,’ zei hij.

Ik moet eerlijk toegeven dat die vraag nog niet in me was opgekomen, hoe raar dat misschien ook klinkt. Toch knikte ik.

‘Bij sommige mensen,’ zei Daniël, ‘zie ik niet alleen de persoon zelf, maar tegelijkertijd ook alles wat hem heeft gemaakt tot wat hij is.’

De zin ging als een zeepbel de lucht in en bleef daar hangen. Ik keek toe hoe de kleuren in elkaar overliepen. Toen prikte Daniël hem lek: ‘Sommige vormen van rouw blijven eeuwig van een gezicht af te lezen.’

Weer voelde ik zijn ogen branden. De mijne hield ik strak gericht op het portret van de man aan de muur.

‘Wie is er overleden?’ vroeg hij.

‘Mijn moeder,’ antwoordde ik en ik schrok van mijn eigen stem. Eindelijk keek ik Daniël aan, maar nu keek hij door me heen, alsof er achter mijn ogen een interessanter universum verscholen lag.

‘Bij mij was het mijn broertje. Vier jaar geleden. Sindsdien kan ik feilloos de mensen aanwijzen die iets soortgelijks is overkomen.’

Ik dwaalde weer af naar het portret van de man. Hij was al wat aan de oudere kant, rond de zestig, had steil zwart haar dat net niet tot zijn schouders kwam en keek recht in de camera, met een blik alsof ik het enige voorwerp van belang op deze aardbol was.

‘Dat is Nick Cave,’ zei Daniël.

‘En wie is hij verloren?’ De woorden waren over mijn lippen gestruikeld voor ik echt begreep wat ik vroeg.

Daniëls mond glimlachte, maar zijn blik daalde naar de grond. ‘Een van zijn zoons viel van een klif in Engeland. Je ziet het aan hem, maar je hoort het ook in zijn muziek.’ Hij wees naar een andere foto, waarop de man op een podium stond en naar iemand in het publiek wees. ‘Dat doet hij soms,’ ging hij verder. ‘Voordat hij aan een nummer begint kijkt hij het publiek in, alsof hij naar iemand op zoek is. Hij maakt oogcontact, een beetje zoals op die andere foto, en dan wijst hij je aan en gaat spelen. Voor jou. Ik ben zelf nooit bij zo’n concert geweest, maar ik kan me voorstellen dat het voelt alsof je wordt aangeraakt door een soort god.’

Hij had dit alles gezegd terwijl hij naar de foto keek en ik naar hem. Ik weet nog goed dat ik me op dat moment afvroeg hoe het zou zijn om hem te kussen, om door hem gekust te worden, om misschien wel onze naakte lichamen tegen elkaar aan te voelen. Niet omdat ik plots op mannen viel, maar omdat dit een nieuw soort liefde was, een soort liefde die ik nog niet kende.

Hij pakte een plaat uit een van de kasten en zette de platenspeler aan. De kamer vulde zich met instrumenten die samen leken te smelten en de stem van de man op de foto. Daniël en ik luisterden terwijl Nick Cave de avond overnam. De muziek schraapte en sneed, schuurde en galmde door in mijn hoofd en bereikte een donker hoekje in mijn hart, ergens onder alle lagen hard geworden roest, waarvan ik was vergeten dat het ooit had bestaan.

Daniël is nooit op mijn kamer geweest. Hij heeft er nooit om gevraagd en ik heb het nooit aangeboden, omdat er op mijn kamer niet bijster veel te beleven was, en dus hebben we die tien dagen voornamelijk samen in zijn kamer doorgebracht.

Het was in die kamer dat we zo goed als het hele oeuvre van Nick Cave hebben beluisterd en hebben gepraat over alles wat in ons opkwam: de films die we onlangs hadden gezien en onze favoriete boeken (Ovidius’ Metamorfosen voor hem, No Longer Human van Osamu Dazai voor mij). Daniël zei dingen als: ‘Je kunt heel dichtbij zijn als je eigenlijk ver weg bent,’ en ik deed alsof ik dat begreep. Ik zei dingen als: ‘Soms wil ik niets liever dan verdwijnen,’ en dan zei hij dat ik loog en volgens mij had hij gelijk. We praatten over hoe mijn moeder aan kanker was overleden en hoe zijn broertje was aangereden en over hoe oneerlijk het was dat we daar niets aan konden doen en dat het soms onmogelijk leek om ooit weer te lachen, maar dat het nu eenmaal was zoals het was, maar ook dat zoals het was wel gewoon kut was, echt extreem en ongelooflijk kut.

Daniël moet wel ooit een keer voor mijn deur hebben gestaan, al heb ik geen idee hoe hij achter mijn adres was gekomen. We kenden elkaar inmiddels tien dagen en toen ik die middag na college thuiskwam zag ik een klein briefje op de deurmat liggen.

Kom vanavond om 22:00 naar de brug. Ik wil je iets laten zien.

D.

Ik wist over welke brug hij het had. We hadden daar een paar dagen eerder al een tijdje over de stromende rivier uit staan kijken. Hij leek toen iets te zien wat ik niet zag, maar ik had er niet naar gevraagd. Misschien zou hij het me deze avond uitleggen.

Om even voor tien kwam ik bij de brug aan. Daniël was er nog niet en dus leunde ik tegen de reling aan en wachtte. Na een kwartier was hij nog steeds nergens te bekennen. Ik begon net te vermoeden dat dit misschien een stomme grap van mijn huisgenoten was toen mijn telefoon ging. Daniël.

‘Waar ben je?’ vroeg ik toen ik opnam. Mijn hand trilde, maar koud was het niet.

‘Draai je om,’ zei hij.

Ik deed wat hij zei en staarde over het water.

‘Zie je me?’ vroeg hij. ‘Ik sta aan de overkant.’

En toen zag ik hem, een klein stipje op de volgende brug, een paar honderd meter verderop.

‘Wat doe je daar?’ vroeg ik.

‘Kijken,’ antwoordde hij. ‘Niets meer zeggen, alleen maar kijken.’

De lijn viel stil. Ik stopte mijn telefoon in mijn broekzak en leunde op de reling en volgens mij deed hij hetzelfde.

Dus daar stonden we. Hij op de ene brug, ik op de andere terwijl we naar elkaar staarden. Straks zou hij na ik weet niet hoe lange tijd zijn hoofd laten zakken, zich omdraaien en in de mensenmassa verdwijnen, zonder ooit nog iets van zich te laten horen. Ik zou uiteindelijk ook terug naar huis strompelen en de komende dagen zou ik hem proberen op te zoeken en eindeloos bellen, zonder succes. Ik zou langs zijn studentenhuis gaan en zijn huisgenoten zouden me vertellen dat hij van de ene op de andere dag zijn spullen had gepakt en was vertrokken en ze zouden niet weten waarom. Ik zou pas na een maand ophouden met zoeken en nooit meer iets van hem vernemen, maar toch zou ik de rest van mijn leven het gevoel blijven hebben dat hij nog ergens was, dat hij me vanuit de schaduwen gadesloeg om te kijken of alles nog goed met me ging. Op een rare manier zou ik hem nooit écht missen en toen er jaren later een kleine Daniël door het huis waggelde was het alsof hij nooit is weggeweest.

Maar nu stonden we daar nog. Hij en ik, gescheiden door water. Om ons heen voelde ik de mensen en de auto’s en de bussen en de wereld doorgaan zonder acht op ons te slaan, maar wij stonden stil en keken naar elkaar. Nee, we keken niet, we zágen elkaar en alles wat we waren. Ik wist dat hij me niet zou kunnen horen als ik alles wat ik in me had uit me zou proberen te schreeuwen, maar dat hij wel ongetwijfeld mijn pijn zou voelen. Op dat moment begreep ik wat hij had bedoeld toen hij zei dat je soms heel dichtbij kunt zijn als je eigenlijk ver weg bent. Daar op die brug, met de ogen van Daniël als die van een god eindeloos op mij gericht, hoorde ik de stem van mijn moeder ergens vanuit een donker hoekje weerklinken en barstte ik in tranen uit.

Over de auteur

Mike van Holsteijn (1999) is neerlandicus en uitgeefassistent. In zijn vrije tijd maakt hij de podcast <a href="https://verhalenvoorhetslapengaan.com&quot; target="_new" rel="noopener">Verhalen voor het slapengaan</a>, waarin hij zowel Nederlandstalige literatuur als zijn eigen schrijfsels voorleest. In 2018 gaf hij in eigen beheer de bundel <i>Van nog wat en alles</i> uit, een verzameling van verhalen, gedichten en hersenspinsels. Een soort god is zijn eerste publicatie in een magazine.

Over de illustrator

Wommol (1994) is een tekenaar uit Zwolle. Naast illustraties, maakt hij vooral strips. Dit doet hij meestal door middel van improvisatie. Ooit wilde hij drummer worden, maar hij werd niet toegelaten op de rockacademie in Tilburg. Zijn lievelingseten is gnocchi.

Lees meer uit de categorie kort verhaal

De Duellist: Panopticon

Door Bouke Schut

Voor onze themamaand De Duellist vroegen wij deelnemers het duel aan te gaan met zichzelf en hun tekst. Christoff wekte mijn wantrouwen toen hij zich tijdens de voorstelronde als ‘Columbus de veroveraar’ voorstelde. Hij keek triomfantelijk de klassencirkel rond en knipoogde naar me. Later op de dag zag ik hem high fives uitdelen in de […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen