De ongewervelden
Door: Lieve Heijnen
Beeld: Niels Boersma
18 april 2026
Op de communicatieafdeling van het ministerie zat, hing of leunde iedereen op het meubilair alsof ze voor een commercial waren gepositioneerd. Een senior woordvoerder lag met zijn voeten op tafel, excessief gesticulerend tijdens het bellen. Een stagiaire grafische vormgeving lurkte aan een enorme beker met een ingebouwd plastic rietje. Ze staarde levenloos naar haar scherm, alsof daarop beelden van een wildcamera van Staatsbosbeheer werden gestreamd. De nieuwe trainee van de afdeling Burgerbrieven beende voorbij met een grote stapel papieren onder zijn arm. Hij droeg zijn Rijkspas met overdreven trots, alsof het een missverkiezingssjerp was.
Ik stond met een groepje collega’s bij de koffieautomaat. We droegen allemaal ongeveer dezelfde bandplooibroeken, blazers en witte gympen. Als je van een afstandje naar ons keek, leken we één amorfe communicatieprofessional. Ik had stiekem weleens gefantaseerd over wat er zou gebeuren als ik op een dag in een meer avant-gardistische uitdossing naar het werk zou komen. Iets met een hoge hoed. Of een gouden tand. Ik had het tot op heden niet durven doen. Nog niet.
‘Weet je waar ik dus aan zat te denken?’ Mijn collega doopte haar theezakje herhaaldelijk in haar mok, alsof ze probeerde hem iets te laten bekennen. ‘Om Miranda een geit cadeau te doen voor haar ambtsjubileum.’
‘Een geit?’ vroeg een ander.
‘Van Oxfam Novib,’ ging ze verder. ‘Je betaalt vijfentwintig euro en dan sturen zij een geit naar Afrika.’ Ze keek erbij alsof ze zojuist een oplossing voor de stijgende zeespiegel te berde had gebracht.
‘Naar waar in Afrika?’ vroeg ik. Ik deed mijn best nieuwsgierig te klinken.
‘Oh god, dat weet ik niet hoor,’ zei ze. ‘Ergens waar het arm is.’ Ze draaide het touwtje om het theezakje. ‘Geestig toch?’
Mijn collega’s knikten. Een geit. Ja. Geestig. Ik knikte mee.
Met een boogje gooide ze het uitgeleefde theezakje in de recyclebak. ‘Nou, ik ga maar weer eens,’ zei ze, ‘het landsbelang roept.’ Met grote passen beende ze terug naar het secretariaat.
Ik zette mijn koffiebeker op het platformpje van de automaat. Even twijfelde ik, maar toen tikte ik toch een choco-de-luxe aan op het display. Terwijl ik staarde naar de stromende chocolademelk, stelde ik me voor hoe de roep van het landsbelang zou klinken. Schel en klagerig, maar niet écht urgent.
‘Neem uw choco-de-luxe uit,’ verscheen op het scherm.
‘Zó zó,’ hoorde ik schuin achter me, ‘joie de vivre?’
Ik draaide me om. Nova, redacteur intranet, keek me breed glimlachend aan. Nova was de enige van de afdeling die in een spijkerbroek en verwassen vest naar het ministerie kwam. Tussen al dat business casual zag ze eruit als een pluk haar die door de tondeuse was vergeten.
‘Normaal neem ik altijd koffie hoor,’ zei ik vlug, ‘maar ik dacht doe ’s gek.’
‘Heel verstandig.’ Ze gaf me een knipoog.
Ik pakte mijn beker en liep snel terug naar mijn flexplek, om verder te werken aan de presentatie die ik maandag zou geven tijdens de krokettenlunch.
Die zondag vroor het, en met mijn noren onder mijn snelbinders reed ik naar het dichtstbijzijnde meer. Met wiebelende enkels schoof ik het ijs op, maar al snel werkte ik samen met de schoolklassen, families en vriendengroepen aan de grote uitgesleten cirkel die zich op het meer had afgetekend. Na een poosje moest ik plassen en besloot ik terug te gaan naar mijn fiets. Aangekomen bij de berm haalde ik een verfrommeld Albert Heijntasje uit mijn jaszak, en spreidde het uit in het gras. Stram van de kou plofte ik neer. Toen hoorde ik haar.
‘Jij hier!’ Nova remde krachtig. Het ijsschaafsel schoot in het rond. Ze droeg een felgekleurde muts waar haar korte haren warrig onderuit piekten.
‘Dat is toevallig.’ Ik probeerde enthousiast te klinken, maar eigenlijk wilde ik zo snel mogelijk naar huis.
‘Heerlijk dit, toch?’ Nova gebaarde in het rond alsof we in de tuin van Eden stonden. ‘Lekker alvast even de zenuwen voor je presentatie eruit schaatsen?’
‘Valt mee hoor,’ loog ik, en ik haalde mijn veters los.
‘Ga je al naar huis?’ Nova veegde haar neus af met de mouw van haar jas. ‘Het gaat morgen weer dooien hoor.’
‘Ik moet echt even opwarmen,’ zei ik. Ik schoof in mijn schoenen en wiebelde met mijn ijzige tenen.
‘Wil je een kopje thee anders? Ik heb een thermos bij me.’
‘Ik moet eigenlijk ook heel nodig plassen.’ Ik stond op.
‘Joh,’ zei ze. ‘Jij woont toch helemaal in Laak? Ga even bij mij! Ik woon om de hoek.’
Het had geen zin om tegen te sputteren en even later stond ik op de binnenplaats van een monumentaal schoolgebouw dat betere tijden had gekend. Het rook er naar verbrand hout en in een hoek stond een oudere man in een roze tuinbroek een kapotgevroren olijfboompje uit te graven. Op de voordeur zaten stickers met teksten als ‘fuck de woningmarkt, wonen is een recht’ en ‘beleggen doe je maar met pindakaas’.
Nova ging me voor door een hoge gang waar aan weerszijden tientallen schilderijtjes met vogels hingen. Er waren een paar huis-tuin-en-keukenvogeltjes, een verfomfaaide raaf, een adelaar met opengesperde snavel, uilen in verschillende formaten, een lepelaar, een eend die een beetje uit verhouding was en talloze fantasievogels in allerlei kleuren.
‘Iedereen die nieuw is in de gemeenschap maakt een vogelzelfportret, dat officieel wordt onthuld als je intrekt,’ zei Nova, ‘Dat is een soort traditie.’
In het trappenhuis passeerden we een lange man met een ingevlochten baard en zwarte eyeliner. Hij glimlachte naar me alsof het bewegen van de spieren in zijn gezicht hem ondraaglijke pijn bezorgde.
‘Fons, mijn bovenbuurman,’ zei Nova toen we buiten gehoorsafstand waren. Ze moest mijn verschrikte blik hebben gezien. ‘Hij is heel vriendelijk hoor. Hij kan alleen nooit ophouden over de Spaanse Inquisitie, zelfs niet in smalltalk.’
Nova woonde op de tweede verdieping in een oud klaslokaal met hoge ramen, een versleten houten vloer en overal planten. Zelfs aan het plafond hingen potten waar lange slierten uit groeiden.
Ze liep naar het keukenblok, waarvan een paar deurtjes scheef in hun scharnieren hingen. ‘Wil je thee? Ik heb gewoon zwart, rooibos, winterglow – whatever that might be –, verveine uit de tuin –’
‘Ik vind alles goed,’ onderbrak ik haar. Ik hing mijn jas over een van de eetkamerstoelen en ging zitten. Toen viel mijn oog op een aquarium in een hoek van de kamer. Het was een grote ronde bak op een sokkel, die van onderen blauw werd verlicht.
‘Wat is dat?’ Ik wees in de richting van de bak.
‘Ga maar kijken,’ zei ze, terwijl ze een schaaltje chocolaatjes op tafel zette.
Ik aarzelde even.
‘Ze doen niets hoor,’ Nova glimlachte, ‘dat is nu juist hun unique selling point.’
Ik schoof mijn stoel naar achteren en stond op. Toen ik dichterbij kwam, zag ik dat het aquarium was gevuld met tientallen kwalletjes: kleine doorzichtige paraplu’s met vier ringen op de bovenkant en bijna onzichtbare tentakels.

‘Mijn Noordzeemakkers,’ zei Nova. ‘Ik wilde graag een huisdier, dus toen heb ik research gedaan en ontdekt dat kwallen nooit zielig kunnen zijn, omdat ze geen hersenen hebben om pijn of emoties mee te registreren. Het zijn een soort bewegende planten.’
De kwalletjes pulseerden zacht, waarbij ze soms even langs elkaar streken en daarna weer van elkaar verwijderd raakten.
‘Maar ze zijn niet gemakkelijk om te houden,’ ging ze verder. ‘Ze kunnen dus helemaal niet zwemmen. Dat lijkt wel zo, door hoe ze bewegen, maar in feite kunnen ze zichzelf alleen een beetje bijsturen. Ze gaan verder gewoon mee met de stroom. Als er geen stroming is, zakken ze naar de bodem en heb je een hoopje dode kwal. Daarom hebben ze een rond aquarium nodig, waar de hele tijd met de klok mee water doorheen wordt gepompt.’ Ze blies in haar thee. ‘Soms zet ik voor de afwisseling de pomp andersom, maar dat is meer voor mezelf.’
De volgende morgen trok ik een bandplooibroek en een blazer aan. Daarna oefende ik mijn presentatie nog een laatste keer voor de spiegel. Rustige ademhaling, neutrale houding en niet vergeten passende handgebaren te maken.
Toen ik klaar was en in de gang stond om mijn sneakers aan te doen, viel mijn blik plots op de vriendschapsarmband die ik onlangs van mijn zesjarige nichtje had gekregen. Het was een potsierlijk ding met veren en grote plastic kralen, maar ze was er enorm trots op geweest en ik had gezworen het vaak te zullen dragen. Even twijfelde ik. Maar toen pakte ik het ding toch van de vensterbank, blies het stof eraf en deed hem om mijn pols. De mouw van mijn blazer viel er gelukkig nét overheen.
Als uitgehongerde gieren wierpen mijn collega’s zich op de lunchkarren die naar binnen waren gereden door de cateraar. Ik stond voor het projectiescherm waarop ik een infographic – netjes uitgevoerd in de Rijkshuisstijl – had klaargezet, en probeerde mijn zweterige handen zo onopvallend mogelijk af te vegen aan mijn blazer.
‘Lieve mensen,’ riep onze manager door de kantoortuin, ‘we gaan beginnen.’
Achterin ging een telefoon af. Een stagiaire veegde luid klagend mosterd van haar blazer. Een woordvoerder rende de kantoortuin uit met zijn iPhone geklemd tussen zijn oor en schouder, en in zijn handen twee broodjes kroket.
Onze manager hief zijn handen boven zijn hoofd alsof hij een gebed instartte, en liet ze daarna langzaam weer zakken. Toen stierf het geroezemoes weg. ‘Het woord is aan Marin.’
Ik knikte. ‘Bedankt Pieter.’ Mijn hart bonkte in mijn keel. ‘Ik wil het vandaag met jullie hebben over digitale toegankelijkheid, aan de hand van vier stappen.’ Ik keek de zaal rond. Meer dan de helft van mijn collega’s zat op hun telefoon.
‘Ik wil gelijk beginnen met de eerste stap.’ Ik hief ter illustratie mijn vinger op, precies zoals ik die morgen voor de spiegel had geoefend. En toen gebeurde het. De mouw van mijn blazer schoof naar beneden, bleef halverwege mijn onderarm hangen en onthulde het ding: de felgekleurde kralen, de glitterende bedels, de uitstekende veren. Het tl-licht in de kantoortuin maakte de armband nóg wanstaltiger.
Ik verstijfde, met mijn vinger nog steeds in de lucht. Mijn nek werd warm, mijn oren begonnen te suizen. Ik moest blijven praten. Gewoon blijven praten, maar ik had geen idee meer waarover. Het voelde alsof ik pas zojuist, hier in de kantoortuin, geboren was.
Een voor een keken mijn collega’s op van hun telefoon. De stagiaire met de mosterdvlek giechelde. Pieter probeerde subtiel te seinen dat ik moest doorademen.
Maar toen zag ik Nova. Ze zat op een tafel achterin en glimlachte breeduit naar me, als een moeder wier kind voor het eerst een toneelstukje voor de hele school opvoert. We maakten oogcontact, en even was het alsof we verbonden waren door een onzichtbare maar vanzelfsprekende kracht.
Langzaam liet ik mijn hand weer zakken. Mijn hart was gestopt met bonken, mijn nek gloeide niet meer en toen wist ik het weer: stap één, productvalidatie.
Een voor een werkte ik mijn punten af. Sommige collega’s waren stilletjes weer achter hun pc’s gekropen. Anderen deden alsof er sprake was van iets urgents op hun telefoon. De stagiaire met de mosterdvlek speelde verveeld met de hydrokorrels in een plantenbak. Voor ik het wist was het achter de rug.
Later die middag liepen Nova en ik samen naar de koffieautomaat voor een Cup-a-Soup. Ik had het gevoel dat er sprake was van een beginnend pact tussen ons.
Bij de automaat stond een groepje van corporate communicatie. Hun gesprek stokte abrupt toen ze ons aan zagen komen. Een van de sociale media-adviseurs glimlachte onnatuurlijk. Een collega van protocol kuchte overdreven. Een persvoorlichter liep snel een ogenschijnlijk willekeurige richting op.
Misschien was het egomanisch van me, dat ik zeker wist dat het gesprek over mij was gegaan. Of over ons. Nova en ik: de invasieve exoten in het uitontwikkelde ecosysteem dat ons ministerie was. Van die lekker gektypes die inhoudelijk niet veel hebben in te brengen, en zich daarom maar onderscheiden met gemakzuchtiger middelen. Uniciteit in de marges. Infantiele pretentie.
Ik draaide me om en vluchtte in een rechte lijn naar de toiletten. In het hokje draaide ik de deur achter me op slot, ademde diep uit en schoof de armband van mijn pols. Even keek ik naar het verfrommelde hoopje plastic in mijn handpalm: een hulpeloos diertje dat een laatste blik opslaat in de hoop dat het hem zal redden. Toen liet ik hem in het water vallen. Dikke druppels spatten omhoog, het wateroppervlak rimpelde en vlakte daarna uit. De plastic kralen op de bodem wierpen grillige reflecties op het witte keramiek.
Heel even dacht ik aan mijn nichtje: haar jonge trots, mijn belofte. En toen spoelde ik door. Het water zwol aan, vulde het bassin en probeerde de armband de afvoer in te trekken. Even veerde het ding op, maar daarna daalde hij weer neer om onbeweeglijk op de bodem te blijven liggen. Ik probeerde het een tweede keer, drukte hardhandig op de knop, maar dit keer bracht de kolkende stroom de armband niet eens in beweging.
Ik keek om me heen, sloot mijn ogen en stak toen mijn onderarm in het lauwe water. Op de tast zocht ik de armband, trok hem van de bodem en liet hem uitlekken boven de pot. Schuldbewust en secuur droogde ik hem af met een stuk wc-papier. Daarna stak ik hem in de broekzak van mijn pantalon, als een edelsteen die een bepaald type mens bij zich draagt vanwege de holle belofte voor positieve krachten.
Om vijf uur liep ik door de snijdende wind naar de fietsenstalling. Het begon al donker te worden en de koplampen van voorbij sprintende scooters reflecteerden op de ijzige straat. Ik fietste weg en liet me gedachteloos meevoeren met de stroom forenzen.
Thuis parkeerde ik mijn fiets op de galerij, die uitzicht bood op de felverlichte binnenstad. Boven de huizen en winkels torenden de ministeries uit: een groepje wolkenkrabbers in verschillende vormen en kleuren. Even leek het alsof ze gebroederlijk bij elkaar waren gekropen om beschutting te vinden tegen de snelheid van de stad.
Over de auteur
Lieve Heijnen (1998) is rijksambtenaar. In het weekend studeert ze aan de Schrijversvakschool. Eerder schreef ze voor Poetry Circle Nowhere en Leids Universitair Weekblad Mare.
Over de illustrator
Niels Boersma is een illustrator woonachtig in Zwolle. In zijn werk spelen verstilling en dromen een grote rol. Deze thema’s onderzoekt hij op verschillende manieren maar altijd met sterk oog voor compositie.
Lees meer uit de categorie kort verhaal
De Nieuwe Lichting: Jared Meijer
Door Jared MeijerDe Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. De eerste die we aan u voorstellen van de nieuwe lichting 2020 is Jared Meijer. Hij studeerde af […]