Kort verhaal

Kiespijn

Door Dorien Dijkhuis | beeld: Anouk van der Meer
24 augustus 2015

‘Tanden hebben zorg nodig, meneer Jacobs,’ zei de tandarts. Ze inspecteerde met een spiegeltje aan een lange steel de binnenkant van zijn mond. ‘Net als bloemen in een vaas.’ Haar neus stak boven het mondkapje uit, het puntje bewoog wanneer ze sprak. ‘Die moet je schuin aansnijden zodat ze genoeg voeding kunnen opnemen.’
   Haar stem klonk streng. Alsof de tandarts niet gewend was aan tegenspraak. Geen wonder ook, dacht Jacobs. Haar patiënten lagen, net als hijzelf op dit moment, weerloos in de tandartsstoel, hun monden zover opengesperd dat er niets verstaanbaars uitkwam, al zouden ze het proberen.
   Haar eigen mond ging schuil achter een lichtblauw kapje, het bedekte de helft van haar gezicht. Vlak boven het montuur van haar bril leken haar wenkbrauwen op twee fluweelrupsen die elkaar probeerden te omhelzen.

kiespijn 2

Het was zeker vier jaar geleden dat Jacobs voor het laatst bij de tandarts was geweest. Minstens acht oproepen voor de halfjaarlijkse controle had hij genegeerd. Eerst uit luiheid, daarna uit angst dat hij in de tussentijd zoveel gaatjes had gekregen dat het tandartsbezoek zou uitlopen op een extra pijnlijke behandeling. Maar nu was er geen ontkomen aan.
   Sinds drie dagen had hij heftige kiespijn. De pijn straalde uit naar zijn linkerkaak en
-wang. Eten kon hij amper. Zelfs praten was lastig. Niet dat er bij hem thuis veel te praten viel. Een week eerder was zijn vrouw bij hem weggegaan. Die ochtend lag er een briefje op tafel: ‘Ik ben weg. Je hoeft me niet te zoeken, want ik blijf weg. Clara.’

De assistente legde een aantal gereedschappen op het uitschuifbare tafeltje dat aan de tandartsstoel vastzat. Lange stelen met haakjes, punten of borsteltjes eraan. De geur van haar parfum zond een steek door Jacobs hart.
   De tandarts pakte een lange steel met een haakje. Het metaal schitterde in het felle lamplicht. ‘Ach, hoor mij nou over bloemen! We zitten hier niet bij een cursus bloemschikken, we hebben het hier over uw gebit! Uw kostbaarste bezit!’
   Ze had natuurlijk wel een punt, dacht Jacobs. Zijn bezwete handen veegde hij zo onopvallend mogelijk af aan de zijkant van zijn spijkerbroek. Als hij ieder half jaar trouw gehoor gegeven had aan de oproep voor periodieke controle, was het niet zover gekomen met die kies. Zijn vrouw zou zoiets nooit overkomen zijn. Die ging wél trouw elk half jaar naar de tandarts. Iedere avond na het tandenpoetsen floste ze braaf. Nee, Clara zou het er met haar gebit nooit zo op aan hebben laten komen.

Jacobs begreep niets van het vertrek van zijn vrouw. Ze waren vijftien jaar geleden getrouwd. Gelukkig getrouwd, als je het hem vroeg. Ze woonden in een oud huis, dat ze samen hadden opgeknapt, aan de rand van de stad. Ze hadden extra aandacht besteed aan de keuken.
    Jacobs maakte er die eerste jaren minstens één keer per maand ‘coq a l’amour’, zijn befaamde versie van de klassieke coq au vin, die zich erin onderscheidde dat er behalve wijn ook een flinke scheut cointreau in ging. Ze waren beiden dol op kokkerellen, hoewel Jacobs zich niet meer kon herinneren wanneer hij voor het laatst uitgebreid voor zijn vrouw had gekookt. Na het eten las hij vaak in één van zijn biografieën over ontdekkingsreizigers terwijl zij luisterde naar oude jazzplaten die ze verzamelde, krakende opnames van Louis Armstrong en Billie Holiday. Of ze speelden een potje schaak op het houten schaakbord dat Jacobs van zijn grootvader geërfd had.

Met korte bewegingen krabde de tandarts aan de achterkant van zijn tanden. Wanneer ze druk zette, klonk het alsof er iemand een oester openwrikte met een mes. Jacobs kneep in de armleuningen van de leren stoel. De assistente was nergens te bekennen.
   De tandarts ruilde de krabber in voor een slangetje. Het slurpte luid zijn speeksel op. Wanneer hij probeerde te slikken, maakte het een gorgelend geluid.
   ‘Zorg is iets groots, meneer Jacobs.’ De tandarts verhief haar stem. ‘Iets heroïsch, zou ik bijna willen zeggen. Het vereist concentratie, tijd en liefde. Zijn dat dingen die u op kunt brengen?’ Naast de slang, die in zijn mondhoek zat geklemd, zette de tandarts een plastic klem. Zo bleef zijn mond maximaal opengesperd. Zijn kaakspieren trilden.
   Er zweefde een injectiespuit zijn kant op, met een naald zo dun dat je hem bijna niet zag.
   ‘Nee hè, meneer Jacobs?’ De tandarts trok zijn wang met een tang opzij en zette de naald in zijn tandvlees. ‘Dat zijn dingen die u niet op kunt brengen. U kunt niet iedere dag drie keer drie minuten de tijd nemen om aandachtig uw tanden te poetsen. U kunt het niet opbrengen om uw tanden na elke poetsbeurt te flossen en te stoken. Pocket voor pocket, kies voor kies, tand voor tand. Dat zijn simpelweg dingen waar u de moeite niet voor neemt.’
   Ze pakte een tang van het tafeltje en zette die om de zere kies achter in zijn mond. Langzaam wrikte ze eraan. ‘U kunt wel denken dat alles vanzelf goed komt en dat u nergens iets voor hoeft te doen, maar zo is het niet. Zo is het zelfs helemáál niet. Als u uw tanden en kiezen wilt behouden, zult u ze moeten beschermen tegen gevaren van buitenaf. Tandplak, cariës, erosie. Dat zijn allemaal dingen waaraan uw tanden ten prooi kunnen vallen als u ze er niet tegen beschermt.’
   Jacobs probeerde haar ogen te ontwijken. Dat was moeilijk, want het gezicht van de tandarts vulde minstens tweederde van zijn gezichtsveld. De rest werd opgevuld door een stuk systeemplafond en de grote ronde halogeenlamp waarmee de tandarts zichzelf bijscheen om achterin zijn mond te kunnen kijken. Alsof ze met die lamp nog veel dieper kon kijken dan dat.

 Ook Willy, de Siamese kater, en de witte stukken van het schaakspel had ze meegenomen.

Hij had zijn vrouw willen vragen waarom ze niet gelukkig was, wat er tussen hen was misgegaan en waarom ze was vertrokken. Maar wanneer hij haar belde, nam ze niet op. Hij had geen idee waar ze heen was. Ze had die ochtend haar verzameling jazzplaten en de enorme Euphorbiacactus in haar grijze Fiat geladen en was uit zijn leven weggereden. Die cactus had ze in haar studententijd van het grofvuil gered toen het nog een onooglijk plantje met geknakte stekels was. Ook Willy, de Siamese kater, en de witte stukken van het schaakspel had ze meegenomen.
   De tandarts verstevigde de greep op zijn kies. Achterin zijn mond kraakte het. Met een triomfantelijke blik trok ze de tang uit zijn mond. Ze bekeek de kies van alle kanten en gooide hem vervolgens met een boog in de afvalemmer bij de deur. Het rinkelen echode tegen de betegelde wanden van de behandelkamer.
   Bijna zijn hele leven was die kies onderdeel geweest van hemzelf. En nu lag hij onderin de prullenbak van de tandartspraktijk. Jacobs bevoelde het gat in zijn mond met zijn tong. Nee, dacht hij, die kies kwam nooit meer terug.

De tandarts controleerde nog eens de binnenkant van zijn mond met een spiegeltje. Ze fronste nog steeds. Daarna verwijderde ze alle apparatuur en gereedschappen uit zijn mond en drukte op een knopje waardoor de tandartsstoel automatisch omhoogkwam. Eenmaal rechtop duwde de tandarts een bakje onder Jacobs kin waarin hij bloed spuugde. Toen trok ze haar latex handschoenen uit, deed haar mondkapje af en gaf hem een hand.
   ‘U kunt niet gewoon maar even achterover leunen en kijken waar het schip strandt, meneer Jacobs,’ zei ze. Ze opende de deur naar de wachtkamer. ‘Een gezond stel tanden dat zich welkom en veilig voelt in uw mond, dat is kei-hard werken.’

kiespijn 1

Over de auteur

Dorien Dijkhuis schrijft poëzie, proza, essays en reisverhalen. Eerder publiceerde ze literair werk in Tijdschrift Ei, Het Liegend Konijn, Passionate Platform, De Optimist, Bouillon!, Hard//hoofd en Extaze. Voor Passionate reist ze naar plekken die een rol spelen in de wereldliteratuur en schrijft daarover reisverhalen in de serie Literaire Bestemmingen. Vind haar via doriendijkhuis.nl.

Lees meer van

Poëzie: Dorien Dijkhuis

Door Dorien Dijkhuis

Hoe dingen samensmelten De onderste plank van boekenkasten doet altijd denken aan de dood, ook als er alleen maar lichte titels staan. Omdat er in een vorig leven een zwarte kat met gele ogen in verdween om ongemerkt te sterven. Bij ‘cupmaat’ zie ik steeds zijn vingers behendig bezig met tabak, zijn tong die als […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Afspraakje

Door Frank Heinen

Jean trekt een gezicht naar de spiegel. Op zijn uiterlijk valt niet echt iets aan te merken. Niet dat hij zichzelf als wild aantrekkelijk zou omschrijven, dat niet, maar hoe noemen ze dat? Hij mag er zijn. Grote onvolkomenheden ontdekt hij niet in zijn spiegelbeeld. Nu ja, misschien zijn ogen. Die zijn aan de doffe […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper