Vreemde grond
Door: Maaike Hartog
Beeld: Kato Kagenaar
15 juli 2024
‘Mama snel, doe de deur op slot!’ Olaf struikelt naar binnen, het slot knalt tegen de deurpost.
‘Hé voorzichtig!’ De lepels kletteren uit mijn hand op de eettafel. ‘En het is allang donker, wat had ik gezegd?’
‘Er is iets buiten, snel de sleutel!’ Hij springt op en neer; zijn jas en spijkerbroek zitten onder de modder en hij mist een laars.
‘Olaf, hoor je me?’
Hij trekt zijn ene laars uit en hobbelt op zijn natte sokken over het laminaat. Voordat ik hem kan tegenhouden, grijpt hij de sleutelbos van het kastje.
‘Terug op de mat!’ Ik duw tegen zijn schouder, hij schudt mijn hand weg. ‘Ik meen het! Hier met die sleutels of je mag straks geen Freek Vonk kijken!’
Hij gooit de sleutels op de grond.
‘Is het klaar nou?!’ zeg ik. ‘Trek die vieze troep uit. En waar is je andere laars?’
Hij hijst zich uit zijn jas. ‘Het ding heeft ‘m gepakt.’
‘Welk ding?’
‘In de modder. Het monster.’ Hippend op één been sjort hij aan zijn broek. Hij botst tegen de laars aan, die omvalt en een plas water uitbraakt.
‘Kijk wat je doet!’ Mijn hand schiet uit; bijna geef ik hem een klap. Ik schrik van mezelf. Snel grijp ik de dweil en gooi die op de natte plek. Ik pak de vieze kleren op en loop de kleine woonkamer uit. In het halletje stoot ik mijn teen tegen een stoeltje. Het botst met een smak tegen de kist met wanten en sjaals.
In de badkamer leun ik tegen de muur. Warme tranen en koude tegels. Een half jaar geleden kreeg ik eindelijk dit appartement toegewezen. Het had een nieuwe start moeten zijn. Op schooldagen kan ik ademhalen, maar tijdens de vakanties is het huis een verstikkend mierennest. Met mijn duim streel ik de natte spijkerbroek. Dan ga ik rechtop staan, zet het korte programma van de wasmachine aan en haal in Olafs slaapkamer schone kleren.
‘Hier lieverd, en sorry dat ik tegen je schreeuwde.’
‘Mag ik nu Freek kijken?’
We eten eerst de krieltjes en de stoofpeertjes die ik vanmiddag heb klaargemaakt, een kerstmaaltijd voor anderhalf persoon. Olaf kijkt bezorgd naar de gordijnen die voor de deur hangen. Hij vertelt dat hij in de klimboom speelde, die ene vlakbij de weg. Onderweg naar huis gleed hij uit in het modderige veldje. Toen hij overeind krabbelde, werd zijn laars vastgegrepen.
Een spier in mijn been begint te trillen. Ik neem een slok water en leg uit dat kleigrond je kan vastzuigen als het nat is. Olaf is niet overtuigd, maar hij kent het platteland ook niet. Wat hij kent is ons grote huis in de stad. Hier op de rivierklei moeten we ons leven van de grond af aan opbouwen; hier storten we vrachtwagens vol zand om niet weg te zakken.
De regen striemt alweer tegen de ramen. Olaf heeft maar één paar laarzen; regenboogkleurig, vorige week gekocht. Ik zet hem achter ‘Freeks wilde wereld’. Ik heb tien minuten, als ik doorloop haal ik het net.

De wind grijpt de deur vast, met moeite trek ik hem achter me dicht. Ik zet mijn capuchon op tegen de regen die in mijn gezicht slaat. Het lampje van mijn telefoon schijnt vanuit de mouw van mijn regenjas op het pad van houten pallets langs de deuren. Na de pallets loop ik voorzichtig over de roestige platen van de bouwweg en langs een enkele lantaarnpaal met daaronder een glimmende graafmachine. De straatlantaarns van de provinciale weg en de lampen van de auto’s die langsrazen schijnen door de regen. Ik stap van de bouwweg af. Direct waad ik door een laag water.
Hier is de greppel met de rioolbuis voor het volgende blok huizen. Moeizaam loop ik in de richting van de klimboom. De modder onder mijn voeten leeft en lokt me met de geur van rottend gras. Klei wordt geboren uit water, strekt zich vruchtbaar uit langs de oevers. Wanneer het opdroogt, begint het te barsten. Alles wat het land beroert, laat zijn sporen na in de harde grond. Kind, burn-out, echtscheiding.
De wind overstemt het geluid van de auto’s, de lantaarnpalen zijn niet meer te zien in de regen. Mijn lichtje vindt alleen nog ondergelopen grasland. Ik wil verdwijnen, zacht worden en terugstromen naar de rivier. Mijn haar plakt tegen mijn voorhoofd; mijn jas geeft de strijd tegen het water langzaam op, mijn armen worden nat.
De telefoon piept, het lampje gaat minder fel schijnen. Ik kijk op. Op een paar meter afstand staat een man die mij met wijd open ogen aanstaart. Hij heeft een ruige baard en draagt een platte pet. Zijn mond staat half open. Ik zet een paar stappen achteruit.
‘Wat mo’j hier, woar is oe kienje?’ Zijn stem klinkt schor.
Ik knipper de regendruppels uit mijn ogen en richt het zwakke schijnsel van mijn telefoonlichtje op de man. Langzaam loopt hij op me af. Zijn klompen plonzen gedempt, zijn bruine jas en broek zijn doornat. Ik wil me omdraaien en wegvluchten, maar dan zie ik iets glimmen; een regenbooglaarsje bungelt tussen zijn duim en wijsvinger.
Hij staat nu vlak voor me en brengt zijn hand omhoog.
Ik pak het gladde rubber beet. De man laat niet los. Eeltige vingers raken de mijne, zijn jas stinkt naar koeienmest. Zijn kleine ogen pinnen me vast. Zweet prikt in mijn handpalmen.
Onder zijn baard beweegt zijn mond, ‘Ge hebt hier niks te moaken.’ Hij duwt het laarsje in mijn hand, spuugt een rochel voor mijn voeten en plonst weg.
Opgelucht leun ik met mijn handen op mijn knieën. De regen valt minder hard. Op mijn telefoon zie ik dat ik nog twee minuten heb tot Olaf klaar is met de aflevering van Freek. Dan pas realiseer ik me dat de oude man wegloopt in de richting waar ik vandaan kwam. Ik stap achter hem aan door de diepe plassen. Als ik weer opkijk, is hij nergens meer te bekennen. Ik hoor de auto’s weer rijden en ik zie de rioolbuis. Zo snel ik kan, loop ik naar de bouwweg.
Grote modderige voetstappen op de metalen platen. Het laatste stuk naar huis ren ik.
Ik struikel naar binnen en draai de deur op slot.
Olaf schrikt en schreeuwt.
Ik spring op hem af en klem hem tegen me aan. Hij blijft gillen en duwt me van zich af.
‘Ik ben het,’ zeg ik. Mijn natte haren vallen over zijn wangen.
In mijn armen zakt hij weg. ‘Ik dacht…’
‘Het is oké, lieverd, we zijn veilig.’
Hij spartelt, probeert van de bank te klimmen; ik laat niet los. Regendruppels rollen langs het raam naar beneden. De huizen tegenover ons zijn nog niet bewoond en staren met holle ogen voor zich uit. Een witte plastic zak waait tegen een stapel straatstenen aan. Elk moment verwacht ik dat de oude man nog tevoorschijn zal springen, zijn vingers gespreid tegen het raam, zijn varkensoogjes wijd opengesperd. Maar in het donkere glas zie ik alleen mijn eigen gezicht.
Over de auteur
Maaike Hartog (1986) woont in ecodorp Zuiderveld en werkt aan haar eerste roman. Ze heeft gewerkt in de internationale ontwikkelingssector, en later als vrijwilligerscoördinator in het Verenigd Koninkrijk. Ze schrijft over de relatie tussen de mens en het land.
Over de illustrator
Kato Kagenaar (1999) groeide op in Zuid-Limburg en woont nu in Utrecht. Ze is illustrator, mede-oprichter van het feministische kunstcollectief HALFNAAKT en is Chef Illustratie van Hard//hoofd. Ze maakt kunst, leest graag boeken, gaat veel naar de film en zingt in een koor.
Lees meer uit de categorie kort verhaal
De Surrealist: Een hond uit Andalusië
Door Pieter DriftSpeciaal voor De Surrealist, onze themamaand, schreef Pieter Drift een kleine maar mooie hommage aan de bekende surrealistische film Un chien Andalou (1929) van Luis Buñuel en Salvador Dalí. De film zou een aaneenschakeling zijn van beelden die ze de nacht voor de filmopnames hadden gedroomd.