Bespiegeling
Door: Erica van Dooren
Beeld: Frann de Bruin
Robert trok zich terug in de badkamer. Normaal stelde hij niks uit, nu draalde hij voor de spiegel. Voelen wilde hij, voelen wat er écht in hem omging. Hij vulde een bakje met warm water en liet het dassenhaar van de scheerkwast weken. Daarna maakte hij zijn gezicht nat, schudde het overtollige water van de kwast, haalde ‘m door het zeepbakje en bracht met langzaam cirkelende bewegingen zeep aan op zijn gezicht. Hij haalde het scheermes uit het gerafelde etui en trok het over zijn met schuim bedekte wangen en kin. Een mantra was het, die beweging met het mes, centimeter voor centimeter. Bij iedere schuimvlok, bij elk afgesneden haartje kon het doek vallen. Hij spande zijn bovenlip strak over zijn tanden, schoor het filtrum en dacht aan Antonio, de Italiaanse kapper die hem de kunst van het scheren had bijgebracht. Robert ging na schooltijd bij hem langs, deed wat klusjes voor hem en liet de aangelopen zwerfhond uit.
Robert voelde zich gewaardeerd als Antonio hem aaitjes over zijn bol gaf.
‘Je hebt een mooie haardos,’ zei de kapper. ‘Als je nog wat groeit, zal je de vrouwen van je af moeten slaan. De kapper streek een lok van Robert glad.
‘Neem eens wat vriendjes van school mee.’ Hij zuchtte. ‘Dan zorg ik voor iets lekkers.’
Als Robert uit school kwam, nam hij Altijd-hongerige-Heintje mee. En er kwamen méér zwervertjes bij Antonio langs als Robert er niet was. De hond zag hoe de jongens, vaak nog jonger dan Robert, de steile trap opgingen. Met vier poten kom je zo’n trap niet op, met twee jonge benen wel. Als ze voor het eerst kwamen, rook de hond hun zweet De jongens hadden soms betraande gezichten als ze de smalle traptreden afdaalden. Antonio opende de kassa en stopte een geldbiljet in hun hand. Sommige jongens kwamen één keer. Anderen bleven terugkomen. Dat waren de jongens zonder tranen.
Toen het eerste dons op Roberts gezicht zichtbaar werd, ging Antonio naar zijn woning boven de kapsalon. Hij kwam terug met een aftands etui, het leer vertoonde scheurtjes, de randen waren ruw en rafelig. Na sluitingstijd had hij Robert in één van de grote stoelen gezet. Hij haalde het scheermes uit het etui en klapte het open.
‘Mahoniehouten handvat en zilverstaal.’ Antonio grinnikte en gleed met zijn vingers over het lemmet om het vervolgens liefdevol te slijpen. Hij gebruikte een leren riem waarover hij het mes heen en weer haalde. Als hij de goede hoek aanhield, wist hij, zou hij een vlijmscherp snijvlak krijgen.
Eénmaal had hij Robert het scheren voorgedaan. Aan het einde van de les gaf de meester het scheermes aan zijn leerling. Het mes, dat Antonio van zijn vader had gekregen, gaf hij door aan Robert, een zoon die hij zelf niet had.
‘Wees er zuinig op, dan gaat het tot het einde van je leven mee.’
Robert kon zich nu zelf scheren. Hij had zich nooit gesneden, nooit het blokje aluin gebruikt.

De kapsalon had abonnementen op verschillende kranten. Robert bladerde ze door tot de inkt zijn vingers kleurde en hij onderwerpen vond die zeker Antonio’s aandacht zouden trekken. Het plaatselijke nieuws werd eerst even bekeken: een opstootje bij de slijterij, een dode gevonden in een afvalcontainer. Maar Robert en de kapper spraken het liefst over het wereldnieuws. De rest was achterklap, vond Antonio. De jongen wachtte tot sluitingstijd, wanneer de bedrijvigheid binnen ophield en het kabaal buiten toenam, want dan had Antonio tijd voor hem.
De Islamitische Revolutie in Iran intrigeerde Robert. Antonio spuide zijn kennis erover alsof hij een college gaf, zoals hij bij alles deed wat aan verandering onderhevig was – hoe klein of groot ook – de introductie van de Walkman, Kramer vs. Kramer tot de sovjet-invasie in Afghanistan. En dan de ontdekking van het menselijke HIV… daar maakte hij zich zorgen om.
Er volgden serieuze gesprekken over de oliecrisis en de impact daarvan op de prijzen.
Ze grapten ook.
Antonio wreef over zijn buik en zei: ‘Dat wordt een dorstige Daf op Dunlopbanden.’
Robert lachte. ‘Of een verdroogde Volkswagen op Vredestein.’
Het jaartal 1979 was vermeld op de kranten waarover ze zij aan zij gebogen zaten. Ze dronken espresso en aten grissini. Alle voorpagina’s toonden hoe Iraanse demonstranten Amerikaanse vlaggen verbrandden. Ze lazen hoe Islamitische militanten de Amerikaanse ambassade in Teheran hadden bezet. De kapper sprong op en zette het zwart-wit televisietje aan dat in een hoek aan de schrotenwand van de salon hing. Hij stond met zijn handen in zijn zij, drukte zijn buik naar voren en was aangeslagen. Drieënzestig Amerikaanse diplomaten en burgers werden gegijzeld.
‘Wat een zieke geesten,’ schalde Antonio door de zaak en hij had de deur dichtgegooid, het bordje gesloten te vroeg achter de ruit gehangen.
Aan het begin van de gijzeling had Robert niet meer dan donshaar op zijn kin. Toen de gijzeling 444 dagen later werd beëindigd, zat er genoeg op om iets wat op een baard leek te kunnen laten staan. Onder de spanningen die de wereld in hun greep hielden, genoot Robert van Antonio’s aandacht, suo mentore, die hem had geslepen tot wie hij was.
Roberts borst leek strak te trekken toen hij de zwaailichten voor de salon zag die werd afgezet met geel-zwarte linten. De buurt was uitgelopen om te kijken.
‘Een scheermes,’ fluisterden de omstanders.
‘Het bloed zat tegen de muren.’
‘De vuilak, zijn verdiende loon.’
Vingers wezen naar Robert. ‘Hij nam de jongetjes toch mee?’
Het ging langs Robert heen. Hij zocht verdwaasd de hond.
Het naambord Antonio’s werd wild van de gevel getrokken door een van de politiemannen. Hij walgde van wat hij gehoord had en versplinterde dertig jaar vakmanschap met een goed gerichte trap.
Robert werd ontboden op het politiebureau. Ze hoorden hem uit over Antonio. Over hemzelf. Van die onbeschofte vragen. Zo indringend, zo persoonlijk. Een schaamtegevoel bleef hem daarna bij.
De maanden erna was Roberts blik naar beneden gericht, niet meer naar de wereld.
Hij haalde zijn diploma, volgde de krantenkoppen niet meer, zag de hond nooit terug, en Heintje ook niet.
Hij keek naar zichzelf. De reflectie in de spiegel toonde zijn symmetrische gezicht. Symmetrie én een bijna perfecte haardos – een schoonheid noemde Antonio dat. Niet één van DE zeven schoonheden, want volgens hem bestaat schoonheid in ontelbare, zichtbare en verborgen gradaties.
Veelvuldig spoelde Robert zijn gezicht na het scheren met water en bette zijn huid met een handdoek. Voorzichtig droogde hij zijn scheermes. Hij borg het op in het etui. Daarna opende hij de vijf flesjes aftershave die op het plankje boven de wastafel stonden, rook eraan alsof de geuren nieuw voor hem waren. Uiteindelijk depte hij overvloedig D&G op zijn wangen, de laatste van het rijtje, en verliet de badkamer.
Over de auteur
Erica van Dooren werkt aan een novelle over muzikanten en een roman met de werktitel Winterbloemen. Eerder publiceerde ze onder andere in Twist: tijdschrift voor ongewone verhalen en een verhalenfeuilleton in Elders Literair. Haar werk werd vertaald in het Portugees voor het Braziliaanse Littera en in het Duits voor het tijdschrift Kultur und Politik. Daarnaast schrijft ze boekrecensies voor onder meer Gaykrant en Bazarow, interviewt ze af en toe een schrijver, en coacht ze andere schrijvers bij hun werk.
Over de illustrator
Frann de Bruin (1995) is een illustrator uit Utrecht. Ze brengt in haar werk thema's als de belevingswereld van een mens, herinneringen, mystiek en de natuur tot leven. Haar werk wordt omschreven als filmisch en mysterieus en ze houdt ervan traditionele technieken te mixen met digitale illustratie.
Lees meer uit de categorie kort verhaal
Vergeet alles wat je dacht te weten
Door Harm HavermanHier loop ik, nummer 13, met mijn hoofd tegen de vroege, snijdende oktoberwind en een zware rugzak die aan mijn schouders trekt. Een nog zwaardere lading spijt en herinneringen trekt mijn rug krom en maakt dat mijn enkels bij elke stap zwikken in mijn laarzen. Maar ik vertel mezelf dat ik hard ben, keihard. Hier […]



