Slakkensporen
Door: Olivier van Eijk
Beeld: Madalina Mihutoiu
4 september 2026
‘Heeft u wellicht last van dinosaurusplekken?’ Boven zijn voorhoofd, waarop een bruine, glanzende scheiding zat geplakt, scheen fel ochtendlicht mijn ogen in. Ik krabde met mijn linkerhand aan de print op mijn shirt.
‘Geen interesse,’ zei ik. Achter me pruttelde de pap en ik wierp een blik over mijn schouder de gang in. Ik klemde mijn hand om de deur, die ik eigenlijk weer dicht wilde smijten.
‘D-i-n-o-s-a-u-r-u-s.’ De verkoper benadrukte elke letter. ‘Een acroniem voor Dargonisch Ittiërende Nolofraam Overigens Satarisch Amalgreet Uit Rukstellend Ursisch Slijmgehalte.’
Ik fronste, omdat ik het niet begreep. Of eigenlijk: wilde begrijpen. Het was te vroeg, mijn spieren waren nog stijf van de lange dienst, en ik had sowieso niks met huis-aan-huisverkopers. Ik duwde de deur dicht, maar hij stapte de drempel op, een gehandschoende hand naar me uitgestoken. ‘Evidarius Flok is d-’
Ik versperde hem de weg. Vanbinnen was ik zowel heet als koud, mijn kaken persten op elkaar. Met mijn andere hand klauwde ik in de verfvlekken van de werkbroek die ik nog aanhad en ik snauwde dat hij achteruit moest. Hij verroerde zich niet.
‘Wacht!’ Hij stak een hand op, bewoog hem naar zijn binnenzak. ‘Zeven op de tien huizen vallen eraan ten prooi. En zonder mijn hulp-’
‘Hulp?’ Kippenvel verspreidde zich over mijn armen. ‘Jij hebt hulp nodig.’
De scharnieren trilden nog na, ook toen ik de keuken weer inliep om de pap van het vuur te halen. Aan de eettafel telde ik de lijnen in mijn knokkels: achttien op mijn rechterwijsvinger, vijftien op die ernaast, elf aan mijn pink. Toen ik opstond om de vuile kom in het water te zetten rammelde de brievenbus. Een beige kaartje gleed op de deurmat. Bij het oprapen zag ik van wie het was. Ik had hem voor zijn bek moeten slaan.
Na het eten ging ik met allesreiniger en spons langs het aanrecht. Ik tilde een van de fornuisplaten op en stopte met schobben. Iets schitterde. Net vershoudfolie, een dunne reep ervan, maar toen ik me voorover boog, steunend op het ijzer, zag ik dat het een slakkenspoor was. Het gleed vanaf de gaspit over de rand, de vloer op, onder de koelkast. ‘Overal leeft gespuis, waar je ook kijkt,’ zei mijn vader, toen hij nog leefde. We drukten kruiskophamers in de wand onder de cv-ketel, en vonden een invasie kakkerlakken. Ik rilde toen hij met een spuitbus op de schaduwen spoot en het daar langzaam bewegingloos werd. Dit nooit meer. Daarom had ik een nieuwbouwhuis gekocht, een betrouwbaar pand.
Uit de voorraadkast haalde ik een meubelhondje waarmee ik de koelkast al vloekend en duwend van zijn plek kreeg. Eronder, afgetekend tegen de vuile afdruk, liep het spoor naar een gat in de muur. Daarin hing een vlies met een bruingele strontkleur. Verbaasd pakte ik de bezem en bracht de punt ervan ernaartoe. Het membraan bood weerstand. Fronsend bukte ik, handen steunend op mijn knieën, en ik zag van dichtbij een patroon van symmetrische lijnen. Net schubben.
Het was warmer geworden, bijna al boven de twintig en bij thuiskomst was mijn werkbroek bezweet. Nadat ik in mijn badjas en met de tuindeur open zes plakken salami in de pan legde en de boter donkerbruin zag worden, boog ik opnieuw over het aanrecht. Het hoopje zout, dat ik voor het membraan had gestrooid, was een vlek geworden. Gisteravond, speurend op het internet, had ik allerlei verdelgopties gevonden: gif, nematoden, of zout. Het was net als bij de plantenbakken: de slakken die daar op mijn hoefblad zaten, kraakten en spetterden in de emmer. ‘Om het jaar breek ik de muur open,’ hoorde ik mijn vader weer, zijn slijmerige knokkels als lensdoppen onder de huid, terwijl hij tussen het pleisterwerk graaide. ‘Toch vind ik ze altijd weer.’ Terwijl ik peper strooide vroeg ik me af of ze nu waren opgelost. Of ik ze allemaal te pakken had. Ik trok mijn neus op bij het idee, maar mijn vingers jeukten. Ik wierp nog een blik naar beneden. Waarschijnlijk was het niet voldoende.
In de Telos stond ik in de rij met een trommel nematoden. De man achter de kassa keek me vragend aan. Hij had lepelzilveren wenkbrauwen. ‘Op oorlogspad,’ zei ik, grappend, en hij toonde me tot mijn verbazing een tandeloze glimlach, waarin ik zijn tong kon zien liggen. Thuis trok ik tuinhandschoenen aan en bedekte de koelkastloze vloer met een uit elkaar getrokken vuilniszak. In een pan vermengde ik aarde, water en nematoden en toen het op browniebeslag leek bracht ik een portie ervan naar de muur.
Mijn greep verstrakte. De lepel was er nu bijna mee in aanraking. Een diepe ademhaling en ik duwde. Het verzette zich, ik drukte harder. Het boog gespannen mee, maar brak niet. Om meer kracht te zetten veranderde ik van houding en bam! Mijn hand kleefde aan de wanden, de tunnel kromp, het gescheurde membraan klemde om mijn pols. Ik draaide en wrong, schoot los. Op mijn handpalm, waar eerst de lepel lag, zat een naaktslak.
Die nacht telde ik met gesloten ogen de achttien dwarse lijnen op mijn knokkel, steeds van boven naar beneden. Ik had hem van me afgeschud en had daarna de rest van het nematodenmengsel in het gat gestort. Maar het beeld liet me niet los: de slijmerigheid, het kleverige, die gladde vlek op de vloer nadat ik bij het omdraaien erop was gaan staan. In het donker leek het plafond volgeplakt met slakken, als afgehakte tongen aan een gehemelte. Ik had het vreemde gevoel in de mond van die oude man te zitten. Ik rilde, proefde iets zuurs, veranderde van houding en werd me bewust van mijn volle blaas.
Aan de badkamervloer plakten mijn blote voeten. Zonder licht plofte ik op de bril, slaakte een zucht en sloot mijn ogen, wreef erin. Glinstersporen trokken van links naar rechts, als cirkelzagen van licht. Even leek het of ik niet in de pot maar op mijn rechterbovenbeen had geplast. Ik reikte ernaar en plotseling werd ik begroet door iets kleverig. Ik vloog naar de deuropening en sloeg op de lichtknop.
Nu pas merkte ik hoe vochtig mijn zolen waren. Mijn voetstappen waren afdrukken op het bruine tapijt. Kippenvel verspreidde zich van strot tot navel. Ik hoorde mijn vader: ‘Je moet ze nooit binnen laten, ja? Eenmaal erin, is nooit meer eruit.’ Halsoverkop spurtte ik de gang in, knalde ergens tegenaan. De pijn verspreidde zich over mijn bovenbeen en ik blies sissend uit.
In het licht van de opkomende zon lag de commode op zijn rug, de laden uit de buik verwijderd en de poten door de gang gesmeten. Flessen bleek en allesreiniger lagen verspreid over de keukenvloer, de koelkast stond verwijtend op het hondje. De buren hadden geklaagd over mijn getimmer. Maar ja, zij wisten niet beter.
Nadat ik alle zooi had opgeruimd liep ik naar de slaapkamer. Hier zag alles er tenminste nog schoon uit. Veilig. Onaangetast. Ik plofte neer. Elf lijnen op de knokkel van mijn linkerpinkvinger, veertien op die ernaast. Ik hief mijn handen voor mijn gezicht met de palmen naar beneden, als een omgekeerd smeekgebaar.
De rest van de ochtend sliep ik, in de middag keek ik tv. Nergens een spoor en ik had in alle vertrekken toiletverfrisser gespoten. Ik liet me voorover zakken op de bank en raakte met mijn tenen de salontafel aan. Van mijn vader mocht ik nooit met mijn voeten erop. Ik giechelde terwijl ik eerst mijn zolen, daarna mijn hielen op het glas legde. Een rust kwam over me. Ik voelde me ruimer vanbinnen, alsof het ook daar was opgeruimd en schoongemaakt.
Langs het opengetrokken gordijn flitste het zonlicht, een dunne straal werd weerspiegeld in het beeldscherm. Of nee, net daarboven. Ik sloot mijn ogen, drukte mijn nagels in mijn knokkels. Een netwerk aan sporen. Langs de vlezige randen die nu nog bruiner leken kropen naaktslakken.

Had ik mijn grenzen niet beschermd, het gespuis niet buitengehouden? Met mijn rechterhand voor mijn ogen prevelde ik: ‘Er zitten achttien dwarse lijnen op de knokkel van mijn rechterwijsvinger, veertien op mijn linker ringvinger, dertien op mijn pinkknokkels. Er zitten achttien dwarse lijnen op de…’ Ik strekte mijn vingers. De huid bolde op en de kruisende lijnen vormden kleine driehoeken en vierkanten.
Plotseling klonk het kletteren van de brievenbus en dat herinnerde me eraan. Ik rommelde in mijn portemonnee, vond alleen een kortingsbon van de Telos. Met twee stappen stond ik voor de voordeur en daar was het, onder een aanbieding van een woonboulevard, lichtelijk verfrommeld. Naast een 06-nummer stond: ‘Bij huisnood en isolatieproblemen’. Een moment hield ik het vast, maar ik stopte het weer weg. ‘Twee mannenhanden,’ zei mijn vader met geheven armen, opgestroopte mouwen, terwijl hij de planken weer onder de cv-ketel timmerde, ‘is wat je nodig
hebt.’
Met houtbeitel en sloophamer kwam ik de woonkamer weer in. Briesend begon ik het pleisterwerk weg te hakken, de panelen kapot te rammen. Het stof ontnam me het zicht, maar ik kon al nauwelijks iets zien, slechts mijn geklemde handen om mijn wapen. Ik viel achterover, hield mijn handen op mijn slapen, ademde snel in en uit. Boven de ravage hing een naaktslak. ‘Je kan het aan een gezicht zien,’ zei mijn vader, ‘of het de drempel over mag.’ Ja, dat had ik gedaan. Maar mijn huis had de weekdieren prioriteit gegeven. Ik brulde en verpletterde hem.
Plotseling was het stil. Nee, iets kraakte. Vanuit de plek waar de slak eerst zat kroop een scheur naar boven. Langzaam richtte ik mijn blik op het plafond. Als in slowmotion brokkelde het weg, stuk voor stuk een bruingeel vlies onthullend. Donkere schimmen maakten krassen in het doorzichtige oppervlak dat als een zeil boven me hing. Daarboven zaten reuzen. Een van hen brak door. Alsof de nacht op me ging zitten. Hij omklemde mijn pols en strekte zich uit over mijn hoofd en borst. Ik kneep in zijn kop, het zwarte vlees opwellend rondom mijn witte vuist en wierp hem tegen de muur aan waar hij ineenkromp. Opeens voelde ik twee zachte, glibberige vingers op mijn wang. Nog zo’n grote reikte naar me vanaf de bank. Ik greep de twee uitsteeksels met mijn rechterhand en trok ze naar me toe terwijl ik met mijn linkerhand het lijf van het beest in tegengestelde richting drukte. Hij landde op de vloer, de twee stompjes op zijn kop lekten groenblauwe vloeistof, hetzelfde sap biggelde op mijn polsen uit de afgerukte antennes in mijn hand.
Op en om me regende het naaktslakken. Rillingen scheerden over mijn rug en armen, ik begon te klappertanden en wreef mijn knokkels tegen mijn voorhoofd. Weg. Ik moet hier weg. Met vier grote sprongen was ik bij de deur en smeet ‘m achter me dicht. Ik knuffelde mijn nog rillende lijf, maar ik was niet alleen. Een van hen zat vastgeplakt aan mijn broekspijp. Traag hief ik hem omhoog tegen de keukenkast aan en zuchtte.
Eerst ving de zachte massa aan slakkenvlees mijn slagen op en ik voelde niets, maar ik sloeg door en door en gauw raakte ik een soort harde pijp die mijn knokkel elektrocuteerde van de pijn. Ik sloeg door. Mijn pols jankte. Ik sloeg door. Het raakoppervlak werd steeds harder. Nog een keer. Nog een keer. ‘Nog een keer,’ fluisterde ik. Een heldere krak volgde en ik stopte met slaan. Het bovenlijf trilde terwijl ik het vasthield. Slingerend aan een sliert als zwarte klei, daalde het onderlijf naar beneden. Door de opengeslagen ruimte tussen de twee slakkendelen, was het hout groenblauw en rood gekleurd, gelijk mijn vuist. Ik liet het dode mormel los en veegde mijn handen af aan mijn broek, waarop mijn rechterhand het uitbrulde van de pijn.
In de gang, aan de ene kant van de muur, boven de commode, was een dinoplek waaruit twee kakbruine naaktslakken kropen, de andere muur was besmeurd met glinsterende slakkensporen. Ik liep naar de keuken. Boven de koelkast was nog zo’n gat, op het fornuis lag een weekdier ter grootte van een hotdog. Ik haalde de autosleutel uit de besteklade, ik verstarde. Een zingende kinderstem klonk, bijna onhoorbaar. Een klaagzang.
Toen we de kakkerlakken vonden begon mijn vader met slaan. Daarna moest ik. In de andere kamer waste hij zijn handen, met een ruwe borstel. Vanuit de deuropening keek ik toe hoe de lijnen in zijn knokkels het bloed het langst vasthielden.
Ongemakkelijk drukte mijn kop tegen de airbag terwijl de hoorn van de Chevrolet klonk. De passagiersstoel was bezaaid met tegels, een balk was door het plafond geramd. Ik bracht mijn hand naar de tong van mijn veiligheidsgordel. Met grote moeite duwde ik het portier open en liet mezelf naar buiten vallen. De voorkant van mijn auto was ingedeukt. Een stuk muur brokkelde af en viel op de motorkap. Me omdraaiend zag ik de bandensporen door de tuin, de losgetrokken aardkluiten en ik stond op. Bij het hek typte ik moeizaam het nummer in. Met mijn hand tegen mijn bloedende oor luisterde ik naar de overgaande toon.
‘Goedemorgen,’ zei de verkoper enigszins beduusd. ‘Met wie spreek ik?
Ik knipperde. Het was net de stem van mijn vader.
Over de auteur
Olivier van Eijk rondde in 2024 de opleiding Arts, Media and Literary Studies af met een scriptie over de rol van dieren in verhalen binnen verschillende media. De inzichten hieruit gebruikte hij in het fantasy hoorspelproject Aleno’s Reservaat, waarvoor hij het Letterenstipendium 2024 ontving. Hiervoor schreef hij audioscripts, maakte muziek en geluidseffecten, sprak stemmen in en regisseerde. Hetzelfde jaar werkte hij mee als schrijver aan het stripboek Guardians of Grunn en schreef hij het hoorspel De Blauwe Waterspiegel. Afgelopen februari werkte hij samen met verschillende schrijvers en dichters aan Oefeningen in het Onbekende, waaruit een voorstelling voor Het Grote Gebeuren voortkwam. Olivier was een van de oprichters, organisatoren en presentatoren van de poëzieavond Natte Neuzen die nu krachtig doordendert.
Over de illustrator
Madalina Mihutoiu is een Roemeense illustrator en vogelliefhebber, momenteel woonachtig in Groningen. Ze heeft een bachelor in Illustratie & Animatie van de Minerva Academie, waar ze in 2023 is afgestudeerd. Naast illustreren doet ze aan borderen. Haar voornaamste inspiratiebronnen zijn traditionele Roemeense maskers, cartoons en de videospellen die ze lang, lang geleden speelde. Wat haar interesseert zijn (volks)verhalen, personages en hun magische kwaliteiten, fantasierijke beelden en grappige omgevingen. Ze werkt als programmacoördinator voor Stichting de Vrolijkheid bij AZC Assen, waar ze creatieve workshops organiseert voor kinderen, tieners en jongeren.
Lees meer uit de categorie kort verhaal
De afwezigen
Door Martijn van BruggenWaarom lijken verjaardagsfeestjes zo vaak op elkaar? En waarom is het zo vernederend om als eerste te arriveren op een verjaardagsfeestje? Wie dit al ongemakkelijke vragen vindt, staat nog heel wat te wachten in het korte verhaal ‘De afwezigen’ van Martijn van Bruggen. Het toepasselijke artwork is van Anne Kleinjan.