Kort verhaal

Mijn hoofd leegmaken

Door Thomas Heerma van Voss | beeld: Martien Bos
29 maart 2015

 

Op mijn dertiende vroeg dokter Schuursma of ik een lijstje wilde maken met doelstellingen voor de rest van mijn leven:
1) de eerste prijs winnen op de Wiskunde Olympiade
2) een keer tongzoenen
Nu ben ik zestien en heb ik allebei de doelen bereikt, ook al ontkent Gabriëlla nog steeds dat we gekust hebben, maar ik weet het zeker, onze tongen raakten elkaar daar in het fietsenhok, echt waar, en dat ze me daarna wegduwde doet er niet toe, ze kan duwen en ontkennen wat ze wil, we hebben gezoend.
In zekere zin is mijn leven nu dus klaar, maar toen ik aan dokter Schuursma vroeg of ik er dan ook mee mocht stoppen schoot hij in de lach, en hij sloeg heel overdreven met zijn hand op zijn knie, zoals in komedies op televisie, terwijl ik helemaal geen grap maakte, en hij zei: ‘Nee, nee, er staat jou in de toekomst nog veel moois te wachten,’ en ik begreep niet wat hij bedoelde, want ik ben er vrij zeker van dat er nergens wat moois op mij wacht, ik heb mezelf Chinees geleerd maar die taal begon na zevenendertig dagen al te vervelen, en ik schaak vaak online, midden in de nacht tegen mensen uit Amerika en Japan, dan ben ik heel moe en win ik alsnog, ze zijn allemaal zo voorspelbaar en saai. Volgens mijn wiskundeleraar zal ik later een beroemd wiskundige worden, hij zegt dat ik als ik echt mijn best doe zelfs de Nobelprijs kan winnen en hij geeft me iedere les een stapel opgaven van de universiteit mee, hoewel ik pas in de vierde klas zit, en wanneer hij me die overhandigt zegt hij: ‘Hier, speciaal voor jou, kijk maar of je dit niveau haalt,’ maar die raadseltjes zijn heel simpel, ik los ze binnen twee minuten op, echt, soms zelfs in minder dan dertig seconden, ik gebruik graag een stopwatch als ik met wiskunde bezig ben, mijn laatste proefwerk deed ik in vier minuten en negenenvijftig seconden, ik haalde een negen punt acht, heel stom dat het geen tien was, maar ik gebruik principieel geen rekenmachine dus ik kon de vraag over het plotten van een grafiek niet beantwoorden.
Mijn naam is trouwens Otis, vernoemd naar een zanger van wie ik nooit een nummer heb afgeluisterd, als mijn vader het opzet en zegt: ‘Grappig hè, deze man heet ook Otis,’ loop ik meteen de kamer uit, ik heb een hekel aan muziek, het leidt af en husselt mijn gedachtes door elkaar en soms kan ik er zo slecht tegen dat ik op mijn bed ga liggen en mijn hoofd verstop onder een kussen. Ik weet niet wat je verder aan deze informatie hebt, maar dokter Schuursma heeft me verteld dat ik me moet voorstellen als ik tegen vreemden spreek dus dat doe ik maar, al moet je niet denken dat ik alles zomaar doe wat dokter Schuursma zegt, helemaal niet, meestal antwoord ik niet eens meer als hij me een vraag stelt.

Pas als mijn moeder uiteindelijk vraagt: ‘Otis, zullen we naar huis gaan?’ realiseer ik me dat het me weer niet gelukt is: mijn hoofd leegmaken

Vandaag is het dinsdag, volgens mijn zusje de stomste dag van de week, maar dat begrijp ik niet want waarom is woensdag of maandag nou minder stom, op school verandert toch nooit iets, en in het weekend moet ik naar dokter Schuursma om de week te bespreken, en omdat iedere week hetzelfde is zijn de besprekingen dat ook, en ik zit daar maar te wachten zonder te weten waarop, en als het kan speel ik Tetris op mijn Game Boy, en ik probeer mijn record te verbeteren, negenentwintig minuten en zeven seconden is het nu, zo lang zette ik de vierkanten op de vierkanten en de rechthoeken op de rechthoeken en de latten op de latten, en na afloop riep ik: ‘Kijk, bijna een half uur, ik heb mijn record verbroken,’ maar niemand aan de ontbijttafel reageerde enthousiast, mijn zusje zei: ‘Kan je dan nu eindelijk eens normaal doen?’, en mijn moeder zei: ‘Sssht, Sandra, dat mag je niet zeggen,’ en daarna vroeg ze snel of ik nog een boterham met ossenworst wilde, en mijn vader zei al die tijd niets, ik zal zijn naam nu ook niet noemen, dat is informatie waar je niets aan hebt, neem van mij aan dat het een zwijgzame, grijze man is, hij zat daar maar tegenover me met een vreemde grijns, al leek hij helemaal niet blij, en ondertussen roerde hij luidruchtig in zijn koffie, zoals iedere ochtend, echt waar, als ik aan mijn vader denk zie ik hem in zijn kamerjas zitten en hoor ik het geluid van zijn lepeltje dat over de bodem van zijn beker schraapt.
Dit keer kom ik niet verder dan zeventien minuten, ik zit aan de keukentafel en mijn moeder smeert boterhammen en uit het niets zegt mijn vader: ‘Otis, je moet gaan, anders kom je weer te laat op school,’ en hij pakt mijn hand en fluistert: ‘Probeer het alsjeblieft leuk te hebben. Het leven kan echt aangenaam zijn, als je er maar je best voor doet.’
Af en toe heeft mijn vader zo’n ochtend, dan benadrukt hij opeens ieder woord en kijkt heel diepzinnig, mijn wiskundeleraar kijkt ook weleens zo, al maakt hij alsnog kinderlijke fouten in zijn berekeningen, dat zeg ik dan ook tegen hem: ‘Het klopt niet, die tweede x kwadraat moet x tot de derde zijn,’ en ik blijf het zeggen tot hij zijn fout inziet, en als hij me echt niet hoort ga ik harder praten, net zolang tot hij me wel moet horen, maar gek genoeg is hij nooit blij met mijn hulp, vorige week zei hij zelfs: ‘Otis, ga maar even bijkomen op de gang,’ terwijl hij natuurlijk degene is die moet bijkomen gezien zijn stomme fouten.
Mijn vader laat mijn hand maar niet los, volgens mij probeert hij me op te vrolijken, maar dat is hem in al die jaren nog nooit gelukt, het lijkt me ook handiger als hij zichzelf eens opvrolijkt, want hij is steeds heel boos en ’s avonds hoor ik hem vaak tegen mijn moeder tekeer gaan, dan lig ik in bed of maak ik sommen en dan hoor ik zijn schorre stem door het plafond heen: ‘Misschien moeten we het opvangtehuis toch overwegen, ik houd dit niet meer vol,’ of: ‘Dit is toch ook niet goed voor Sandra?’ of: ‘We moeten iets veranderen,’ en wat mijn moeder dan antwoordt versta ik niet, zij heeft een zachtere stem, maar ze zal hem wel tegenspreken, want er verandert nooit wat. Sinds kort gaan zij trouwens ook samen naar een dokter, een heel andere dan ik heb, de mijne is er om met mij te praten en die van hun alleen om te luisteren, ik begrijp sowieso niet waarom ze daar nog heen gaan, niemand verplicht ze ertoe en altijd als ze terugkomen lijken ze extra verdrietig, vooral mijn moeder, die heeft dan rode ogen en wil wandelen in het park, om haar hoofd leeg te maken, zegt ze erbij, en omdat mij dat ook wel wat lijkt, een leeg hoofd, ga ik graag met haar mee. Samen lopen we door het park naast ons huis, in stilte, zonder anderen te groeten of toe te knikken, en aan het einde van onze wandelingen stoppen we in een café voor chocolademelk met slagroom, en terwijl we onze handen warmen aan de bekers, tel ik hoeveel klanten er om ons heen zitten en of dat aantal een priemgetal is, ik kan het niet helpen, de berekeningen komen vanzelf, ik controleer hoeveel consumpties iedereen bestelt en welke prijs ze daarvoor moeten betalen, ik vermenigvuldig de cijfers van de nummerborden die langsrijden, ik ga na of er een deel van het getal e op de menukaart te ontdekken valt, en pas als mijn moeder uiteindelijk vraagt: ‘Otis, zullen we naar huis gaan?’ realiseer ik me dat het me weer niet gelukt is: mijn hoofd leegmaken.

Gameboy 2 beter ~ De Optimist ~ Martien Bos

Op school zit ik achterin met mijn Game Boy of mijn passer en ik negeer mijn klasgenoten en zij negeren mij, tenzij ze een vraag hebben over wiskunde of scheikunde of natuurkunde, dan komen ze naar me toe en dan maak ik hun sommen en dan zeggen ze: ‘Bedankt,’ en lopen weer weg. De docenten zeggen bijna nooit iets tegen me, behalve die kneus van wiskunde natuurlijk, maar voor de rest laten ze me mijn gang gaan, eerst werden ze dan nog wel eens boos dat ik geen schrift of een agenda bij me had, maar toen kwamen ze erachter dat ik alles toch wel onthield en sindsdien laten ze me ongehinderd zitten.
Straks krijg ik mijn derde rapport van het jaar, voor Frans en Duits sta ik een zes, voor gym een vijf, en voor alle exacte vakken een tien. Dit is zo’n moment waarover dokter Schuursma zegt: ‘Geniet ervan, geef je zelf een compliment, besef hoe hoog je cijfers zijn,’ maar dat wil ik helemaal niet beseffen, ik wil geen complimenten of geen speciaal rapport, ik wil helemaal niets meer, als ik nu een lijstje zou maken met de doelstellingen voor de rest van mijn leven, zou het er zo uitzien:
1)
2)
Leeg, doelloos, maar als ik tegen dokter Schuursma zeg dat ik er net zo goed mee kan stoppen, verzekert hij me van niet, alsof hij beter weet wat mijn leven waard is dan ikzelf, wat een domme man, de laatste keer dat ik bij hem kwam heb ik dat ook gezegd, ik zei: jij bent eigenlijk heel dom, wist je dat?, en toen hij niet reageerde riep ik het door zijn praktijk, echt waar, iedereen in de buurt kon mij horen roepen dat hij dom was, dat hij geen idee had wat ik wilde, dat ik hem toch ook niet ging opdringen wat hij met zijn leven moest doen, maar hoe hard ik ook schreeuwde, hij bleef heel kalm op zijn stoel zitten, daarvoor zijn ze natuurlijk opgeleid, zulk soort dokters, altijd rustig en beleefd blijven, zelfs als iemand tekeer gaat. Hij keek er trouwens erg tevreden bij, dokter Schuursma, maar ik vond het een slappe reactie, hij zat daar precies hetzelfde als altijd, en op dat moment nam ik me voor nooit meer naar hem toe gaan, maar dat nam ik me na ieder bezoek voor en toch zat ik daar steeds opnieuw, als ik niet ging zou mijn vader namelijk weer boos worden en dan is hij op zijn ergst. Dus zo stond ik daar in de deuropening van dokter Schuursma, ik wist dat ik hier snel terug moest komen en dat het toch niet uitmaakte wat ik deed, en bij dat besef schreeuwde ik nog harder, ik kon me niet meer inhouden, en hij zei: ‘Otis, is er misschien iets waarover je wilt praten?’, en toen hield ik het echt niet meer vol. Praten, praten, praten, waarom altijd dat praten, dag in, dag uit, wat voor zinnigs heeft een gesprek ooit opgeleverd, wat zal dat veranderen, en vlug keek ik om me heen, ik telde hoeveel boeken er in de kast van dokter Schuursma stonden, ik probeerde een systeem in de kleuren en titels te ontdekken, en de decimalen van het getal e drongen zich aan me op, zomaar, uit het niets, al die getallen schoten ineens voor mijn ogen langs, en daarna zag ik dokter Schuursma weer zitten, vlak voor mijn neus, dat rustige meelevende smoeltje waar ik al zolang ik me kon herinneren naar moest kijken, en toen begonnen mijn vingers licht te trillen en deed ik iets wat ik nog aan niemand heb verteld: ik gooide mijn Game Boy naar hem, gehaast en ongecontroleerd, ik dacht: dit apparaat kan wel tegen een stootje, en de Game Boy kwam tegen zijn voorhoofd, met een harde, doffe knal, en pas toen ik dat geluid hoorde, begreep ik wat ik had gedaan, maar dokter Schuursma werd nog altijd niet boos, hij legde alleen een hand op zijn voorhoofd en keek me afwachtend aan en die reactie vond ik heel teleurstellend, nog veel teleurstellender dan als hij was gaan schelden of mij een klap had gegeven, en terwijl hij met de hand langzaam over zijn voorhoofd wreef, zei hij iets wat me heel droevig stemde, één zinnetje was het maar, dat me ineens deed beseffen dat wat ik ook zou proberen en hoe hard ik zou schreeuwen of smijten, ik nog jaren naar hem toe zou moeten en er niets zou veranderen: ‘Ik denk dat we er goed aan doen volgende keer een extra lange sessie te houden.’

De pauzes vind ik verschrikkelijk, honderden kinderen die zich door het schoolgebouw wurmen terwijl ik op mijn Game Boy speel, zeventien minuten en tweeënvijftig seconden, veertien minuten en negen seconden, drieëntwintig minuten en drieëndertig seconden, alle tijden schrijf ik op, en zolang ik dat kan doen en niemand tegen me praat, hoef ik nergens anders aan te denken. Sandra zit trouwens sinds begin dit jaar bij mij op school, in de pauzes zie ik haar weleens lopen, maar dan doet ze alsof ze me niet herkent, zelfs als ik naar haar zwaai gaat ze daar niet op in, en dat vind ik eerlijk gezegd best naar, ik zal het nooit hardop zeggen, maar ik vind het wel, ik bedoel: ze is toch familie, als zij al niet de moeite neemt met me te praten, wie zal dat dan ooit wel doen? In al die tijd op school heeft Sandra me één keer gegroet, op een donderdagmiddag gebeurde dat, ze droeg een blauwe spijkerbroek en een groen shirt en een paarse ketting en zei: ‘Hoi,’ en ik was blij toen ze me groette, echt blij, even waren we niet de rare jongen en het meisje, niet de wiskundige en de brugklasser, we waren gewoon broer en zus die elkaar aanspraken in de gang op school, zoals het bij andere families gaat, maar nog voordat ik mijn mond had opengetrokken, praatte ze al verder: ‘Heb jij mijn broodtrommel vanochtend meegenomen?’ Ik schudde mijn hoofd en Sandra draaide haar rug meteen weer naar me toe, ik keek haar na terwijl ze terugliep naar haar vriendinnen, twee meisjes met een blonde paardenstaart, en toen ze met zijn drieën de trap afliepen hoorde ik ze zachtjes giechelen.

De wiskundeleraar vraagt: ‘Heb je een mooi rapport?’ en ik antwoord niet, omdat hij toch al weet wat voor rapport ik heb, ik ben niet dom, dat hebben ze allang besproken bij de vergaderingen

Mijn record zal ik vandaag niet verbreken, om me heen wordt teveel geluid gemaakt, misschien zijn de mensen opgewonden door de rapporten of is er iets anders aan de hand, maar ik blijf strak naar mijn Game Boy kijken, ook als de bel gaat en ik naar mijn wiskundeles moet, ik loop de trap op terwijl ik Tetris speel, zes minuten, wat een beschamende score, en nu moet je trouwens niet denken dat ik heel sloom loop, omdat ik ondertussen speel, nee, ik loop sneller dan alle andere leerlingen, dat doe ik altijd want ik moet een vrije plaats in het lokaal, en ook vandaag kom ik als eerste binnen, alleen de wiskundeleraar is er al, hij zit achter zijn bureau en zegt: ‘Dag Otis’, maar ik groet die sukkel natuurlijk niet, ik loop naar de stoel rechts achterin, zo ver mogelijk bij hem vandaan, en nog altijd speel ik Tetris, elf minuten en vierenveertig seconden, ik bak er echt niets van vandaag. De wiskundeleraar vraagt: ‘Heb je een mooi rapport?’ en ik antwoord niet, omdat hij toch al weet wat voor rapport ik heb, ik ben niet dom, dat hebben ze allang besproken bij de vergaderingen, en dan schuift de leraar zijn stoel naar achter, uit mijn ooghoek zie ik dat hij een krijtje pakt en een formule op het bord schrijft, een heel simpele lineaire functie, echt lachwekkend eenvoudig maar de leraar zal er vast wel weer een halve les mee vullen, nu kliedert hij het bord al vol met onzinnige uitweidingen en daarna draait hij zich met een ruk naar mij toe: ‘Otis, wat heb ik je vorige week nou gezegd?’ Het lijkt me ook onzinnig daarop te reageren, ik bedoel: als hij laatst iets gezegd heeft zal hij het toch moeten weten, en met zijn krijtje nog altijd in de hand komt hij naar me toegelopen. ‘Als je niet van plan bent van je speeltje op te kijken of op een andere manier deel te nemen aan de les, dan mag je van mijn ook gewoon naar huis gaan. We kunnen altijd een speciale regeling treffen met onze bijzondere leerling.’ Zonder dat ik antwoord haalt hij drie A4-tjes uit zijn broekzak, en ik weet meteen wat het zijn: nieuwe opgaven van de universiteit, allerlei sommen en theorieën die wij op school nooit zullen behandelen en die ik toch makkelijk zal vinden, en hij knipoogt naar me terwijl hij ze overhandigt, alsof we een geheim delen, en ik heb de neiging te roepen: ‘Ik wil helemaal geen bijzondere leerling zijn, laat me toch, doe die sommen lekker zelf.’ Ik wil het door het lokaal schreeuwen en daarna de Game Boy naar zijn hoofd smijten, nog veel harder dan ik bij dokter Schuursma heb gedaan, ik wil dat hij op de grond klettert en nooit meer iets tegen me zegt.
De deur van het lokaal gaat open en de rest van de leerlingen komt binnen, elf dragen een spijkerbroek, negen hebben een zwarte Eastpak, drie van de Eastpaks hebben een kapotte ritssluiting, en de leraar neemt het woord en ik speel Tetris. Eerst stelden klasgenoten daar nog wel eens vragen over, waarom ik dat deed, een jongen zei: ‘Tetris, dat is toch iets van twintig jaar geleden, zo´n ouderwets, imbeciel spelletje, wie doet dat nou nog?’, maar nu laten ze me gelukkig mijn gang gaan, en tegen het einde leen ik een potlood van de jongen die schuin voor me zit en daarmee los ik de opgaven op die de leraar voor me heeft uitgezocht, zeven zijn het er in totaal, ik ben er dertien minuten en vierenveertig seconden mee bezig, en als schoolbel gaat leg ik ze op het bureau van de leraar en ik ga het lokaal uit voor hij iets tegen me zegt.
Bij mijn fiets bind ik mijn Game Boy en mijn rapport onder de snelbinder, en in de verte zie ik Gabriëlla, ze wendt haar blik af, dat doet ze eigenlijk steeds als ik in de buurt kom, de gore slet, één keer stak ze nog haar middelvinger naar me op en zei: ’Viezerd,’ maar daar trok ik me niets van aan, echt niet, en ik pak mijn mobiel uit mijn achterzak, ik heb beloofd mijn ouders bij ieder nieuw rapport te bellen, volgens mij willen ze dat alleen omdat andere kinderen het ook doen, al weet ik best dat ik er niet ineens normaal van word of zoiets, misschien kunnen ze even denken: mijn zoon gedraagt zich zoals de andere kinderen, en ik gun hun die gedachte, en geconcentreerd toets ik het telefoonnummer in, bij het vorige rapport draaide ik per ongeluk de eerste zeven decimalen van π in plaats van het nummer van mijn ouders, heel dom was dat, maar nu druk ik wel op de goede knopjes en ik hoor de telefoon twee keer overgaan en dan de zware stem van mijn vader, eerlijk gezegd hoopte ik dat mijn moeder zou opnemen, maar die is waarschijnlijk boodschappen aan het doen of boterhammen aan het smeren of rondjes door de buurt aan het lopen, en mijn vader zegt: ‘Otis, wat fijn dat je belt,’ maar hij klinkt helemaal niet opgewekt, eerder een beetje teleurgesteld, alsof hij stiekem hoopte helemaal nooit meer van me te horen, en ik zeg: ‘Ik heb mijn rapport,’ en hij zegt: ‘Gefeliciteerd,’ wat natuurlijk een domme opmerking is, want iedereen krijgt een rapport, zelfs de meest debiele leerlingen, en mijn vader vraagt: ‘Heb je Sandra nog gezien?’ en ik zeg: ‘Ik geloof het wel,’ een paar seconden is het helemaal stil, en uiteindelijk zegt hij: ‘Kom je nu naar huis?’ en ik antwoord: ‘Ja,’ hoewel ik eigenlijk helemaal niet naar huis wil, maar ik weet ook wel dat ik nergens anders heen kan en zelfs als dat zou kunnen, verandert er niets, morgen zal ik toch wakker worden als mezelf en als dokter Schuursma aan het einde van de week vraagt wat ik geleerd heb, zeg ik: ‘Niets’, en als hij vraagt wat ik nog wil leren in de toekomst zeg ik ook: ‘Niets’, en daarna probeert hij me er via allerlei omwegen van te overtuigen dat er nog genoeg moois aan zit te komen, maar hij krijgt daarvoor betaald en ik niet dus dat kan nooit een gelijkwaardig gesprek worden, het liefst zou ik mijn Game Boy door zijn keel douwen tot ik nooit meer naar hem toe hoef te gaan, echt waar, maar dan moet ik waarschijnlijk elke dag naar een dokter en dat is wel het laatste wat ik wil, dus ik doe het niet, ik zeg tegen mijn vader: ‘Ja, ik kom naar huis,’ en ik hang op.

Over de auteur

Thomas Heerma van Voss (1990) debuteerde in 2009 met 'De Allestafel'. Vier jaar later verscheen zijn tweede roman: 'Stern'. In 2014 kwam de verhalenbundel 'De derde persoon' uit. Hij heeft interviews, verhalen en artikelen gepubliceerd in onder meer Vrij Nederland, NRC Handelsblad, de Volkskrant, Trouw, L’Officiel, VARAGids, De Correspondent, Tirade, Das Magazin, Hollands Maandblad, De Gids en Passionate.

Over de illustrator

Martien Bos is naast freelance tekstschrijver ook illustrator voor diverse tijdschriften, kranten en uitgeverijen in binnen- en buitenland. Hij tekende onder andere voor De Optimist, NRC Handelsblad, VPRO, De Standaard, uitgeverij Boom en Athenaeum–Polak & Van Gennep. Zie martienbos.com.

Lees meer van

Portret: Thomas Heerma van Voss

Door Thomas Heerma van Voss

Aflevering acht in onze portrettenreeks van bijdragers aan het Handboek voor een Optimistisch leven (Atlas Contact) is schrijver Thomas Heerma van Voss. Eerder verscheen van zijn hand bij ons het schitterende verhaal ‘Mijn hoofd leegmaken’. Voor het boek schreef hij ‘Geliefde, ik hou van je’, waarin een gesprek tussen moeder en zoon onvermijdelijk de ongemakkelijke kant op gaat. […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Loodjeslijst

Door Miranda de Haan

De sigarettenautomaat staat half achter een doorgezakte bank. Er hangt een briefje op de automaat: ‘defecto’. Ik zucht. Op de bank slaapt een meisje. Ze ligt op haar zij en haar jurkje is tot over haar heupen opgekropen. Haar arm ligt over haar gezicht. Er hangt een spiegel boven de bank en naast mijn eigen […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper