Interview

Richard Nobbe: ‘Een goede slambattle is eigenlijk gewoon een heel erg cool debat’

Door Sophie Kok | beeld: Martien Bos
23 januari 2019

‘Dichters zijn gewoon lekkere, mooie mensen die je voor een paar minuten een compleet andere wereld in kunnen sleuren met niets meer dan woorden.’ Richard Nobbe is een dichter, performer, student en filosoof uit het mooie Groningen en de vierde finalist van het NK Poetry Slam die we hier aan je voorstellen. Door het schrijven van poëzie probeert hij grip te krijgen op de dingen die hij niet begrijpt. Ook verwerkt hij in zijn gedichten graag anekdotes over zijn jeugd in Oost-Groningen. Lees hieronder meer over zijn weeshuis voor eenzame zinnen, de meest geschikte kleding voor op een slampodium en de verspreiding van het evangelie van de poëzie. 


Hoe/ waar ben je in aanraking gekomen met poetry slam en hoe kwam je erbij hier zelf aan mee te gaan doen?
Ha, leuk verhaal, ik heb mijzelf namelijk nooit bewust geplaatst voor deze wedstrijd. Ik deed ruim een jaar geleden mee aan een poetry slam in Groningen en won die toen, maar ik wist niet dat dit een voorronde was voor het NK Poetry Slam. Maanden later kreeg ik een mailtje met de mededeling dat ik in de halve finale van het NK stond. Ik reageerde ook met een ‘Wat leuk! Maar waarom?’ Het voelde voor mij een beetje alsof ik op het veldje in de buurt een balletje over stond te trappen (ik kan niet voetballen om mijn leven te redden) en dat Ronald Koeman dan plots voor me staat en mededeelt dat hij me wel in de basis van Oranje wil. Toen ik eenmaal doorhad dat het geen verkeerd verzonden mail of zeer uitgebreide poets betrof, dacht ik wel meteen ‘Fuck it, dan ga ik er ook voor.’

Hoe zou je je werk/stijl typeren? Wat zijn terugkerende thema’s bijvoorbeeld?
Ik stuitte eigenlijk pas op een overkoepelende thematiek in m’n werk toen ik de sets voor de halve finale aan het voorbereiden was. Ik merk dat ik een soort van onderzoek doe naar kennis en vooral naar de prijs die men dan voor die kennis moet betalen. Ik heb vorig jaar een tijd in een psychiatrische instelling verbleven omdat ik letterlijk fysiek ziek was geworden. Ik zat de hele tijd in m’n kop en wilde alleen maar dingen weten, dus ik at ongezond en bewoog veel te weinig, waardoor ik op een gegeven moment een soort van implodeerde. Dat voelde een beetje als de prijs die ik betaalde voor kennis. Toch blijf ik het schrijven van poëzie gebruiken om grip te krijgen op dingen die ik niet begrijp. Niet dat het er veel duidelijker van wordt (soms weet ik zelf niet eens waar mijn poëzie over gaat), maar het geeft mij in ieder geval wat rust. Verder is het vooral ritmisch en probeer ik de absurde kern uit schijnbaar normale situaties te plukken.

Schrijf je je teksten met het podium in gedachten? (Schrijf je aparte teksten voor op papier en voor op het podium? En zo ja, wat is het verschil?)
Eigenlijk niet, maar ik zit wel bij de Dichtclub in Groningen, waar het een goed gebruik is dat dichters elke maand minstens één nieuw gedicht voordragen. Dus alles wat ik schrijf, wordt uiteindelijk toch wel op de planken voorgedragen. Vaak in de eerste instantie wel van mijn telefoon, want mocht het dan toch een kutgedicht blijken met een lauwwarm theaterapplausje, dan is er tenminste geen boom voor gestorven. Ik merk wel dat ik het prettiger vind om voor te dragen met gedichten die wat meer modulair van aard zijn, hiervan kan ik dan – afhankelijk van de situatie – de tekst aanpassen. Zo heb ik een gedicht over De Rijdende Rechter, waarvan elk seizoen de tekst wat verandert. Verder is er ook wel poëzie die ik nooit voordraag, maar dat kan komen omdat ik het zelf veel te hermetisch of intertekstueel vind en je een halfjaar obscure internetmemes hebt moeten zitten loeren voordat je er überhaupt grip op krijgt. Dat soort gedichten stuur ik dan graag naar literaire tijdschriften omdat ik soms wel eens toe ben aan een teleurstellende mail. Daarnaast vind ik sommige van mijn gedichten simpelweg gewoon niet goed of leuk genoeg om te delen met een publiek. Soms verandert die mening over dat laatste overigens wel, dat ik een jaar naar dato wat teruglees en ineens denk ‘Fuck, dat is eigenlijk best wel een sterk stukkie.’ 

Waar haal je inspiratie vandaan? 
Eigenlijk overal wel, ik ben zo’n irritante artistieke lul die iemand midden in een gesprek onderbreekt om te zeggen dat ik hetgeen wat hij of zij net zei een mooie zin vond. Daarna vraag ik of ik die zin mag gebruiken in mijn poëzie, waarna ik die zin in een worddocument druk dat eigenlijk een weeshuis is voor eenzame zinnen. Soms zit ik tijdens college een gedicht te schrijven in plaats van dat ik oplet. Zo kwam de persoon Douglas Walton een keer in een van mijn gedichten terecht. Ik heb geen idee wie de beste man is, maar het schijnt uitgelegd te zijn in het college. Uiteindelijk is Douglas Walton dan ook vervangen door ‘een dode witte filosoof’, want statistisch gezien is het heel waarschijnlijk dat hij dat is. Verder put ik natuurlijk graag uit de klassieke bronnen (dat tweeluik van Stephen Fry over de Griekse Mythologie en Neil Geimans’ hervertellingen van de Noorse Mythen zijn om van te smullen) maar ik haal ook graag mijn inspiratie uit mijn andere literaire liefde: de stripboeken en de absurde verhalen die zij met zich meedragen. In zekere zin zie ik de superhelden ook als de mythen van vandaag de dag, vooral ook omdat het allemaal minstens net zo warrig is als al die superoude teksten. Het helpt mij, in tegenstelling tot het heersende beeld van de lijdende kunstenaar, overigens niet om onder invloed te zijn van wat dan ook. Ik dicht oprecht het best als ik brood- en broodnuchter ben. Tenzij ik heel zat ben, dan ga ik in kroegen op bierviltjes zitten pennen en iedereen gedichten geven, of ze het nou willen of niet. Over de kwaliteit van die poëzie weet ik overigens weinig, dus als iemand die dit leest toevallig ooit een keer zo’n ding van mij gekregen heeft: ik ben razend benieuwd.

Hoe ga je om met plankenkoorts? Of ben je een podiumbeest in hart en nieren?
Heel slecht. Nee gekheid. Over het algemeen kan ik best wel heel erg goed met zenuwen en het podium omgaan. Waar ik in normale sociale situaties altijd het liefst zo snel mogelijk de rattentaxi pak (als je mij bang wil hebben, dan moet je het woord netwerkborrel laten vallen), voel ik me op het podium wel vrij content. Ik denk ook dat alle schaamte een beetje uit het raam is gevlogen toen ik op de middelbare school in een neonroze maillot op de planken moest staan en een innige zoenscene had met een sokpop, you can only go up from there. Die theaterervaring heb ik meegenomen in de poëzie en in mijn voordragen, wat mij wel een bepaalde basis van vertrouwen met het podium gaf. Toegegeven, ik was eigenlijk zo’n klassieke van-papier-lees-dichter, dus de halve finale, die ik uit mijn hoofd deed, was wel even andere koek. Het voelde alsof ik voor het eerst zonder zijwieltjes fietste, maar dan op een superbike in plaats van op een fiets en dat je nog wel steeds gewoon een kindje van zes bent. Enfin, als ik zoveel zenuwen heb, dan probeer ik voordat ik op het podium stap een kort rustmomentje te pakken waarin ik in mijn hoofd de mensen langs ga die in mij en mijn poëzie geloven, omdat ik dat zelf op dat soort momenten wel eens vergeet. Sinds kort draag ik bij belangrijke optredens ook de dasspeld die van mijn opa was, het laatste wat ik van hem las is dat hij trots was op wat ik had bereikt en op wat ik deed, en dat geeft mij dan het vertrouwen om daar wel te staan.

Wanneer noem je je eigen optreden geslaagd?
Dat is een leuke vraag, want mijn perceptie van een optreden en de perceptie van het publiek wil nog wel eens verschillen, maar over het algemeen vind ik het geslaagd als mensen mij hebben onthouden. Vandaar dat ik niet de meest subtiele kleding aan heb op het podium (of überhaupt in mijn leven, ik bedoel: teddybeertjesdas), zo draag ik bij optredens ook vaak een felrood colbert. Als mensen mijn naam dan vergeten zijn, dan kunnen ze tenminste nog wegkomen met een ‘Weet je die ene met dat rode jasje nog?’. Uiteindelijk weet ik dat ik altijd alles geef tijdens het optreden, ik zal nooit op 80% voordragen, eerder op 120%, waardoor ik weet dat ik nooit niet mijn best heb gedaan en stiekem eigenlijk best wel trots ben op wat ik daar op het podium doe, hoe koddig het er soms ook aan toe gaat. Het was zelfs een keer zo dat ik een gedicht voorlas van mijn telefoon (foei, heiligschennis, I know, I know) en dat het ding er halverwege mee kapte. Ik was het gedicht dus volledig kwijt en besloot daarom maar aan het publiek uit te leggen hoe het gedicht af zou lopen, waarbij ik ook meteen de hele opbouw en de clou van het gedicht uit de doeken deed. Het was een soort van spontane analyse van mijn eigen poëzie, dat ondanks de onbeholpenheid van de situatie wel heel goed viel bij het publiek. Het zorgde er in ieder geval voor dat ze me niet meer zouden vergeten.

Hoe ga je je voorbereiden op de finale van 2 februari? (Zit er een bepaalde opbouw in je set? En hoe bereid je een finalebattle voor?)
Ja! Ik heb een hele specifieke opbouw van mijn sets die is gebaseerd op een synthese van adviezen die ik heb gekregen van meerdere oud-kampioenen, waarvan ik ook helemaal niets uit de doeken doe omdat ik veel te bloody competitief word van wedstrijden (en bordspellen, en games, en het leven). Verder probeer ik ook altijd mijn tegenstanders te analyseren. Ik zeg dat het is zodat ik hun zwakke punten kan ontdekken (alsof ik daar het inzicht voor heb, ha), maar eigenlijk zeg ik bij vrijwel iedereen ‘Fuck, deze lijkt me echt heel gevaarlijk, I really need to bring my A-game.’ verder besteed ik veel tijd aan het instuderen van de sets. De dag van de halve finale heb ik een kleine vijf kilometer in mijn kamer gewandeld omdat ik continu mijn sets al ijsberend aan het repeteren was. Ook wil ik uiteraard nog nieuw werk meenemen dat nog verser is dan de groente- en fruitafdeling van de Lidl. Voor de battle in de halve finale had ik mij overigens totáál niet voorbereid, enerzijds omdat ik heel slecht ben in tijdsmanagement (de Pomodoro-techniek is veel tomaten kauwen, toch?) en anderzijds omdat ik in een ronde met sterke tegenstanders niet dacht dat ik het zo ver zou schoppen. Gelukkig/helaas dacht de jury daar anders over, dus stond ik daar volkomen onvoorbereid op het podium, wat zo ongeveer een samenvatting van mijn leven zou kunnen zijn. Ik moet zeggen dat ik door die battle wel de smaak te pakken heb gekregen en dat jullie in de finale een Richard kunnen verwachten die op scherp staat.

Tegen/ met wie zou je het liefst in de finalebattle van het NK Poetry Slam terechtkomen? 
Als ik uit alle mensen, levend of dood, zou mogen kiezen? Dan koos ik Socrates. Ik denk dat als hij vandaag de dag had geleefd, dat hij dan zo’n filosofiestudent zou zijn die ter plekke keihard kan battelen en iemand volkomen met de grond gelijk kan maken voordat ze er zelf erg in hebben. Uberhaupt bewonder ik het wel aan Socrates dat hij mensen volkomen onderuit kan halen met argumenten waarin hij zichzelf beledigt. Want laten we eerlijk zijn, een goede slambattle is eigenlijk gewoon een heel, heel erg cool debat, en als er iemand kon debatteren, dan was dat de vader van de filosofie wel. Ik hoop ook nog steeds dat Quentin Tarantino ooit een film maakt over Socrates, waarin Socrates dan gespeeld wordt door John Malkovich, maar dat is een heel ander verhaal. Als ik uit de finalisten moest kiezen – een wat realistischer scenario – dan hoop ik tegenover Glenn te staan, want als mijn berekening klopt (dat wil nog wel eens niet zo zijn, ik heb sinds VMBO 3 geen wiskunde meer aangeraakt) dan had hij in de halve finale net één roos meer dan ik, en om dat te verwerken zou ik een rematch wel op z’n plaats vinden. Daarnaast is hij ook gewoon retegoed en scherp, en het is immers de tegenwind die de vlieger doet opwaaien.

Wat zijn je ambities op schrijf- en optreedgebied?
Ik vind het vooral leuk en fijn om anderen te inspireren tot het schrijven van dingen. Ik wil dat de wereld afkomt van het idee dat dichten iets is voor stoffige oude mannetjes en vrouwtjes die op even stoffige zolderkamers hermetische teksten in elkaar aan het timmeren zijn over bloemen, die ze vervolgens dan voordragen in het plaatselijke buurtcentrum voor drie man publiek, waarvan er twee verdwaalde Duitsers zijn en eentje mee moest van z’n moeder. Dichters zijn gewoon lekkere, mooie mensen die je voor een paar minuten een compleet andere wereld in kunnen sleuren met niets meer dan woorden. Als er iets in de buurt komt bij magie, dan is dat wel de poëzie, want een dichter kan je dingen laten zien en voelen en denken door alleen maar dingen te zeggen. Dingen zeggen is ook niet meer dan wat spieren en banden gebruiken om de lucht te laten trillen. In theorie kun je dus iemand aan het huilen of lachen maken door de lucht op een bepaalde manier te laten trillen. Hoe fucking bizar is dat. Poëzie is gewoon een geweldige kunstvorm en ik breng het graag onder de aandacht bij mensen, of ze het nou leuk vinden of niet. Ook op feestjes waar alleen maar studentenverenigingslui zijn bewerk ik een of ander arrest van een rechtenstudent tot een gedicht, om mensen te laten zien dat overal wel wat poëzie in zit. Ik begin het inmiddels bijna als mijn raison d’être te beschouwen om het evangelie van de poëzie te verkondigen (in de naam van het Ritme, de Rijm en het Enjambement, Halleluja amen). Ideële ambities terzijde wil ik ook gewoon beroemd genoeg worden om mee te doen aan Wie is de Mol, De Slimste Mens of een ander NPO-programma waarin BN’ers wat geinigs mogen doen.

Als je een (literair) voorbeeld zou mogen uitkiezen dat jou een jaar zou coachen, wie zou je dan kiezen?
Sowieso Ellen Deckwitz, vorig jaar was zij gastschrijver bij mij aan de universiteit en heb ik colleges van haar mogen volgen. Ik heb mijn poëzie nog nooit met zulke grote stappen vooruit zien gaan. Zelfs mensen die er de ballen verstand van hebben, zien dat het beter is geworden evenals de mensen die er wel wat over weten. Maar goed, de collegeweek was maar acht colleges, en had een sneltreinvaart waar een TGV nog jaloers op is, en ik heb het gevoel dat ze me nog veel, veel meer leren kan. Bovendien is ze daarnaast ook gewoon bijzonder lief (ze belde me toen ik in het ziekenhuis lag, terwijl de collegereeks al afgelopen was, dat zijn pas toegewijde docenten) en volgens mij hebben we in college eens afgesproken om ooit eens Dungeons & Dragons te spelen. Het lijkt me sowieso een feest om te DnD’en met alleen maar dichters.  Ik voorzie nu al dat het een groot drama wordt, heerlijk.

Mocht er nog eens een Nobelprijs voor de literatuur uitgereikt worden, wie zou hem dan moeten winnen?
Ik was echt bang dat Bob Dylan dood zou gaan voordat hij de prijs in ontvangst kon nemen, ik ben sowieso in een permanente staat van bang zijn dat Bob Dylan doodgaat. Anyway, ik vind dat Toon Tellegen de prijs verdient. Hij kan indrukwekkend veel zeggen met even indrukwekkend simpele taal en zorgt er daardoor voor dat je het gewone net wat meer waardeert, en dat verdient volgens mij deze prijs. Ik las hem pas voor het eerst toen ik op de psychiatrische afdeling een bundel van hem vond, eigenlijk het enige literair verantwoorde wat er in die boekenkast daar te vinden valt. Ik werd meteen gegrepen door zijn poëzie en heb de bundel ook niet meer weggelegd voordat ik hem van kaft tot kaft had verslonden.

Hoe ziet je dagelijkse leven eruit, waar hou je je (verder) allemaal mee bezig?
Ja, om tegenwoordig te zeggen dat je series kijkt is een beetje hetzelfde als zeggen dat je hobby’s drankjes en leuke dingen doen zijn. Maar toch, ik kijk al heel lang series, al voordat Netflix er was en ik alles nog als een internetpiraat moest binnenhengelen. Ik lees ook graag boeken over filmstructuren en hoe je narratief het beste in kan zetten en ik kijk analyses van series en films. Daarnaast ben ik een enorme bordspellenliefhebber. Ik heb inmiddels een plank die uitpuilt van spellen en ik nodig graag vrienden uit om ze met me te komen spelen. Het varieert dan van de klassiekers zoals Monopoly en Weerwolven tot vreemde snuiters zoals Betrayal at House on the Hill en Bears vs. Babies. Een uitvloeisel van deze bordspellenliefde is het feit dat ik een Dungeon Master ben (het is allemaal een heel, heel stuk minder kinky dan het klinkt) bij de Dungeons en Dragons-sessies van een vriendengroep, wat mij in staat stelt om zelf bizarre verhalen en werelden in elkaar te draaien waar de spelers dan dwars doorheen mogen stoethaspelen. Op het moment ben ik bezig met het schrijven en uitwerken van een campagne waarin de spelers allemaal lid zijn van een soort van fantasy-Vindicat, inclusief agressieve kopschoppers, politieke intrige en bangalijsten met orks erop. Het is een groot feest. Ik bedenk alle karakters, locaties en dingen die ze kunnen doen, zodat zij straks mijn keurig in elkaar gedraaide verhaal volkomen in de war kunnen schoppen. Tot slot heb ik ook nog een hele lieve en beeldschone vriendin met wie ik graag op zoek ga naar daken om op te kussen. Hoe kom ik trouwens het dak van Tivoli op? I’m asking for a friend.

Wat is de leukste reactie die je naar aanleiding van een optreden hebt gekregen van een jurylid of iemand uit het publiek?
Ik las ooit voor een wedstrijd van Op Ruwe Planken in Nijmegen een kort verhaal voor over een vampier die zo intens veel honger had, dat hij de hygiënebak in het toilet opentrok en aan gebruikte tampons begon te slurpen. De mooiste reactie die ik daarop kreeg – en er zaten best wel wat juweeltjes tussen – was: ‘Gadverdamme. Ik zat te kokhalzen. Mijn stem heb je.’ Uiteindelijk won ik ook nog en dat is het verhaal van hoe mijn eerste echte publicatie een supersmerig verhaal over een vampier was. Uiteindelijk is het altijd het best om oprechte emotie te zien, of mensen nou heel hard moeten lachen bij een zin die totaal niet grappig bedoeld is of ineens verrassend emotioneel worden van een eigenlijk heel licht gedicht. Ik vind het sowieso mooi om te zien hoe anderen mijn poëzie heel anders kunnen interpreteren dan dat ik dat zelf doe. Het laat eerder de rijkheid van de taal zien dan het feit dat ik kennelijk te incompetent ben om wat coherents neer te pennen.

Als je jezelf als slammer in één van je eigen dichtregels zou moeten samenvatten, welke zou dat dan zijn?
Dan zou ik een loopje nemen met de regels en een volledige strofe pakken:

ik ben geboren als een lange jongen
maar zal sterven als een lange man
een lange man die zo lang is
dat hij niet meer in zijn grafkist kan

 

Richard Nobbe is een van de 8 finalisten van het NK Poetry Slam dat op zaterdag 2 februari plaatsvindt in TivoliVredenburg, meer info vind je hier

 

 

 

Over de auteur

Sophie Kok is redacteur bij De Optimist.

Over de illustrator

Martien Bos is naast freelance tekstschrijver ook illustrator voor diverse tijdschriften, kranten en uitgeverijen in binnen- en buitenland. Hij tekende onder andere voor De Optimist, NRC Handelsblad, VPRO, De Standaard, uitgeverij Boom en Athenaeum–Polak & Van Gennep. Zie martienbos.com.

Lees meer van

Glenn Markesteijn over zijn liefde voor Ted van Lieshout en de slamtekst als halfproduct

Door Sophie Kok

Op zaterdag 2 februari vindt in de Pandora van TivoliVredenburg de finale van het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam plaats. De acht beste (performance)dichters uit het hele land gaan deze avond de poëtische strijd met elkaar aan om de titel NK Slampion 2019, de naar Simon Vinkenoog vernoemde Gouden Vink-wisseltroffee en een geldprijs van 1000 euro. Zowel de […]

Lees meer uit de categorie Interview

De kick van iets moois

Door Jeroen Pen

Een interview met scheidend hoofdredactrice en opper-Optimist Miriam van Ommeren. ‘Zet er anders boven: ‘een indringend profiel van iemand die een of ander websiteje heeft opgericht’,’ zegt ze grijnzend. Ze zit op de bank in haar appartement in Amsterdam Oud-West. Het is het type woning dat ruimtelijk hoort te zijn, ware het niet dat er […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper