kort verhaal

Mimicry

Door Aaricia Kayzer | beeld: Sim Kaart
9 juni 2022

Het was paaszondag en Liesbeth pelde een hardgekookt, beschilderd ei uit de supermarkt. De blauwe schillen legde ze als een monotoon mozaïekje neer op de rand van haar bord. Voor de zoveelste keer had ze maar een paar uur geslapen. ’s Nachts lag ze nog steeds alleen op haar deel van het bed, zodat de lakens aan de andere kant niet verkreukelden. Als ze na een paar uur de slaap nog steeds niet kon vatten, luisterde ze naar How To Materialize Your Dreams By Visualizing Your Dreams en dan kneep ze haar ogen heel hard dicht tot ze vlekken zag. De stem op de podcast vertelde over mensen die hun dromen waarmaakten door er heel gedetailleerd over na te denken. Door hun succesverhalen voelde Liesbeth steken van jaloezie in haar zij en zelfs in haar hoofd. Het moest prettig zijn te weten dat je gedachten een onzichtbare hand in het universum konden aansturen. Een hand die Huub bij zijn hoofd zou pakken, hem bij de telefoon zou zetten, zijn vingers zou krommen tot hij haar nummer intikte. Alsof hij een prijs was bij de grijpkranen op de kermis. Maar in de ochtend had ze nooit gemiste oproepen en ook de rest van de dag bleef de telefoon stil.

            Ze bestrooide het glimmende ei met wat keukenzout. De bel ging, maar ze verwachtte geen pakketje of bezoek. Zou het Huub zijn? Vast niet, maar als ze nog even bleef zitten kon ze de illusie vasthouden dat het wel zo was.
           De bel ging nog een keer. Ze legde het ei op haar bord en liep naar de deur om door het kijkgat te spieken. Er stond een meisje in een felblauwe regenponcho op de stoep. Liesbeth haalde de deur van de knip en deed open. De poncho was te groot, de schouders staken uit en waren erg vierkant. Door de capuchon, die strak was vastgeknoopt onder haar kin, leek haar gezicht een beetje op het ei.
            ‘Goeiemorgen.’ Het meisje wipte heen en weer op haar benen en keek Liesbeth verwachtingsvol aan.
            ‘Goeiemorgen.’
            ‘Mooie dag, hè?’
            Liesbeth kon vanaf haar voordeur maar een klein stukje van de lucht zien, de rest werd geblokkeerd door de balken van de galerij. Het was erg grijs en miezerde, ze kon de druppels nog zien zitten op de poncho. ‘Eerder druilerig,’ antwoordde ze.
            Het meisje haalde haar schouders op en boog iets opzij zodat ze langs Liesbeth heen naar binnen kon kijken. ‘Ik zag u gister bij de Jumbo naast de Kruidvat, tegenover die nieuwe flat. Ik ben u gevolgd omdat u eruitzag als iemand die wilde praten.’
            ‘Omdat ik eruitzag als –’
            ‘Als iemand die wilde praten,’ herhaalde het meisje.
            Iemand was haar naar huis gevolgd. Het klonk eng. Toch voelde ze zich warm vanbinnen. Ook al hield ze zich op straat schuil achter de donkere glazen van haar zonnebril op sterkte, toch had het meisje haar gezien. Tussen al die andere mensen. Ze dacht terug aan alle momenten waarop ze ’s nachts slapeloos had gewacht op een teken van Huub. Ze had gehoopt dat het teken zich voor zou doen als een telefoontje, maar waarom zou het niet dit meisje kunnen zijn?
            Gevleid liet ze haar schouders zakken, ze kon maar beter iets relaxter zijn nu, ze wilde dit niet verpesten. ‘Weet je wat, kom binnen. Ik heb nog wat extra brood en eieren.’
            Het meisje stapte over de drempel en Liesbeth ging haar voor naar de eetkamer. Nu ze haar huis aan een vreemde moest laten zien, was ze zich plots akelig bewust van de ruimte die ze de afgelopen jaren tegen wil en dank was gaan koesteren. Twee van de muren in de woonkeuken waren nog steeds paars, de kleur die de vorige bewoners hadden gekozen, en haar gordijnen staken er lelijk tegen af. Op de vensterbank stonden drie verdorde planten en een aantal ouderwetse houten beeldjes.
            Het meisje legde haar regenponcho op de verwarming. Liesbeth liep naar de eettafel en schoof één van de stoelen naar achter zodat ze kon gaan zitten. ‘Hoe heet je eigenlijk?’ vroeg ze terwijl ze een extra bord en bestek pakte.
            ‘Lila.’
            ‘Lila. Mooi. Ik ben Liesbeth.’ Ze pakte een stuk brood en een ei met een groene schil uit de koelkast.
            ‘Sap of thee?’
            ‘Thee.’
            Liesbeth bleef bij de waterkoker staan en wachtte tot het water begon te borrelen. Als ze eten en drinken klaarmaakte voor een ander voelde ze zich net een moeder, maar ze had nooit een kind gewild. Eigenlijk wilde ze liever weer een moeder hebben dan er eentje zijn.
            Ze schonk thee in voor Lila en ging weer zitten.
            ‘Volg je vaker zomaar mensen naar huis?’ vroeg ze. Ze hoopte dat het antwoord “nee” was, dat maakte het specialer. ‘Dat kan namelijk erg gevaarlijk zijn,’ voegde ze toe. ‘Niet iedereen is vriendelijk.’
            Lila glimlachte. ‘Nee. Maar ik kijk wel graag rond. Er is altijd veel te zien. Bijvoorbeeld, loop je wel eens langs de parkeerplaats van het ziekenhuis? Daar zit om elf uur ’s ochtends altijd dezelfde man met een broodtrommel. Altijd in zijn eentje. Niet op de houten banken van het ziekenhuis maar op de stenen omheining bij de auto’s van bezoekers. Dan vraag ik me af: werkt hij daar? Of zit hij daar gewoon?’
            Liesbeth knikte.
            ‘Ik vraag me af of ik dan iets met die informatie moet. Snap je? Het voelt alsof ik er iets mee moet omdat ik het gezien heb.’
            Liesbeth knikte opnieuw, ook al begreep ze het niet echt.
            ‘Dus toen ben ik met hem gaan praten, met de man met de broodtrommel. Hij zei dat hij in het ziekenhuis werkte. Toen was de magie er wel een beetje af.’ Lila wipte het ei met haar lepel uit de schil en prakte het met haar vork tot een brei die ze over de boterham kon verspreiden. ‘Ik vond het jammer dat het antwoord één van de twee opties was die ik al in mijn hoofd had. Ik had gewild dat er een derde antwoord was.’
            ‘Wat zou een goed antwoord zijn?’
            ‘Een goed antwoord zou bijvoorbeeld zijn geweest: ik zit hier elke ochtend omdat ik tegen mijn vrouw heb gelogen door te zeggen dat ik een nieuwe baan heb, zodat ze niet bij me weggaat.’ Ze nam een hap van haar brood, kauwde, slikte en voegde toe: ‘Dan hadden we nog een lange tijd kunnen blijven praten.’

 

*

 

Lila had haar bord leeggegeten, zette het op het aanrecht en wendde zich tot Liesbeth. ‘Zal ik helpen met de afwas of gaan?’
            Liesbeth dacht aan de derde optie en zei: ‘Als je wil mag je ook mee film kijken.’
            Ze deed de gordijnen dicht zodat het avond leek in plaats van middag. Vroeger lieten haar ouders haar op Pasen een film uitkiezen, inmiddels keek ze simpelweg naar wat er op tv was. Ze gingen op de bank zitten en vielen midden in een spionagefilm. Daarna volgde een drama over mensen met affaires en relaties die stukgingen voor het altaar. Liesbeth bestelde twee pizza’s en Lila vertelde over haar ouders (op goede voet gescheiden), de studie die ze na haar tussenjaar wilde gaan volgen (biologie) en haar ex-vriendin die het had uitgemaakt omdat ze in Wenen was gaan studeren. Liesbeth vertelde op haar beurt over Huub, over zijn favoriete eten (gebakken rijst), zijn favoriete film (Million Dollar Baby), zijn favoriete douchegel (marula-olie en baobab) en over de reden waarom hun relatie was stukgegaan (“gewoon”), en toen Lila aandrong maakte ze van “gewoon” het echte verhaal, namelijk dat Huub altijd wilde dat zij iets voorstelde om te gaan doen, maar dat ze nooit iets wist omdat ze het liefst binnenbleef.

 

            ‘Vind je het niet leuk om erop uit te gaan?’ vroeg Lila. Ze zat opgepropt onder een fleecedekentje, haar knieën opgetrokken tot haar kin. De lege pizzadozen lagen naast de bank op de grond.
            ‘Jawel,’ zei Liesbeth. ‘Soms. Maar als ik met iemand ben wil ik gewoon dat samenzijn genoeg is.’ Ze wilde het beter uitleggen en voegde toe: ‘Dat samenzijn is als liggen onder een verzwaringsdeken.’
            ‘Daar krijg ik het benauwd van,’ zei Lila.
            Liesbeth haalde haar schouders op.
            ‘Jij niet?’
            ‘Ik kan het toch niet benauwd krijgen van iets dat ik zelf doe?’
            ‘Natuurlijk wel,’ zei Lila. ‘Je kan het benauwd krijgen van de kleuren op je muren en de route die je elke dag loopt, ook al zijn het je eigen benen die de ene stap na de andere zetten. Je kan het benauwd krijgen van de boeken in je kast en het eten dat je wel of niet eet.’
            ‘Van de mensen die je wel of niet zomaar je huis binnenlaat.’
            Lila gaf een verontwaardigd duwtje maar glimlachte toch. Na een korte stilte zei ze: ‘Soms krijg ik het benauwd van het idee dat ik nooit zomaar weg kan lopen zonder dat iemand belt om te vragen waar ik ben’
            ‘Niemand belt mij als ik wegloop,’ zei Liesbeth.
            Lila veerde overeind. ‘Waarom zou niemand je bellen?’
            ‘Gewoon,’ zei Liesbeth. ‘Niemand belt mij.’
            ‘Dan moet je juist weglopen. Als je zo’n kans in je schoot geworpen krijgt, moet je hem pakken.’
            ‘Het is niet echt weglopen als ik bewust wegga,’ wierp Liesbeth tegen.
            Lila haalde haar schouders op, zakte weer iets onderuit en keek naar het plafond. ‘Wist je dat er zwerfhonden zijn in Roemenië die hun hele leven aan een paal zitten vastgebonden? Ze worden gebruikt als alarmsysteem, ook al zijn er gewoon echte alarmsystemen op de markt die je al voor een paar euro kan kopen en die je geen eten of drinken hoeft te geven.’
            ‘Dat wist ik niet,’ zei Liesbeth. ‘Wat erg.’
            ‘Die honden kunnen hun hele leven niet verder lopen dan een paar meter. Je kan ze als ze volwassen zijn ook niet meer loslaten, want ze weten niet beter. Ze zijn getraind om constant boos te zijn, op iedereen.’
            Stilte. Liesbeth merkte dat haar been was gaan slapen. Ze stond op om te strekken. ‘Laten we een wandeling maken,’ zei ze toen het gevoel was weggetrokken. Ze pakte de afstandsbediening en zette de tv uit.
            Liesbeth trok een dikke jas aan en leende Lila een trui die ze onder haar poncho aan kon doen. Het was inmiddels gaan schemeren. Samen liepen ze over de onregelmatige klinkers van Liesbeth’ straat en daarna over de geasfalteerde fietspaden die de stad uit leidden. Ze kwamen langs twee snackbars met neonverlichte ruiten, een groot flatgebouw waarvan de zijkant bedekt werd door een smartphonereclame en een klein kapelletje dat vanbinnen bezaaid was met bloemen en vergeelde portretten van overleden mensen. Het was al donker toen ze over een zandpad liepen dat uitkwam bij zee.
            Liesbeth deed haar schoenen uit zodat ze het zompige zand onder haar voeten kon voelen. Het koude water rolde over haar tenen en trok zich weer terug. In de verte zag ze de contouren van een vrachtschip. Ze staarde ingespannen naar de horizon in de hoop meer te zien, maar het was te donker. Lila was naast haar gaan staan.
            ‘Wat is er aan de overkant?’ vroeg ze aan Lila.
            ‘Engeland.’
            ‘En wat zie ik als ik daar ben?’
            Lila haalde haar schouders op. ‘Ik ben er nooit geweest. Je kan er naartoe gaan.’
            ‘En dan?’       
            ‘Dan niks. Dan weet je het.’
            Liesbeth keek opnieuw naar het vrachtschip. Ze kneep haar ogen heel hard dicht en visualiseerde hoe de boot hun kant op kwam om haar mee te nemen.
            Ze deed haar ogen weer open. Het schip was nog steeds even ver weg. In haar zak voelde ze haar mobiel trillen. Ze pakte het apparaat vast en liet weer los, voor nu.

Over de auteur

Aaricia Kayzer (1996) werkt als kok en studeert aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. Ze schrijft proza en poëzie. Ander werk verscheen op Notulen van het Onzichtbare, Tijdschrift Ei en in de top 100 van De Gedichtenwedstrijd.

Over de illustrator

Sim Kaart (1990 - ja, echte naam) is overdag ontwerper en ‘s nachts illustrator. Hij neemt zijn oog voor samenhang en evenwicht mee naar de tekentafel. Illustraties mogen volgens hem uitdrukking geven aan een verhaal, zonder in te leveren aan speelsheid en authenticiteit. Zo injecteert hij waarde en humor in elk project.
Instagram: @sim_kaart

Lees meer uit de categorie kort verhaal

Als je terug komt gaan we dat doen

Door Harm Haverman

Ik word wakker. Je foto staat op het nachtkastje. Het is het eerste wat ik zie elke dag. Elke dag word ik wakker op mijn rechterzijde. Ik zorg er speciaal voor dat jij het eerste bent wat ik zie. Soms, in mijn slaap, draai ik mij onbewust om en word dan wakker op mijn linkerzijde. […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen