1, 2, 3 parachute!
Door: Wietse Leenders
Beeld: Amber Pieren
Zie me niet als een gigolo-achtig type want dat ben ik niet. Soms komt er wel seks aan te pas moet ik toegeven. Echt verdriet heeft iets geils. Niet van die stille tranen. Ik bedoel meer zo’n ‘ik weet niet meer wat ik moet doen dus ik loop de voordeur uit en de straat op’ toestand. Alle deuren staan open. Ik wil in iemand kruipen. Me warmen aan de warme, natte binnenkant.
In ieder geval. Het is halverwege september en ik wacht in mijn auto tot ik gebeld word. Soms, zoals nu, vindt de klant het allemaal heel moeilijk en moet hij je nog een paar honderd vragen stellen voordat ‘ie er eindelijk klaar voor is. Altijd: of ik wel op ze lijk.
‘Ik ben geen reïncarnatie, zeg ik, ik ben een representatie.’ Bon, op de bodem kan van alles gebeuren. Mijn klanten zijn bodemdieren. Ze leven net onder of net boven de grond. God. De zon vraagt er gewoon om beschreven te worden vanavond.
Hij wacht op me bij de lift. Gary. Hij zegt niks, drukt de knop omhoog in. Duurt oneindig voordat de lift komt. Bescheiden soort knapheid. Van dat soort dat je ziet als je goed kijkt. Als je iemands klasse wil weten moet je naar zijn kontzakken kijken. Hoe beter de zakken op zijn kont vallen, hoe hoger op de ladder. Geen achterzakken is jackpot. Middelhoog, deze. Hij kijkt naar me, glimlacht niet. Zijn ogen zijn alert, moe. Ze trekken terug en trekken mee tegelijkertijd. Als ik hem te lang aankijk, trekken ze me mee terug zijn binnenwereld in. Wat ik wil. En ook niet. Dringend type. Teder. Ping. Lift. Met uitzicht. Het wordt donker. Duizend windmolens knipogen. Ik probeer niet al te opzichtig naar mijn eigen reflectie te kijken. Het heeft me te veel tijd gekost om in het reine te komen met mijn lichaam — een prima functionerend lijf overigens. Ik houd de motor draaiende. Mijn tepels zitten misschien een beetje te dicht bij elkaar. Ik speel altijd een spel: ik denk aan alle lichaamsdelen van de jongens die ik mooi vind, zaag ze in stukken en stel mezelf opnieuw samen alsof ik mijn eigen Dr. Frankenstein ben, bon. Ik denk weinig aan mezelf. Of veel misschien. Maar zonder al te veel geweld. Gary, bekt lekker. Ga-, in, -ry, uit. Ik kijk ernaar uit zijn sterke dijen vast te houden. Ervan uitgaande dat hij sterke dijen heeft. Van iemand verliezen krijg je sterke paardendijen.
‘Dit is het huis.’
‘Mooi huis.’
‘Dit is het raam.’
‘Ah.’
Gary doet zakelijk. Zou zo maar iemand kunnen zijn die je in elkaar tikt bij het minste of geringste. Die mensen heb je. Tot op het laatste moment onduidelijk of je tikken of een kus krijgt. Misschien ben ik zo iemand, ook wel geil eigenlijk. Als je erachter komt kun je al niet meer terug.
‘Hij had een aritmisch hart en slechte darmen. ’s Nachts hoorde ik zijn lichaam kraken en scheten en zingen. Als een orkest dat stemt voor een concert. Het verbaasde me niet, toen het gebeurde. Ik keek er naar uit, denk ik. Het is raar dat je er bent.’
Er zit geweld in springen, maar het is niet hetzelfde als het bad of de strop. Iemand is plotseling weg. Het geweld vindt plaats in de minuut erna waarop je denkt dat je gek bent.
‘Ik kan vanaf nu doen alsof ik hem ben,’ zeg ik. ‘Eventjes, om te proberen.’
Hij haalt diep adem.
Mooi huis. Designy. Paul. Gary en Paul. Gary’s omschrijving van Paul heeft iets tot leven gewekt. Alsof we door bloem rond te strooien zijn spook hebben gevonden. Ik laat mijn schouders hangen en zet mijn nek en hoofd op spanning, frommel mijn lippen bij elkaar. Verdrietig, maar niet dweperig, eerder… gevoelloos. Alle vrolijkheid is een aangemeten jas, wees niemand tot last. Ik kijk op naar Gary.
‘Ik weet het niet,’ zegt hij direct. ‘Je lijkt helemaal niet op hem. Ik dacht dat je meer op hem zou lijken.’ Hij zwijgt. ‘Hij was langer.’
Ik ontspan me. ‘Ik hoef niet op hem te lijken. Na vijf minuten heb je het verschil niet eens meer door. Het is een kwestie van suspension of disbelief, weet je wel. Zoals bij Shakespeare vroeger. Soms is het goed om gewoon te besluiten dat de rode doeken bloed zijn. Bovendien: jij hebt gebeld. Jij hebt me het adres gestuurd.’
Gary kijkt weg, hij kauwt op zijn wang.
‘Je lijkt een beetje op Val Kilmer,’ zeg ik. ‘Maar dan iets verdrietiger.’
Hij glimlacht. Snelle blik op horloge. We zitten een tijdje in stilte. Oceaan achter het glas.
‘Hij hield van het uitzicht.’
‘Hier?’
‘Ja. Soms huilde hij erom.’
‘Ik hou ook van uitzichten,’ zeg ik.
Gary gaat zitten en pulkt aan de naad van de bank. ‘Wat vind je er mooi aan?’
‘De onmiddellijkheid. Zoveel dingen in één keer.’
‘Ja,’ hij kijkt naar buiten. ‘Ja.’
‘Misschien kunnen we nu het einde doen,’ zeg ik, ‘bij het raam? We kunnen het doen zoals je het liever had gewild.’
‘Ik weet het niet…’
‘Het helpt, misschien. Ik kan doen alsof ik spring, en dan ren jij naar me toe en dan trek je me uit het raam.’
Ik loop naar het raam, doe hem open en klim op de vensterbank. De wind raast. ‘Nu kom jij binnen!’
‘Ik weet niet of we dit wel moeten doen.’
‘Ik zorg dat ik je hoor deze keer.’
Gary is de kamer uitgelopen. Ik ben alleen nu.

Vroeger verzon ik een spel. Het heette ‘1, 2, 3, parachute’. Als je ‘1, 2, 3, parachute!’ riep moest de rest opspringen, hun handen om de hengsels van een denkbeeldige rugzak klemmen, en zich zijwaarts op de grond laten vallen. Het was een van die spelletjes die op ieder moment alles kon ontregelen, het liefst in het openbaar, het liefst een plek waar het stil moest zijn — op school, in de kantine bij het middageten, in de kerk — ik hield ervan. Het bevelen en opvolgen hadden hun eigen soort plezier; de eerste uit angst voor het vooruitzicht van de pijn, de laatste om het vooruitzicht van het claimen van de macht.
Ik kende een jongen, Vito, hij kwam veel bij me thuis. Mijn vader had een jaar daarvoor de klep van zijn vrachtwagen op zijn hoofd gekregen en lag altijd op de bank, waar hij tegelijkertijd televisiekeek en radio luisterde. Hij had niet eens door wie ik meenam naar mijn slaapkamer, of misschien wilde hij het niet doorhebben, en mijn moeder kon het niet veel schelen. Zolang de krant niet uit was en de sigaretten niet op waren stond ze gebogen onder de afzuigkap te lezen met de afzuiger op de hoogste stand omdat ze gek werd van al die stemmen door elkaar, al helemaal die van mijn drie broers. Zij hadden de schuur met een boksbal en brommers en hun radio. En mijn zusje, met wie ik samen met mijn moeder nog de beste band had, kwam nooit eerder dan middernacht thuis — bon — ik had de slaapkamer voor mij en Vito zelf.
‘Vito,’ zei ik. Vito was een beetje zenuwachtig, spichtig maar niet lang, bottig, wat sloom, dromerig. Dat vond ik leuk, ik verlangde er naar hem bij de les te houden.
‘Vito. 1, 2, 3, parachute.’
En hij sprong en liet zich vallen. Baf. De ramen schudden. En toen hij weer opstond zei ik, ‘Vito? 1, 2, 3, parachute.’ Baf.
En weer: ‘1, 2, 3, parachute.’ Baf.
‘1, 2, 3, parachute. 1, 2, 3, parachute.’
Het was alsof iedere keer dat hij sprong, het huis met hem mee omhoog sprong en neerkwam. Ik bleef het zeggen, steeds ernstiger, en hij bleef het doen — eerst grapte ik, toen commandeerde ik, toen prevelde ik, toen fluisterde ik. Hij zweette, raakte steeds meer buiten adem.
‘1, 2, 3, parachute, Vito. 1, 2, 3, parachute.’
Ik weet niet hoe vaak hij sprong, hoe vaak ik het zei. Hij had een brandplek op zijn slaap van het tapijt gekregen.
Ik kijk naar beneden, naar het strand en de parkeerplaats waar mijn auto staat. Ik mis niemand, denk ik. Ik weet niet of ik dat erg vind. Ik kijk achterom. Gary staat in de deuropening. We kijken elkaar aan. Hij legt zijn hand op de deurpost. Ik laat het kozijn los en stap uit de vensterbank terug de kamer in.
‘Schaam je je?’
‘Ja.’
‘Hield je van hem?’
‘Ja.’
‘Voel je iets?’
‘Nee.’
Daarna zeggen we niet veel meer tegen elkaar. Ik twijfel of ik hem wil zoenen. Ik vertrek zonder afscheid.
Even later klopt hij op het raam van mijn Subaru. Ik heb langzaam gedaan; ik hoopte dat hij achter me aan zou komen. Ik zie hem en de reflectie van mezelf tegelijk. Hij loopt om de auto heen en stapt in.
‘Ik weet niet wat ik moet doen,’ zegt hij.
‘Kijk nou,’ zeg ik, en ik start de auto. ‘In het donker lijkt het wel of alle schepen aan één touw over de horizon worden getrokken.’
Over de auteur
Wietse Leenders (hij/hem) schrijft en maakt literaire programma’s. Hij studeerde Theaterwetenschappen en Creative Writing, zijn afstudeernovelle Hannah of de Val werd genomineerd voor de Nieuwe Types Afstudeerprijs 2022. Hij publiceerde o.a. in de Revisor en op Notulen van het Onzichtbare. In 2023 was hij deelnemer van het Slow Writing Lab, waar hij werkte aan een romanplan over omgekeerd achtervolgen. Hij programmeert het jaarlijkse poëziefestival Ja! Ja! in Arnhem, schrijft recensies voor de Theaterkrant en geeft les op ArtEZ.
Over de illustrator
Amber Pieren (2001) is een illustrator uit Amersfoort. Haar interesse in de huidige tijdgeest en ‘pop culture’ zorgen voor kleurrijke digitale beeldverhalen met een vleugje humor. De illustraties zijn opgebouwd door middel van een mix van lijnwerk, kleurvlakken en tekst. Het liefst een beetje bizar en het liefst met het gebruik van neon roze. Zie: Ambers Instagram
Lees meer uit de categorie kort verhaal
Roes
Door David JacobowiczWe mogen geen vreemden voor elkaar blijven. Ik weet niet waar dat gevoel vandaan komt, maar ik herken deze momenten inmiddels en het is volkomen vergeefse moeite me er tegen te verzetten. Door mijn natte, hangende haren heen is ze opeens in mijn gezichtsveld verschenen. Mooi is ze zeker niet, maar ik minder onmiddellijk mijn […]



