De Imaginist kort verhaal themamaand

Eindhalte

Door: Bavo Verhaegen
Beeld: Luna van der Straaten

22 januari 2026

‘Het is de laatste, en dat weet je,’ fluistert Hugo in Davids rimpelige oor. David zoent Hugo op zijn neus vooraleer hij zich terug onder de lichtblauwe lakens verstopt. Walk On By van Dionne Warwick weerklinkt nog zachtjes uit de wekkerradio naast het bed. Het is kwart over vier. Hugo wandelt naar de badkamer om zijn tanden te poetsen, zijn das te knopen en zijn paar resterende grijze haren achterover te kammen. In de spiegel telt hij de wallen onder zijn ogen.

‘Ik heb gereserveerd om 19:00 uur vanavond,’ mompelt David vanuit de slaapkamer, zijn ogen alweer gesloten.

Hugo glimlacht via de spiegel naar zijn lief. Dionne Warwick is ondertussen uitgezongen en de nacht is, op een toeterende auto na, weer volledig stil. Hugo wikkelt David in de dekens, kust zijn voorhoofd en vertrekt.

Samen wonen ze al meer dan vijftien jaar op drie hoog in een klein appartement in de Paleizenstraat, schuin tegenover een Roemeens-Orthodoxe Kerk. Ze leven volgens een strak schema waarin de taken eerlijk verdeeld zijn. David heeft in al die tijd nog maar zelden de vuilniszakken buiten gezet, terwijl Hugo met zijn fikken van de vaatwasser blijft. Op maandag, woensdag en vrijdag is het David die kookt, de andere dagen neemt Hugo iets mee van aan de halte waar hij zijn shift eindigt. Als er tijd is, tafelen ze graag tot sluiting in ‘t Potverdoemmeke aan het park, waar ze de tomatensaus bij Hugo’s scampi’s extra pittig kruiden.

Ze hadden elkaar in de buurtwinkel leren kennen, zo’n twee straten verderop. Hugo kwam twintig cent tekort voor een bakje aardbeien. Nog geen halfjaar later tekenden ze het contract voor hun appartement. Het eerste wat Hugo ophing in hun nieuwe thuis was L’étoile matinale van Joan Miró, een surrealistische sterrenhemel in A3-formaat boven het hoofdeinde van hun bed. David heeft het altijd maar een fletse tekening gevonden, een kleurenpalet dat deed denken aan kots met hier en daar een zwarte streep. Toen David vroeg waar het schilderij vandaan kwam, zei Hugo vaak ‘gewoon’, tot hij er vanzelf over ophield.

Hugo verlaat zijn appartementsgebouw, en aan het nog gesloten Zennepark hoort hij een thuisloos iemand ‘monsieur’ roepen in zijn richting. Gisteren riepen enkele kinderen nog hetzelfde, terwijl ze ongeduldig wachtten tot hij hun basketbal terug in hun richting wierp. Toen kon er een glimlach en een kunstje vanaf. Vandaag lijkt hij te gehaast en kijkt hij de andere richting uit. Twee straten verder salueert de eigenaar van de superette vrolijk naar Hugo wanneer die binnenwandelt. Voor een muntstuk van twee euro krijgt hij bij zijn gevulde thermos nog een stukje fruit naar keuze.

‘Courage, chef.’

Het felle witte licht van de winkel staat in schril contrast met de warme glimlach van de eigenaar, van wie Hugo elke ochtend dezelfde motiverende spreuk meekrijgt. Buiten is verder niemand, exact zo wandelt Hugo het liefst naar zijn werk.

Tot vijfentwintig jaar geleden begon hij zijn dagen met het opruimen van sigarettenpeuken en halflege glazen kalimotxo in zijn leeggelopen cocktailbar. In Ensanche, het zelfverklaard roemrijke zakendistrict van Bilbao, hield hij samen met zijn buurjongen Francis een zaak open. Ze kenden elkaar vanaf dat ze konden spreken. Ze wandelden samen naar school en zaten samen in de muziekles. Hugo oefende accordeon, Francis deed alsof hij gitaar speelde. Hugo hielp Francis met zijn Engelse lessen, Francis overtuigde Hugo om spijbelend mee naar het strand te gaan.

Het was routineus en met momenten ondankbaar, hard werk in de cocktailbar, maar de genereuze fooi van dronken Duitse zakenlui maakte veel goed. De omgeving veranderde constant. Het Guggenheim werd gebouwd, en Hugo kon nooit wennen aan deze abstracte blikken doos vol schubben. Torenhoge vijfsterrenhotels dreven de lokale bed and breakfasts de buitenwijken in. Kleine ijssalons maakten plaats voor iets wat bussen vol Amerikaanse toeristen Slushies noemden. Zijn favoriete boekhandel, een krakkemikkig kelderzaakje dat werd uitgebaat door een 75-jarige vrouw van maar net 1 meter 40, verkocht de inboedel en zij keerde terug naar haar geboortedorp. Het werd een souvenirshop waar alle I <3 Bilbao petjes permanent in korting waren.

Nu mag Hugo zijn laatste werkdag starten op lijn 93; ¡Su favorito! De lijn waarop ritten vaak perfecte golven maken. Een handvol mensen vertrekt samen met hem, vaak vermoeide gezichten, pendelaars met energiedrankjes in hun achterzak, nog duidelijk niet bekomen van hun vorige shift. Halverwege kunnen de deuren nog amper dicht, wanneer mensen met aktetassen en buggy’s de doorgang blokkeren. Aan de eindhalte eindigt hij vaak met Franstalige kunststudenten en bellende kostuums die bij een of andere ambassade werken. Tendensen die hij kan voorspellen naarmate de dag vordert, ook al weet hij dat ook deze golven zelf niet beslissen hoe hoog ze komen.

Tram 93 doorkruist Brussel bovengronds, van de functionele woonwijken aan het Koning Boudewijnstadion via het centrum naar de kalme residentiële buurten rond het Ter Kamerenbos, een plek waar Hugo vaak in pauze gaat. Hoge bomen waartegen studenten leunend thrillers lezen, vijvers waaraan kinderen gesprekken met eendjes voeren, eekhoorns die tussen fietsers de straat oversteken. Het Ter Kamerenbos is voor hem het Montefuerte van het vlakke land. De groene long van de stad waar hij met voldoende verbeelding kleine slierten Spaanse lucht van kan inademen. In de kwarteeuw dat hij in België woont, is hij hier nog maar een handvol keer met David geweest. De laatste keer dat hij hier alleen naartoe vluchtte, was na een ruzie met David. In een muziekwinkel bleef hij eindeloos naar een accordeon staren, en toen David hem er iets over vroeg, noemde hij hem per ongeluk Francis.

Er stappen vier mensen op. Drie klaar voor het werk, één iemand klaar voor bed. Voor hij aanzet licht een sms van David het scherm van zijn smartphone op: ‘Nog een laatste keer: Veel succes! Bonne chance! ¡Buena suerte! <3’

Nog voor Hugo de knoop had doorgehakt of hij na zijn studie überhaupt een cocktailbar wilde openhouden, had Francis hun beide namen al onder een overeenkomst gezet. Ook de aankleding van de zaak, de blauw-rode neon kitsch incluis, was al volledig toen Hugo in een meubelzaak een paar stoelen op het oog had. Toen Hugo later die dag arriveerde in hun nieuwe pand, vond hij zijn accordeon terug in de kelder, verstopt achter een stofzuiger en een paar gebroken barkrukken.

‘Als we op jou moesten wachten, waren we volgend jaar nog niet open,’ grapte Francis in de week voor de opening. ‘Zorg jij ervoor dat alle lichten werken?’

In een muziekwinkel bleef hij eindeloos naar een accordeon staren, en toen David hem er iets over vroeg, noemde hij hem per ongeluk Francis

De ochtend wordt al snel de voormiddag, en Hugo behandelt zijn werkdag alsof er nog vele zouden volgen. Een dunne glimlach wanneer mensen opstappen, een routineus handgebaar wanneer er een collega passeert in de tegenovergestelde richting, de deuren nogmaals openen voor laatkomers die door rode lichten lopen om nog op zijn tram te klimmen. In het centrum wordt hij afgelost en opgewacht door vier collega’s voor een verrassingslunch. Een portie tapas voor hun Brusselse Bask. En ook al serveren ze waar hij vandaan komt voornamelijk de beleg- brood- en prikker-combo pintxos in plaats van tapas, toch proeft hij bij elke hap een klein beetje Bilbao. Soms nostalgisch zout, meestal bijzonder bitter.

Zijn collega’s omhelzen hem aan het einde van de lunch. ‘Dans deux semaines trakteert de chef,’ gniffelt Dounia, de collega die Hugo het meest gaat missen. Toen hij jaren geleden had gesolliciteerd, begeleidde zij hem op zijn eerste rit met de oefentram. ‘Waarschijnlijk een boeket bloemen van de markt en een fles uit de Comarché.’

Een afscheidsfeest. Grote festiviteiten kunnen Hugo meestal gestolen worden, maar David overtuigde hem dat hij tien minuutjes spotlight moet kunnen verdragen, en eigenlijk ook wel heeft verdiend. Het liefst van al schuift hij zonder veel gedoe zijn voeten onder tafel waar ze zonder opkijken zijn naam al kennen. De plek waar de lookgeur Hugo via het venster al tegemoet komt, waar hij met David hun tinnen huwelijk vierde.

Het tweede deel van zijn shift zit hij met zijn gedachten overal behalve op de baan. De zon, weerkaatst door enkele kantoorgebouwen, brandt op Baskische wijze op zijn aangezicht, en om de haverklap hoort hij iemand Spaans spreken. Hij blijft hangen op de blauwe en rode sterren op de rugzak van het meisje dat uit het raam kijkt, hoe deze heen en weer dansen wanneer ze enthousiast opstaat om uit te stappen.

Hugo verdwijnt bijna in zijn achteruitkijkspiegel, vergeet zo bijna al de verkeersregels. Een koppel op een fatbike komt met de schrik vrij.

De deuren gaan open, en hij wordt uit zijn roes geschud wanneer een slechtziende man van middelbare leeftijd zorgzaam op zijn raampje tikt.

‘Richting Jules de Trooz?’

Een labrador op leeftijd volgt voorzichtig de man mee het voertuig in. Hugo bevestigt. ‘Wilt u graag dat ik iets zeg wanneer we er zijn?’

De man gebaart dat het wel goed zit en installeert zich in een eenzit tegen het raam. De zwarte viervoeter rust in stilte aan de voeten van de man.

Francis verklaarde elke avond in de cocktailbar al een succes nog voor ze open gingen. Hugo was voorzichtiger en telde nog drie keer de rekeningen na voor hij bij ochtenddauw zijn bed in kroop.

‘Te bezorgd en onbezorgd maken een perfect evenwicht,’ fluisterde Francis eens een ochtend toen hij Hugo over zijn bezwete rug streelde. De koffiedamp en sigarettenrook zweefden tussen de muffe gordijnen. De avond ervoor had Hugo per ongeluk een sigaret in zijn favoriete werkbroek laten branden.

Hugo vond zichzelf een lafaard omdat hij Francis’ gedrag door de vingers bleef zien. Alsmaar die onbeslapen helft van het bed, dan weer die mix van onbekende zweetgeuren die hij rook wanneer ze samen in de badkamer stonden. Hoe Francis hem lachend paranoico noemde, hem zei dat hij beter wat vroeger naar bed moest om weer helder te leren denken. Hoe meer argwaan er begon op te borrelen, des te verliefder Hugo werd op wat ze al lang niet meer waren. Alles wat hij tot op heden kende, besloeg Francis. Wanneer er een jong stel hun zaak binnenwandelde, zag hij hun eerste citytrip naar Barcelona. Alle spelende kinderen in de wijk leerden hem opnieuw fietsen terwijl Francis mee het stuur vasthield. Elke dromer met een ongelezen kopie van The Bell Jar die ’s avonds naar de sterrenhemel keek op hun terras, bracht hem dichter bij het schilderij dat in hun woonkamer hing. Het laatste wat ze samen kochten, hun persoonlijke morgenster, het enige item dat hij ooit een plek mocht geven.

Hugo wachtte tot hij de feiten kon waarnemen. Dat hij de geuren die hem misselijk maakten, kon vastgrijpen en bij het huisvuil zetten. ‘Je ziet spoken,’ zei Francis, de avond nadat Hugo hem betrapte met een Zwitserse advocaat tegen de voorgevel van de bar. ‘Misschien moet je stoppen met Poirot spelen en meer focussen op dingen die écht belangrijk zijn.’

Hugo was al gestopt met luisteren, en in werkelijkheid was al een groot deel van zijn rugzak de avond voordien ingepakt. Enkele T-shirts en broeken, een paar pockets van Borges en Le Guin, en een armband die hij van Francis had gekregen voor hun tweejarig samenzijn. In een opwelling rukte hij ook het Miró-schilderij van de muur, en vertrok via de achteruitgang; zijn accordeon vergat hij. De straatverlichting ging bijna uit, het enige geluid dat hij hoorde waren de straatkatten aan de overkant die maar al te graag ergens naar binnen wilden. In Abando nam hij de eerste trein die hij tegenkwam richting San Sebastian, en pas toen hij daar uitstapte, lukte het hem om te huilen.

Via San Sebastian liftte hij richting Frankrijk, waar een Belgische toerist aan een tankstation in Biscarrosse hem vervolgens meenam, zo ver als het maar kon. Hij liet de armband van Francis liggen op haar achterbank.

Rond half vier begint hij aan zijn laatste rit. De slechtziende man verlaat de tram met een hartelijke ‘Au revoir.’ Dounia neemt over ter hoogte van Poelaert, waardoor Hugo zijn laatste rit afsluit als passagier.

‘Vergeet uw abonnement niet te scannen hé, monsieur,’ verkondigt Dounia met een knipoog voor heel de tram.

Hij weet dat het etentje met David vanavond met misschien wel een dozijn personen zal zijn, een verrassing waar Hugo dankbaar voor is maar weinig trek in heeft. In plaats van een laatste keer te mopperen over bepaalde collega’s, wil hij vooral bij David zijn, dichtbij de amandelgeur van zijn lichaam, onder een dekentje gekregen van de schoonouders, op de bank in hun derdehands vintage salon waar ze na twintig jaar het nog steeds niet eens zijn over de kleurencombinatie. De misschien wel voorspelbare liefde, een soort waar hij in zijn twintiger jaren enkel maar grappen over maakte. Waarvan hij doorheen de jaren zichzelf overtuigde dat hij het verdiende.

‘In zo’n dromerige kosmos zou ik misschien wel nooit willen ontwaken,’ mijmerde Francis vaak na enkele glazen wijn over hun Miró. Vijfentwintig jaar later is Hugo klaarwakker, en de laatste tijd landen de kleuren van het schilderij steeds zachter op zijn ogen. Hij weet dat zijn Baskische litteken blijvend is, maar de tederheid van zijn Brusselse thuis verlicht dagelijks de wonde.  

Onderweg dwaalt zijn blik af naar een klein parkje aan een druk verkeerspunt. Een trio joggers trapt collectief op hun adem maar zet door met een glimlach, een koppel neemt een foto van hun jongste kind naast een standbeeld van een vergeten muzikant. Het is al bijna donker buiten en Hugo stapt uit aan de halte waar hij voor ruim twee decennia bijna elke dag opnieuw begon. Al lijkt nu de lucht van een andere soort blauw te zijn. Een hemel zonder beklemming of morsigheid, in zijn stad waar hij zelf de richting blijft bepalen.

In gedachten zit hij al bij David op restaurant. In ’t Potverdoemmeke is er altijd scampi diabolique. 

Over de auteur

Bavo Verhaegen (hij/hem) onderzoekt als schrijver en filmmaker thema’s als rouw, vergankelijkheid en afwijkingen in het alledaagse. Hij behaalde een Master in de Audiovisuele Kunsten aan het RITCS. Zijn volgende kortfilm is momenteel in pre-productie. In zijn korte verhalen werkt hij rond het verlangen en gemis naar het thuisgevoel. Bavo woont en werkt in Brussel. Zie: @bavoverhaegen

Over de illustrator

Luna van der Straaten verkent in haar schilderijen en tekeningen thema’s als leven en dood, vergankelijkheid, oneindigheid en het onderbewuste. Ze laat zich leiden door de complexiteit van het mens-zijn en het mysterie van het bestaan. Vanuit persoonlijke herinneringen, teksten, foto’s, objecten en schetsen brengt ze losse fragmenten samen tot nieuwe beelden. Haar werk is een intuïtieve zoektocht naar het leven en laat ruimte voor bevraging, twijfel, verbeelding en gevoel. Zie l@lunavanderstraaten en lunavanderstraaten.com

Lees meer uit de categorie De Imaginist

Buitenstebinnen

Door Daan Orsel

“Haastig trok ik mezelf buitenstebinnen en zette elke moedervlek op de juiste plek.” Daan Orsel schreef voor onze themamaand een verhaal over een transformatie in een benauwde toiletruimte.

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen