Een levenloos landschap met snavels doorkliefd
Door: Lilian Anneloes
Beeld: Lottie Brignall
27 augustus 2026
* Werd geschreven voor de residentie van Meet me at the Lighthouse, en i.s.m. NOORDWOORD.
Ik hoor hier niet te zijn, maar dat is oké. Ik stelde me voor aan de geiten door hen een handvol eikenblaadjes te geven, en nu schreeuwen ze naar me als ik voorbijkom. Het linnen ligt klaar op de overloop. De koelkast is leeg en in mijn slaapkamer staan zes bedden – alleen voor mij.
Ik ben bang voor grote gebouwen. Voor het onbekende achter de deur in een donkere hal. Voor mensen die iets van mij willen, wat ikzelf niet wil. Voor mensen –- die geen dieren zijn. Met grissende, graaiende vingers en tegeltuinen. Ongezellige familiebarbecues waar lichamen tot spekfakkels en spiesjes worden vermaakt. Vrouwen die alleen nog maar over hun kind kunnen praten, terwijl een hond blaft in een gesloten bench. Mannen met grasmaaiers in merkkleding. Mannen an sich. ’s Zomers kamperen zij in tenten op het duingras. Kijken moeders boos en vaders vies naar de buurvrouw die zich omkleedt omdat ook zij het warm heeft. Maar in de kou is er enkel mijn blik. Een herinnering aan schepjes en zeefjes en de opstaande scheermessen in het zand.
Er is iets aan de Wadden dat naar vroeger smaakt. Schoolreisjes, introductiekampen en zomervakanties. Zeezout en zand op witte bolletjes kaas. Ik ben hier het liefst als er niemand anders is. Als ik mijn tong over mijn lippen haal en mijn ogen sluit, ben ik zes en op vakantie met mijn ouders. Hoor dan dezelfde vogels. Ben hier nooit alleen.
Achter de dijk, naast verstilde vakantieboerderijen, vullen rot- en brandganzen de grasvelden. Hun monochrome tonen mengen zich moeiteloos met melkkoeien. Liggend in het weiland kijken die argeloos toe hoe het raaigras voortaan gedeeld wordt met de vogelvormige ufo’s. Een paar meter verderop lijkt een puberale meeuw zich te willen verstoppen in zijn gevlekte winterkleed. Alsof hij niet gezien wil worden met de gaggelende groepsexcursie.
Waar mensen wonen is de weidsheid met een kozijn omlijst. Achter het keukenraam van de accommodatie verbuigen mollige musjes de stengels van een uitheemse bamboestruik. De kolonie schittert tussen deinende stelen. Omheinde kippen laten kakelend weten dat zij er ook bij horen. Maar vlak onder de wolken wordt in V-formatie een vrijheid uitgetekend die niet voor hen is weggelegd. De voor leg en vlees gefokte hen blijft fladderend achter.
Alles wat zij kent is kukelen, krassen en legkorrel. Graven in dezelfde grond als gisteren. De jattende ratten wegjagen. Wachten tot er iets van boven in de ren valt, tot de deur van de logeerboerderij opent en gasten de pitten van hun broodjes in hun richting gooien. Wachten op mijn geruite jas en een vuistje paardebloemblad. Die verbazingwekkende gift van een andere levensvorm. Een statisch bestaan anticiperend op de actie van een ander. Ze groet me, steeds opnieuw, met een vragend gekakel.
‘s Nachts sta ik, alleen, op de landweg tegenover het kippenverblijf. Ik word niet gegroet als ik weifelend het gebouw ontvlucht. Een doffe stilte trekt als een duikhelm om mijn hoofd. Ik zie niets, en dat is goed. De man uit de bosjes is blijven zitten waar hij zit. Aan wal. Bang voor de zee, die sterker is dan hij. Het water dat altijd terugkomt. Er is veiligheid in vlakte. Alleen hier is mijn blik allesomvattend. Zonder bochten, bomen of barrières kan ik uren naar de hemel kijken. Hoef ik geen seconde op mijn eigen lichaam te passen. Of het te groot is of te klein. Te zacht of te woest. Of het duidelijk genoeg begrensd is.
Het beloofde noorderlicht laat spottend op zich wachten. Boven me hangen witte spikkels en donkergrijze klodders. Maar verderop zijn er vogels. Terwijl de kip nachts zwijgzaam op stok slaapt, smelt een groep spreeuwen kwebbelend samen met reizende logés aan de Westerplas. Daar klinkt een wiegelied van gezang dat de hoen vreemd is. Siberische, Deense en Russische roepen vullen de kwelder zoals het zeewater dat doet. Er wordt dobberend geslapen.
Als het getij zich terugtrekt, vertrekken de ganzen ook. In het gloren lijkt de lucht boven de polder een drukke snelweg. Een ochtendspits van zwermen en slordige slierten trekt stippellijnen over de zon. Een polonaise zoekend naar ontbijt. In het weiland, slechts honderd meter van het kippenhok, strijkt een gedeelte gakkend neer. Buiten zicht verdwijnen sprieten in zwarte snaters.
Ikzelf vouw een broodje brie tussen mijn kaken terwijl ik vanaf een picknickbankje het gescharrel achter gaas beschouw. Ik was daarvoor naar het SPAR-winkeltje gefietst waarvan ik zeker wist dat het hier ergens moest zitten. De kip kan maar vijftig meter ver kijken. Ik trek een denkbeeldige diameter rondom de ren. Er is gras, zand en asfalt. Geen SPAR. Ze pikken meel uit grijze modder en nemen daar genoegen mee.

Vanuit dat hok bestaat de reizende meute niet. Thuis is thuis, en dat is nou eenmaal zoals het is. Met pitten en gasten en legkorrel. De vliegende migrant blijft fabelachtig afwezig. Een assertiever leven net zo goed. Voorbij de ren, voorbij de erfgrens, voorbij het eiland waarop het erf gelegen is en voorbij de zee waarin het eiland ligt is niets. Geen vergezicht om in te verdwijnen.
Vogels groter en zwaarder dan zijzelf bestaan niet. Net als vleugels langer dan een mensenkind. Er zijn ook alleen maar regenwormen. Geen piertjes, geen zagers. Geen wad. Geen wal. Een massaal samenkomen op een glitterende spiegel is onmogelijk. Net als een nest naast zee. Of kuikens die daaruit voort marcheren. Er is niemand anders dan de tuingast. Niemand met verhalen van voorbij het gaas. Niemand die de kortzichtige kipjes een leven buiten kaders toont.
Ik spoel mijn bord af tegenover de luidruchtige mussenstruik. Het groen van het blad is half bedekt met vogelpoep. Soms denk ik dat dit is hoe mijn dorp de stad ziet. Soms denk ik dat ik hen zie als de kippen in de ren. En soms mis ik die ren, waar niets onvoorspelbaars zich voordoet. Geen uit elkaar gereten zeemeeuw, midden op een schelpenpad. Geen duinen vol donsveer en vleugels. Geen karkassen voor de kraaien. Geen waarschuwingsbordje waarop staat dat je zieke vogels niet moet aanraken. Geen zieke vogels.
Tot de buitenren geblokkeerd wordt. Er iets onbekends achter de deur in een donkere hal plaatsneemt, en een nauwe wereld nog verder dichtdrukt. Een houten hok ontdaan van zijn uitgang. Een gedwongen toevluchtsoord voor vogels zonder vlucht, doorprikt door een gezichtsloos gegaggel. Dat dreigt en hangt boven alles.
Ze hadden de mussen nooit in hun modder moeten dulden. Of een merel op de omheining moeten laten rusten. Wat buiten is moet buiten blijven. Want hier is alles al. De voersilo en de drinkbak. Een overdekte stok. Daarom zullen er hekken staan. Gelimiteerd gevogelte wordt vatbaar voor de wereld die het niet kent. Die valt van boven in de ren. Reist op de ruggen van ratten.
Kwam tot stand aan de hand van de een ander, die van kippen vlezige, leggende voedselbronnen maakte. Eiermachines van dochters en afval van zoons. Die propte pluimveemassa’s in schuren of legbatterijen propte, waar ziekten ontkiemden en via dedie hand naar buiten traden. Diezelfde hand die de kip zijn vlucht ontnam.
Ik hoor hier niet te zijn, maar dat is oké. Bij toenadering vertroebelt de tomeloze meerderheid flapperend de lucht. Een zwermend, schel protest. Wie vastzit dobbert niet. Zingt niet in vreemde talen. Doet nooit de polonaise. Wat achterblijft is vlakte. Een levenloos landschap met snavels doorkliefd.
Over de auteur
Lilian Anneloes (1997) is kunstenaar, schrijver en kunsthistorica die in haar multidisciplinaire werk sociaal-politieke thema’s en gemarginaliseerde verhalen onderzoekt. Haar praktijk is sterk beïnvloed door haar jeugd op de Semslinie tussen Drenthe en Groningen, waardoor haar fascinatie voor rurale sociaal-culturele dynamiek is ontstaan. Voor dit haar boek Bloedmeel (2027, Noordboek) over de impact van het Veenkoloniale verleden maakt ze ook de illustraties.
Over de illustrator
Lottie komt uit het Verenigd Koninkrijk en is afgestudeerd aan Academie Minerva in 2022. Ze heeft een passie voor het etherische en ongewone. Ze volgde een klassieke opleiding in zowel beeldende kunst als illustratie en combineert graag technieken uit beide vakgebieden om werken te creëren met een grillige en soms melancholische uitstraling.
Lees meer van Lilian Anneloes
DOCUMENT 12
Door Lilian AnneloesOp 18 juni vond de finale van Kunstbende 2016 plaats in TivoliVredenburg. Een van de prijzen voor de winnaars in de categorie Taal: publicatie op De Optimist. Lilian Anneloes (19 jaar) won de eerste prijs met dit gedicht. Hier zie je hoe ze het voordroeg tijdens de finale. Samen met de redactie van De Optimist […]
Lees meer uit de categorie kort verhaal
Walter
Door Lotte LentesOok vandaag heeft Walter de aankleedhulp geweigerd. Steunend op een plastic wandelstok met houtmotief schuifelt hij door de gangen van de kliniek, zoals altijd onberispelijk gekleed: een donkerblauwe pantalon met vouw, een wit overhemd met gesteven boord en een olijfgroene trui van kasjmier. Hoe een tachtigjarige man in deze toestand zelfs maar zijn eigen onderbroek […]