kort verhaal

Naar het Zuiderzeemuseum

Door: Kees van der Veek
Beeld: Louise Goffin

13 januari 2026

Ik heb het idee achter een laatste avondmaal nooit begrepen. Een beetje verspilling van voedsel. Potten krentenpap, bakken bami. Zelfs zorgvuldig bereide sterrenmaaltijden. Eigenlijk gooi je kolen in de oven terwijl het schip in de haven ligt. Als kind vroeg ik mijn moeder weleens wat criminelen dan zoal uitkozen. Zij was advocaat en zou dat wel weten. ‘Gewoon,’ antwoordde ze. ‘Een kippetje… Frietje.’ Pas later kwam ik erachter dat we in Nederland niet aan doodstraffen doen. Maar het beeld van natriumthiopental, pancuroniumbromide en kaliumchloride dat door de bloedbanen suist, terwijl in het darmkanaal een halfverteerd avg’tje dobbert, zat er goed in.

Nadat mijn vader voor mijn neus vergrijsde, begon ik het nut ervan in te zien. Ik denk dat een mens slechts op twee manieren oud wordt. Door op te bloeien zonder zorgen, of door in wrok te volharden. Mijn vader deed het laatste. Vlak voordat hij naar het tehuis werd verplaatst, toen hij regelmatig viel of zijn hoofd stootte, kon er geen vrolijke opmerking meer vanaf. Zelfs als ik iets banaals constateerde als: “Och, pap, het is vandaag de derde van de maand”, antwoordde hij steevast met: ‘En ’t is een schande.’

Het verzorgingstehuis deed hem aanvankelijk goed. Daar waren tenminste geen hangchinezen om je aan te ergeren. Thuis deed hij dat voortdurend. Dan zat hij achter het raam, de rococokleedjes in de vensterbank en de parels aan het plafond in zijn armstoel. Altijd maar kankeren op dat Indiase gezin aan de overkant van de straat, of de verengelsing wanneer hij weer eens niet werd verstaan in de Dekamarkt. De ouderenzorg was ook niet zo’n Hollandse bedoening als handjeklap op de visafslag. Maar in plaats van analfabete Filippijnen had hij nu verzorgingsrobots die in elke behoefte konden voorzien. Alleen toen pap even later zijn vleestotem niet meer omhoog kreeg, was de lol er ook in één keer weer af.

De coupé schudde. Je voelde de wielen schuren tegen het spoor. De lampen in de trein knipperden, een reepje behang liet los van de wand. Ik was net overgestapt op een Gewestentrein en had de Republic of Amsterdam achter me gelaten. Ik ving veel vreemde blikken zo met mijn vader ingeslapen in een cryopod. Als mijn medepassagiers maar niet dachten dat ik dit zonder toestemming deed. Ik kreeg hem zo mee van het tehuis. Zonder formulier of iets. Maar ja, dat wisten zij niet, en ze bleven maar staren, dus ik draaide me naar de capsule.

Met één hand en de hak van mijn schoen hield ik hem tegen de muur gedrukt. Anders zou de cryopod zo het gangpad inrollen. Op de rustigere stroken van het spoor boog ik me bevoogdend over hem. Ik tikte met mijn wijsvinger tegen het glas. Zijn ogen zaten stijf dichtgevroren. In wezen verschilde ik niet van dat jongetje dat hem vroeger trots wilde maken. Toen nog met doelpunten in de E’tjes. Nu met iets groters. Ook hij verschilde niet van die vader aan de zijlijn. Zelfs in zijn slaap had hij een norse bek. Hij leek wel een klodder bedorven melk. Elke groef in zijn gezicht stond voor een weiland dat hij had zien verdwijnen, elke rimpel een schoenmakerij die tot hippe pop-upshop op was gekalefaterd. Met zo’n dj achter het etalageraam met spijkerlaarzen en van die wenkbrauwen. Gek om te bedenken dat hij ooit kind was. Of achtendertig als ik nu. Ik herinnerde me hem alleen als een mesjogge bejaarde.

De wagon raakte per halte leger en leger. We reden nu weg uit Hoorn. Al lang had ik hem niet meer grondig bekeken. Het was ook al even geleden sinds ik hem had bezocht. Maar opeens was er dat telefoontje. Een medewerkster, mens of chatbot, wie weet. Net toen ik mijn toilet stond schoon te poetsen. Om mijn waterbesparingsquota te halen trek ik alleen door na een grote boodschap. Maar het pisgeel trekt in het surrogaatporselein. Dan krijg je zo’n rand tot waar het water stijgt, en dat ziet er niet uit. Tegen dat onsmakelijke decor vermeldde de medewerkster doodleuk dat pap nog twee dagen had. ‘Zijn hartspieren waren stug als rubber,’ zeiden ze ernstig. Wisten zij veel dat zijn hart dat altijd al was geweest.

Kennelijk was ik de enige die zijn nummer had achtergelaten. Geen broers, geen zussen, mams kant van de familie mocht hem niet en mijn zus was paradijsvogel in één of ander tropisch oord. Dus was ík het die moest bepalen wat er van hem ging worden. Had het kunnen weten. Dat schoot als een dodelijke injectie door me heen. Pap deed altijd de vakanties naar Zuid-Frankrijk. Ergens had ik gedacht dat hij ook wel zijn eigen dood zou regelen. Ja, dat slaat nergens op. Maar ik kreeg het op mijn zenuwen en zei dus maar tegen de medewerkster dat ik het met de rest ging overleggen. Mijn handen trilden, voorhoofdzweet drupte zo van mijn neus in de pot. Ik vervloekte hem. Kon hij niet gewoon onverwacht sterven?

Ik zette de hele toestand uit mijn hoofd, wat aardig lukte, of ik later in de Dirk bij de vriezer stond met een pizza in de hand. Kip, broccoli en kaas in marinara lite. En ik hoorde mijn moeders stem in mijn oor fluisteren: ‘Kippetje… Kippetje…’ Ik sliep er een nacht over. Want ik loop overal altijd de kantjes van af. Badend in zweet werd ik wakker, met het besef dat mijn vader slechts een paar ademstoten van de laatste verwijderd was. Ik belde gehaast het tehuis op, nog zonder een shirt aan te trekken en liet hem invriezen. Hadden ze in een handomdraai gepiept. Ik was opgelucht. En ging weer in mijn bed liggen.

De trein stopte in Enkhuizen. Ik draaide de cryopod zodat ik hem in een rechte baan de treden naar het perron af kon duwen. Althans, dat was het plan. Het gevaarte donderde de trappen af terwijl ik er achteraanrende. Omstanders kwamen niet verder dan het plompverloren uitsteken van een arm of het slaken van een gilletje. Het ging allemaal erg snel. Maar mijn vader had natuurlijk niets gebroken, en staarde me door het glas even afwijzend aan als altijd. Zeker tijdens zijn meest demente maanden had hij het of over beschuitjes met muisjes, of over de goeie ouwe tijd. Hoe vaker die uitdrukking de kop opstak, des te sterker ik doorkreeg dat dit zijn enige bron van levenslust was. Beschuit met muisjes kon je niet meer krijgen. Of je moest weten waar. Dan het verleden maar.

De vrouw achter de balie paste bij het sfeerbeeld. Ze had een onooglijk voorhoofd. Melkbleek, obsceen hoog en met geelgrijze schilfers zoals je bij pasgeboren baby’s ziet. Duidelijk inteelt. Dat was normaal hier. Als de bevolking van de Soevereine Gewesten nou even zorgvuldig omging met de genenpoel als die van hun honden, dan had dat een hoop leed bespaard. Goed. Er blijven natuurlijk redenen waarom de Nederlanden zijn gescheiden.

Ze had ons al zien aankomen. Haar snurkerige ademhaling droeg ver door de lucht. Roos lag als pas gevallen sneeuw over de schouders van haar fleecejack.‘Wat mag het wezen?’ Ik vroeg om twee kaartjes voor volwassenen. Ze tikte iets in. De knoppen klakten als een natte tong. Het pinapparaat aan mijn kant van de drielagige glazen wand lichtte op. Negenenzeventig euro achtennegentig. Ik hield mijn internationale kredietkaart er tegenaan en na een halve minuut werd de betaling goedgekeurd. Vervolgens het geratel van een stofzuiger die zich in een kiezel had verslikt. In een besmeurd ijzeren luikje ter hoogte van mijn heup ploften twee kaartjes. Papier. Daar kon ik pap al voor wakker maken. Met een blik op de cryopod vroeg ik: ‘Kan ik een rolstoel krijgen?’

‘Moet u door het poortje, meteen naar rechts, naast de puppywagens.’ Met een knik liep ik door. Met één hand duwde ik de cryopod voor me uit, met de andere trok ik zo’n onding achter me aan. Het was vermoeiend. Maar gelukkig zaten we nu in de eindsprint. We waren in het Zuiderzeemuseum.

We rolden door straatjes, rijp voor een ansichtkaart. De gevels, de perkjes, alles was er pittoresk. Behalve dan de busladingen Aziaten. Die trechterden een gebouwtje in en kwamen daar in klederdracht weer uit. Op straat trokken ze de telefoon en projecteerden op de grond hologrammen van de familie thuis. Driftige, onverstaanbare gesprekken. Tussen hen in zaten werknemers in kostuum op houten stoelen neerslachtig aardappels te schillen. Ze werden gefotografeerd en betrokken bij de familiegesprekken. Wisten zij veel dat het in werkelijkheid Poolse arbeidsmigranten waren.

Ik kwam al gauw aan bij een dijk van de Compagnieshaven. Het was er stil. Ik dacht dat ik erbovenop een mooi panorama kon krijgen van het Zuiderzeemuseum. Een shot dat het geheel omvatte. Ik duwde de cryopod erheen. Het handvat trilde hevig bij het hobbelen over al die tegels. Dat verlamde mijn hand. Het kietelde een beetje terwijl de tinteling door mijn voorarm kroop.

Ik liet de rolstoel beneden achter. Zodra ik de cryopod de dijk op had gesleept, kwam die wel. Eenmaal boven, hijgend en steunend van die loeizware metalen kist, zag ik de rolstoel beneden meegenomen worden door de wind, linea recta een sloot in. Ik trapte de rem op de rubber wielen en sjokte de trap weer af. Ik was leeg. Mijn ledematen leken van gelei gemaakt. Ik knielde neer naast de sloot en rolde mijn mouw op, stak mijn hand erin. Het voelde als grijpen in natte modder, schone vijvers hadden ze hier al jaren niet meer. Gelukkig had ik na kort aftasten al beet, ik voelde het handvat in mijn vingers. Met een zuigend geluid viste ik de rolstoel uit de sloot en viel er mee achterover op het gras.

De wind suisde om mijn oren. Van de rolstoel steeg een penetrante blubberwalm op en er zaten spetters op mijn shirt. Ik liet mezelf even op adem komen. Boven op de dijk zag ik het metaal van de cryopod, die doodskist. Niet opgeven. Nu ging het gebeuren. Ik nam de rolstoel op mijn rug de dijk mee op.

Ik keek uit over de vlakte met de huizen. Ik spoog een droge, witte fluim die door de wind werd meegesleurd. Het landschap stelde eerlijk gezegd niet veel voor. Wat grasvelden, tentjes. Kippen, natuurlijk En daar verderop nog steeds buitenlanders. Maar dit was wat pap wilde. Ik drukte de juiste reeks knoppen in. En de druk in de cabine nam geleidelijk toe. Na een tel of twintig spoot uit de gaten in de binnenwand een ontdooiend gas en mijn vader verdween in een sissende, blauwwitte wolk. Die besloeg het glas van de cryopod. Twee minuten later stopte het. De sloten schroefden zichzelf met een mechanische klik los. Voorzichtig klapte ik de deur open. Stoom loste op in de atmosfeer. Ik rook krantenpapier en fietsenkelder, oudemannengeur. De contouren van zijn torso kwamen uit de mist tevoorschijn, broos en wittig, en ik tilde hem onder zijn oksels de cabine uit.

Hij zat nog in een fase tussen waken en slapen. Ik gaf hem een schichtige tik op de schouder. Hij gaf geen kik. Maar achter zijn witte, rimpelige schelpen zag ik iets rollen. Plots viel zijn mond open. Een felle inademing, een grommend geborrel, een droge hoest. En toen sperden zijn ogen open. Die kleefden van de gelige koek. Hij keek me glazig aan. Maar de waas week al snel voor herkenning. ‘Dag, pap.’ Ik draaide zijn lichaam naar het uitzicht. ‘Kippen in de wei, een kerkje. Klederdracht, grachtjes. Lekker koeterwaals praten met elkaar. Zie je het?’

Hij nam de omgeving in zich op. Met de laatste kracht in dat uitgeleefde lijf. Ik meende dat zijn gezicht een voorzichtige glimlach beschreef. Kort voelde ik mezelf weer over het voetbalveld rennen, omkijkend naar hem, mijn vader, achter de zijlijn. Ziet hij me, ziet hij wat ik heb gedaan? IJsscherven glommen op zijn lippen. Zijn kin begon te bibberen, zijn laatste woorden. De gewrichten zaten door de bevriezing nog vast. Na lang wrikken schoot zijn kaak los in een holle krak. Ik hield mijn oor dicht bij zijn mond. Hij haalde raspend in. ‘Wat doen die Japanezers hier?’

 

Over de auteur

Kees van der Veek (2002) is altsaxofonist en honoursstudent Philosophy, Politics & Economics. Hij is mantelzorger van zijn kat Daan (19) en slijt zijn laatste dagen op aarde in Amsterdam, waar hij met smart het moment afwacht dat iemand hem ergens voor nodig heeft.

Over de illustrator

Het meisje met de snor, pseudoniem van Louise Goffin, is een illustrator en beelden kunstenaar gebaseerd in Leuven. Ze werkt vaak met mixed media, waarbij experiment en proces centraal staan.

Lees meer uit de categorie kort verhaal

Barmhartig in Bern

Door Joost Pollmann

“De bokken wacht eeuwige straf.” In de stormachtige winter van 2019 vond ik het opeens hoog tijd om de kasten en laden in mijn huis uit te mesten. Als kuur tegen het lege-nest-syndroom dat ik opliep nadat mijn dochter in Diemen was gaan wonen, op tien minuten fietsen van het Science Park waar ze zich […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen