Vis
Door: Michael Kaptein
Beeld: Eva van Brummelen
10 april 2025
Hij was laat, toch stond hij stil op de drempel. De hemel was één vormloze massa wolken, de dreiging van een stortbui constant in het grauw verscholen. Hij keek omlaag. Daar lag iets, nat en glibberig alsof het uit die massa wolken naar beneden was gestort. Hij keek op, staarde naar de hemel, knipperde met zijn ogen en vroeg zich af of hij wel koffie had gehad. Toen hij weer naar beneden keek, lag hij er nog steeds: een vis, een hele vis, zo groot als zijn arm.
Toch ging alles zoals het altijd ging. Hij kwam op het werk aan, manoeuvreerde langs korte knikjes en een gemompeld ‘môgge’, gleed zo geruisloos mogelijk achter zijn bureau, opende zijn mailbox en begon het kwartier dat hij te laat was direct te compenseren met geestdriftig tikken en klikken. De wereld om hem heen werd een stroom toetsenbordgeratel en flarden telefoongesprekken. Iedereen was druk bezig de jaarcijfers van 2024 zo gunstig mogelijk in matrixen te persen, zodat hun opdrachtgevers tonnen belastinggeld terug konden winnen. Met zijn achtentwintig jaar was hij de jongste telg, er voortdurend van doordrongen dat zijn naam en faam in de firma nog maar minimaal waren, en dat hij voor iedere fout tot achter de komma afgestraft zou worden. Gelukkig verliep alles voorspoedig. Hij werkte zeker zestig uur per werk, was nog nooit op een misstap betrapt en kreeg van niemand commentaar.
Alleen de vis was een stoorzender. Dat gewicht dat hij sinds vanochtend aan zijn rechterarm voelde hangen, ook al had hij het beest de kliko in gezwaaid. En die afgrijselijke geur die nog altijd rond zijn vingers zweemde, ondanks driemaal wassen met antibacteriële zeep. Hij kon het niet laten steeds zijn vingertoppen te besnuffelen en dan om zich heen te kijken om te zien of zijn collega’s niet als speurende konijnen kopjes in de lucht gaven.
Maar iedereen gedroeg zich normaal. Niemand schonk hem aandacht. Toen het hele team tijdens de lunchpauze ging wandelen, werd hij niet meegevraagd, zodat hij wel moest concluderen dat alles nog hetzelfde was en dat hij zorgen had om niets. Nu kon hij rustig door wat debiteuren scrollen en tegelijk een boterham eten. Zijn linkerhand was getraind om blind zijn tas in te graven en daar met twee vingers langs de rand van zijn broodblik te tasten, tot het klikje klonk en hij het eerste sneetje vond. Alleen was het zo vervelend dat hij weer langs op drift geraakte jam moest glibberen voordat – met een gil sprong hij op. Aan zijn vingertoppen kleefde doorzichtig slijm. Met zijn rechterhand klemde hij zijn linkerpols vast, terwijl zijn ogen vlug door het kantoor schoten. Nee, er was echt niemand. Niemand had hem gehoord. Maar wat zat er in godsnaam…
Opgerold in zijn broodblik lag een langwerpig beest
Opgerold in zijn broodblik lag een langwerpig beest, zijn scherpe tanden verstild in een grijns. De huid was nog nat. Een paling, een murene, zoiets? Na een tiental seconden deed hij resoluut zijn broodblik dicht, beende hij door het kantoor en ging hij via de gang naar het toilet, waar hij het beest wegspoelde zoals hij ook iedere dag met zijn drol deed. Hij waste zijn handen driemaal en ging weer achter zijn bureau zitten. Met extra fanatisme controleerde hij de crediteuren ook.
De middag verstreek. In zijn geest had hij de vissen tussen zeewier weggestopt, daarna een uur of twee in een spelonk verborgen en nu op grote diepte laten zakken, waar een trog zonder bodem al het ongewenste opat. Het werk ging door, als altijd. Hij zou wel weer na achten thuis zijn.
‘Heb jij die cijfers van IKAN van 2024 paraat toevallig?’
Een collega. Waarom vroeg die ineens iets aan hem?
‘Ja, ja er was een flinke paling,’ stamelde hij.
‘O, mail ze gewoon maar even hoor.’
De collega liep terug naar zijn werkplek. Had hij niets gemerkt? Hij voelde zijn hart tot in zijn vingertoppen kloppen. Werken, hij moest gewoon maar blijven werken. De werkdag zou vanzelf ten einde komen.

De volgende dag strompelde hij zijn bed uit, vermoeidheid nog als lood in zijn ledematen, liep de badkamer in en trok aan het douchegordijn. Palmbomen schoven tegen elkaar. Een grote, witte vleesflap sloeg met een klets op zijn voeten. Hij deinsde achteruit. De bak werd volledig door een breed lichaam ingenomen. Tegen de tegels plakte een tweede flap.
Hij liep naar de gang, zijn smartphone trillend in zijn handen. Een rog? Een manta. Een reuzenmanta? Ja, dat was het. Die twee uitsteeksels aan de kop. Twee meter, drie meter breed. Niet eens de grootste.
Hij begon aan de flap te trekken. ‘Jezus…jezus zeg’, zei hij keer op keer. Het beest verschoof niet. Hij gaf het op en begon weer door de gang te benen. Met een broodmes? Of een zaag? Paste dat allemaal nog in de kliko? God, hij moest maar gewoon gaan werken. Het douchen overslaan, snel een washand langs zijn oksels halen en de gel van gister uit zijn haar kammen. Wie weet was het ding wel weg als hij terugkwam. Zat het niet gewoon tussen zijn oren?
‘s Middags zat hij om een ovale tafel, samen met twee vrouwen en veertien grijzende mannen. Bij een enorm touchscreen stond zijn manager. Zijn wijsvinger bewoog over tabellen vol cijfers. ‘Ik weet dat het last-minute is, maar het is een grote opdrachtgever. Als we met z’n allen flink ons best doen, kunnen we hem nog naar binnen hengelen.’
Goed zo, dacht hij. Meer werk. Meer redenen om tot laat op kantoor te blijven, om niet thuis te komen. Hij voelde zich nog steeds van slag. Het enige dat hielp was werken. De hele ochtend had hij zijn blik strak op zijn beeldscherm gehouden en tijdens de lunch had hij zijn brood niet aangeraakt. Zo had hij afleiding en voelde hij dat rammen van zijn hart niet steeds. Desnoods rolde hij ’s nachts een matje onder zijn bureau uit. En als zijn douche toch vol met vis lag, kon hij net zo goed hier zijn oksels wassen.
‘Het is een groothandel zei je,’ vroeg een collega aan de manager. ‘Waarin eigenlijk?’
‘Vis. Leverancier in heel Europa.’
Zijn schreeuw deed iedereen aan tafel opveren.
Een half uur later liep hij op straat.
‘Ga naar huis, neem morgen maar vrij’, had zijn manager gezegd. ‘Moet iemand je wegbrengen?’
‘Nee, nee het gaat wel. Ik moet gewoon eens vroeg in bed duiken.’
Eenmaal buiten keek hij naar het uitspansel, dat nog steeds zo grauw als de dag ervoor zag en kolkte als een woeste zee. Wat lag er daar verscholen? Potvissen die met een rotgang naar beneden zouden suizen? Walvishaaien die hem zouden pletten als een mier? Hij schudde zijn hoofd, keek weer naar beneden en zocht het nummer van de huisarts op.
‘Ik heb een probleem. Het is…ik heb een probleem met…’
‘Wat is uw geboortedatum?’ onderbrak de assistente hem.
Hij gaf zijn geboortedatum.
‘En waarmee kan ik u helpen?’
Hij zag zichzelf zitten in de spreekkamer. Waarmee konden ze hem helpen? ‘Ze duiken overal op. In mijn broodblik, in mijn badkamer, zelfs in de vergadering. Zo is het niet te doen, dokter. De vissen blijven komen!’
‘Meneer? Kunt u zeggen wat er aan de hand is? Waarmee kan ik u helpen? Wilt u een afspraak voor het spreekuur?’
Hij hing op.
Oké dan. Oké. De Kruidvat, daar kwam hij toch langs. Valeriaan. Maximaal vier per etmaal – dus vier tegelijk maar. Hij slikte ze door met een sportdrankje en begon naar huis te lopen. ‘Je moet slapen. Gewoon eens flink slapen, dan gaat het weer beter. Dan gaat het weg’, mompelde hij. ‘Het zit tussen de oren. Allemaal tussen de oren.’
Een dikke vleesflap stak onder het douchegordijn door
De voordeur ging moeilijk open. Er lag iets achter. Hij herkende het beest direct. De scherpe vinnen, de speervormige snuit die tot in de keuken doorliep. Vier meter lang. Vroeger had hij een multomap met een marlijn erop. ‘Zie je wel, tussen de oren. Het is niet echt. Ik ben de weg kwijt’, zei hij, terwijl hij een grote stap over het beest zette, tot aan de eerste traptrede. Hij werd al suf, zijn spieren voelden meer en meer als natte stukken rubber. De badkamerdeur stond nog op een kier. Een dikke vleesflap stak onder het douchegordijn door. ‘Morgen is alles weg’, fluisterde hij. Zonder zijn kleren uit te trekken, liet hij zich op bed vallen. De diepte in. Een Marianentrog vergetelheid. Dromen waarin hij zelf een vis was, dobberend in het warme water van een tropisch aquarium.
Toen hij wakker werd was het donker. Bleek maanlicht door het raam. En iets dat op zijn borst drukte, iets dat hem bijna plette. Met één hand reikte hij naar het nachtkastje. De lichtbundel van zijn telefoon zwaaide door de kamer. Tentakels hingen over zijn bedrand. Een gigantisch oog, zo groot als zijn vuist, staarde hem aan. Water droop over zijn gezicht, zijn lijf, zijn bed. Hij kon bijna geen adem krijgen.
Het raam stond op een kier. Hij kon om hulp roepen, misschien was er iemand op straat. Maar wat als hij gevonden werd?
God, wat was dat ding zwaar.
Misschien kon hij googelen. Lastiggevallen door diepzeewezens. Plotseling door vissen overspoeld. Maar zijn hand was te nat. De smartphone glibberde uit zijn hand.
Roepen moest hij, snel voordat hij geen lucht meer had. Er klonk alleen een zacht gehijg, dat hij volhield tot er zwarte vlekken voor zijn ogen kwamen.
Goddank, dacht hij, terwijl hij langzaam wegviel. Goddank, ik hoef dit niemand uit te leggen.
Over de auteur
Michael Kaptein (1981) won in 2024 de Indie Award voor Beste Boek met zijn post-apocalyptische roman De Schepping van Michael. Daarvoor publiceerde hij in verschillende literaire tijdschriften, o.a. De Optimist, Tijdschrift Ei, Tijdschrift Landauer en Virusverhalen. In 2020 behaalde hij een tweede plek bij de Harland Awards, Nederlands grootste schrijfwedstrijd voor speculatieve fictie.
Over de illustrator
Eva van Brummelen (2000) is illustrator. Ze is gefascineerd door allerlei onderwerpen zoals wetenschap, eten en natuur. Ze tekent het liefst kleurrijke prenten waarop veel gebeurt. Door te spelen met schaal en compositie is haar werk speels en vaak ook grappig.
Lees meer van Michael Kaptein
Willem
Door Michael KapteinOp de morgen van achttien maart, een woensdag, vond Jona – een achtendertigjarige, werkloze en aan neerslachtigheid en pleinvrees lijdende man – in een stoffige en lang niet bekeken hoek van zijn appartement een mensje. Een mannetje ter grootte van Jona’s hand, van de top van zijn wijsvinger tot aan zijn pols, volledig naakt. Hij […]
Lees meer uit de categorie kort verhaal
Bloedhonger
Door Barry HofstedeBarry Hofstede schreef misschien wel het smerigste verhaal dat we tot nu toe publiceerden. Volg de krankzinnige kronkels van een man die door de nacht dwaalt op zoek naar een slachtoffer. Of is hij dat zelf…? Niet lezen vlak voor, tijdens of na het eten. Wel lezen: vlak voor het slapengaan. De bijpassende illustratie is van Petra Verkades hand.