Niemand, behalve ik
Door: Anna Wegloop
Beeld: Jeltje de Koning
28 april 2024
Je leven was op dat moment niet meer waard dan een vliegenpoepje. Je zat er gewoonweg helemaal doorheen. De dagen holden vooruit en sleepten je achter zich aan, en jij liet het maar gebeuren. Niemand, behalve ik, had je hieruit kunnen halen.
Je werd ’s ochtends bezweet wakker en ’s avonds begon je op het kleine balkon te roken. Aan je uiterlijk was niets te zien. Je was een meester in het verhullen van je eigen ongeluk. Een eigenschap waaraan je je briljante carrière te danken had.
Aan de ontbijttafel stootte je vaker je koffie om en bleef je zitten totdat de vlek op je broekspijp was afgekoeld. Maar dat het ongeluk zich alleen in kleine dingen uitte, betekende niet dat de uitwerkingen beperkt waren.
Je begon praatjes aan te knopen met winkeliers, pompbedienden, met kinderen van kennissen. Je nodigde wildvreemden uit om ze de mooiste plekjes van de stad te laten zien en sliep daarna met ze. Daarbij zwenkte je tussen de behoefte je te laten troosten en ze uit te lachen, waardoor je uiteindelijk duizeliger werd dan je al was. Je loog over je betrekking en je naam. Glas viel uit je handen.
Je weigerde jezelf als schuldige voor je ongeluk te zien, omdat je slechte eigenschappen haar niet verklaren konden. Je weigerde jezelf als slachtoffer te zien, omdat je niet onfeilbaar was. En omdat je niet in staat was een andere causaliteit te ontdekken, besloot je dat er geen verklaring voor je ongeluk bestond. Je begon elke vorm van causaliteit te ontkennen. Wanneer je struikelde, vroeg je je niet af hoe dat kwam, je zag geen samenhang meer tussen de dingen. Je stortte je met overtuiging in een reeks van toevallige gebeurtenissen. Een redelijke maar onhoudbare strategie. Alsof je probeerde een zwaar gas de atmosfeer in te pompen om te kunnen vliegen zonder vleugels. Je hebt je afgemat en was gevloerd geweest als je mij niet was tegengekomen.
Zoveel water stroomde door de goot, dat het in de putten onder de stoeprand slurpte. De regen was warm en dikke druppels gleden door je wenkbrauwen over je gezicht, in je mond.
Je benaderde mij behoedzaam. Maar ik was het die naar jouw kant van de straat overstak.
We liepen de stad door, langs de trambaan, de helling af, naar beneden, door stille buurten waar weinig mensen in grote huizen woonden, nog verder, terwijl de regen maar niet ophield en we weinig praatten, naar de grote stenen aan de kust, waar je alleen op blote voeten op kunt lopen, met onze schoenen en natte sokken in de hand. Je liet me de brug zien, die kapotgeslagen op de stenen lag, alsof ze was aangespoeld. Je pakte mijn hand, terwijl een plotselinge mist boven het water optrok. Op jouw balkon stond niets anders dan een kopje met peuken. Je liet me naast je op de grond plaatsnemen. We dronken wijn uit grote glazen, ver boven de stille binnenplaats, waar tussen de roestige fietsen miljoenen jaren oude varens groeiden.

De wijn was zwaar en rokerig en kleefde in onze mondhoeken.
Het werd avond, maar we aten niet. In plaats daarvan liet je me praten. Ik leunde tegen je aan en vertelde alles wat je horen wilde, en toen je wilde dat ik huilde, huilde ik. Daarna huilde jij, met je neus tegen je opgetrokken knieën gedrukt, kort, als een niesbui. Ik had met je kunnen doen wat ik wilde, ik had je van het balkon af kunnen duwen zonder dat je weerstand had geboden.
Je ging voor me staan, met je rug naar me toe, en stak een sigaret op. Je vertelde, dat je ziek was geworden tijdens een vlucht. De lage druk in de cabine had het snot in je bijholtes getrokken, en toen je met je hoofd naar voren leunde, drukte de vloeistof op je oogbollen. ’s Nachts was het snot op je kussen gelopen.
Je vertelde, dat het je niet om haar ging, en zelfs niet om al die anderen, die je vóór haar hadden verlaten, alsof ze allemaal in de rij voor een groot loket stonden. Jij was alleen de kwispelende hond, die om de een of andere reden in dat gebouw terecht was gekomen en maar wat rondsnuffelde. Die een aaitje over zijn kop kreeg. Het ging je erom, dat je elk van hen een stukje van je binnenste gegeven had. Niet van je hart, maar van een ander, minder vitaal orgaan, misschien je alvleesklier. En dat het verschrikkelijkste was, dat zij zich voorover hadden gebukt, en het van je hadden aangenomen.
Om eerlijk te zijn ging het mijn ene oor in en mijn andere oor uit.
Toen we in bed lagen, wist je mijn naam nog niet. Je liet je in mijn pupillen vallen en je zij werd zacht, blijk van je welwillendheid je te laten gaan. Ik vulde de nacht met scenario’s en verklaringen. Met mijn eigen gevoelens. Ik deed wat ik kon.
Mensen geloven wat ze willen geloven, zei je. Maar niet als antwoord, niet op jezelf betrokken, maar alsof ik in iets geloofde wat er niet was.
Er zijn dingen waarvan je weet dat je ze nooit meer vergeten zal, zodra je ze hoort. Die de hersenen meteen internaliseren. Of is het de gedachte zelf die zich inkapselt?
Zelfs als afschuw nieuwsgierigheid overheerst, voel je hoe zulke informatie onherroepelijk in je wordt gegrift. Je onthoudt dat je op de halsslagader moet drukken om zuurstoftoevoer naar de hersenen te blokkeren. Je onthoudt, als klein kind nog, wat je ter ore komt over seks.
Hoe weet het lichaam instantaan deze kennis later nodig te hebben?
Met volle teugen zoog je op wat ik zei, zonder mij werkelijk waar te nemen terwijl ik de tranen uit je ogen likte. En toen ik beneden door de varens heen liep, en over verroeste fietsen struikelde, was je mij allang vergeten.
#
Over de auteur
Anna Wegloop is in Amsterdam geboren en woont in Duitsland. Korte verhalen van haar verschenen in het tijdschrift Kluger Hans en bij Fischer Tor online. In 2020 publiceerde Büchner-Verlag haar strijdschrift “Wir ist!” als mini-boekje. Meer informatie op <a>www.wegloop.de</a>
Over de illustrator
Jeltje de Koning (zij/haar) is een illustrator uit Utrecht. Ze geeft kleur en vorm aan ons gevoelsleven: hoe we liefhebben, lachen, huilen, vieren, rouwen, stilstaan, reflecteren en weer doorgaan. Gevoel, emotie en interpersoonlijk contact staat centraal in haar werk. Wat zie je als je verder kan kijken dan dat er op het eerste ogenblik zichtbaar is?
Lees meer uit de categorie kort verhaal
Geen beweging – deel 6
Door Corinne HeyrmanCorinne Heyrman maakte wekelijks radio in de gevangenis in de Begijnenstraat in Antwerpen binnen het project Radio Begijnenstraat. Op basis van haar bezoeken schreef ze een feuilleton in zes delen. We publiceren hieronder het zesde en laatste deel. Radio Begijnenstraat is een project van hell-er vzw i.s.m. het zorgteam van de gevangenis van Antwerpen en […]