Dat ding met zegels
Door: Lena Claessen
Beeld: Merel Bongenaar
I.
Het ritueel moet nauwkeurig worden uitgevoerd. Dop van de pen halen, pen opendraaien, lege vulling uit de pen, nieuwe vulling uit het doosje, vulling in de pen draaien, pen dichtdraaien. De punt over een oud boodschappenlijstje krassen (eerst een witte letter, dan een lichtblauwe, tot slot een donkerblauwe). ‘Start informal letters with a friendly greeting,’ staat er in een handleiding op WikiHow. Lieve, beste, hoi, dag. ‘Sign off with a closing that matches the tone of the letter.’ Alle goeds, groet.
Op zolder ligt mijn verzameling post. Ik bewaar alles: de ansichtkaarten die ik van mijn oma kreeg als ze op vakantie in Frankrijk was, de fictieve brieven die ik op de basisschool gebruikte als dagboek. De naam van de imaginaire ontvanger veranderde daarin voortdurend, kwam veelal overeen met de namen die ik mijn personages in ‘The Sims 3’ gaf. Later kreeg ik ook penvrienden in Zweden en Vlaanderen, kocht ik eens in de zoveel tijd een kostbaar velletje internationale postzegels, besefte ik dat mijn A5-briefpapier met de vogels van Escher helemaal niet praktisch was. Er pasten weinig woorden op, dat was altijd het probleem; niet een overschot aan taal, maar een gebrek aan papier om ze mee toe te dekken.
Tijdens het schrijven van de brieven moet ik soms mijn rechterhand knijpen en uitstrekken om de kramp in mijn vingers te verlichten, als een baby die in de lucht grijpt bij het zien van een stuk fruit. Nog altijd heb ik een voorkeur voor de vulpen, ook al ben ik al jaren vrijgepleit van het strenge anti-balpennenbeleid van de basisschool. Onze eerste aap-noot-mies leerden we met Lamy-vulpennen, en pas vanaf groep vijf mochten we, bij wijze van hoge uitzondering, tijdens rekenen een HB-potlood gebruiken om onze fouten te kunnen wissen. Erg vond ik het beleid niet. Schrijven met een vulpen vergt aandacht en dat maakt dat ik het idee had zorg te dragen voor de gekozen woorden, alsof ik ze ervan verzekerde dat ze heus ook op zichzelf waardig waren, dat zelfs de lidwoorden en tussenvoegsels niet louter fungeerden als steunbalken van de omgevende zin.
II.
Voor mijn studie Nederlandse Taal en Cultuur moest ik in het eerste jaar Middelnederlandse handschriften transcriberen. Zo regelmatig als deze middeleeuwse manuscripten zijn opgebouwd, zijn handschriften heden ten dage zelden nog. Mijn eigen handschrift is de afgelopen jaren ook veranderd, haastiger en rommeliger geworden. De letters zijn compacter, maar de halen van de L en H hoger, die van de J langer. De brieven die Elisa Verkoelen in haar kunstproject Left Hand Letters (2023-heden) schreef, doen me denken aan mijn handschrift van de basisschool, toen ik nog in schoolschrift werkte. Verkoelen schrijft in dit project brieven aan haar oma met haar niet-dominante linkerhand. Het lijkt niet de bedoeling dat haar oma de brieven ontvangt, ook al zijn ze wel aan haar gericht. Als haar oma weet krijgt van het project, wordt het pact met het papier doorbroken. ‘Lieve oma,’ schrijft Verkoelen, ‘sinds u afweet van mijn linkshandige brieven hoef ik u niet meer in het geheim te schrijven.’
Verkoelen doorbreekt de conventie van het brievenschrijven: er wordt bewust niet met de dominante hand geschreven, en er komt in principe geen respons. Emma Hauck gaat hier, al dan niet bewust, nog veel verder in. Hauck werd in 1909 wegens psychotische klachten opgenomen in een psychiatrische kliniek in het Duitse Heidelberg, waar ze repetitieve brieven aan haar geliefde Michael richtte. Met potlood schreef ze Herzensschatzi komm en Komm duizendmaal over elkaar heen, totdat de woorden onleesbaar werden. De teksten vallen onder asemisch schrift: de woorden worden zo vaak herhaald, dat de semantische inhoud verdwijnt. De brieven werden nooit verstuurd. Wel werden ze verzameld door een psychiater van de kliniek en lieten een blijvende indruk achter: ze werden geëxposeerd in onder andere het Museum of Modern Art in New York, en in 2021 publiceerde de Nederlandse fotograaf Nanouk Prins het fotoboek Empty Forest, geïnspireerd op de brieven van Hauck.
Wat maakt dat ik Verkoelens Left Hand Letters en Haucks potloodbrieven als briefwisselingen zie, ook al blijven ze onbeantwoord? Een conversatie per post bestaat uitsluitend bij de gratie van wederkerigheid, maar misschien is de mogelijkheid of de inbeelding van een ontvanger al voldoende. De ruimte tussen de schrijver en de ontvanger wordt opgerekt door het medium van de brief, van de post, waardoor de het als communicatiemiddel ook een intrinsieke traagheid met zich meebrengt. Als de brief onbezorgd of ongeopend blijft, komt de inhoud in een niemandsland terecht. De wisselwerking van deze interactie, met het bestaan van dat niemandland op de loer, maakt dat de brief niet alleen een langzaam, maar ook een haast repetitief karakter krijgt. Dit gaat verder dan de vulpen – ook de keuze voor de opbouw, het duidelijke begin en einde, het dichtplakken- of likken van de envelop en zelfs de weg die de brief aflegt in de ruimte tussen schrijven en lezen zijn een uitvergroot ritueel: bureau, hand, brievenbus, hand, hand, hand, hand, hand, brievenbus, hand.
III.
‘Roept het geen angst op om brieven te ontvangen?’ vroeg een vriend me toen ik in de zomer van 2024 mijn plan voor een brievenproject voorlegde. Het was een vraag waar ik, tot mijn eigen verrassing, niet direct een antwoord op wist. In Franz Kafka’s vertaalde verzamelde brieven Ik moet u zo ontzettend veel schrijven (1900-1920) heeft Kafka het met Milena Polak over zijn gevoelens omtrent briefwisselingen: ‘Enige tijd geleden heb ik je gevraagd niet elke dag te schrijven, ik was bang voor de brieven; als er een keer geen kwam was ik rustiger; als ik er één op de tafel zag liggen, moest ik al mijn krachten verzamelen en dat was bij lange na niet genoeg.’ Ook aan Felice Bauer schrijft hij over zijn relatie met het medium: ‘Ik heb toch vaak het gevoel dat deze omgang in brieven, waar overheen ik haast voortdurend naar de werkelijkheid verlang, de enige omgang is die past bij mijn ellende (mijn ellende die ik natuurlijk niet altijd als ellende voel) en dat de overschrijding van deze mij gestelde grens naar een gemeenschappelijk ongeluk voor ons leidt.’
Dat verlangen naar de werkelijkheid waar Kafka over schrijft, lijkt een motivatie voor het schrijven van een brief, al is het maar omdat hierin de vernislaag van non-verbale communicatie vrijwel geheel verdwijnt. Ik begrijp dus waarom ik de vraag kreeg of mijn brievenproject me al dan geen angst inboezemde. Het woord in een brief leunt tegen de realiteit als een vermoeid kind tegen het been van de ouder; de warmte van het lichaam, en op dezelfde manier de kenmerken van een handschrift en de woordkeuze, zijn niet te ontkomen. Dit maakt wel degelijk dat mijn enthousiasme over brieven soms wordt overschaduwd door de gedachte dat er misschien iets loos is, iets wat te groot is om verbaal tot uiting te brengen. Toen ik een paar jaar geleden met mijn zus geschikte foto’s voor onze moeders bruiloft zocht, vonden we in een dekenkist ook stapels oude briefwisselingen van mijn moeder terug. Uit het feit dat ze bedolven waren onder mijn wascotekeningen van stokmeisjes met verticale staartjes kon ik opmaken dat mijn moeder ze wilde bewaren, misschien wel voor mij en mijn broer en zus. Maar hoe benieuwd ik ook ben naar de inhoud van de brieven: ik weet dat ik ze niet zal lezen. Een ongeopende brief kan alles zijn – zelfs mijn eigen briefwisselingen heb ik daarom nooit opnieuw aangeraakt.

IIII.
Waar Emma Hauck aan haar geliefde, Elisa Verkoelen aan haar oma en Franz Kafka aan zijn vrienden en familieleden schreef, beantwoordt Nick Cave in zijn digitale brievenproject Red Hand Files (2018-heden) vragen van vreemden. Deze vragen lopen uiteen van ‘Where is hope? What is hope?’ tot ‘What makes you happy?’ Ook de gemeente Amsterdam werkt met vreemden-briefwisselingen. Ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan opende de stad de armen voor brieven aan de toekomst. Inwoners die elkaar anders nooit zouden leren kennen, schrijven elkaar en werken zo gezamenlijk aan de archieflegging van de hedendaagse stad. Een brief heft de barrière tussen mensen, tussen vreemden, niet op, maar slijt hem wel af. Het dwingt je lichaam in houdingen die het niet meer gewend is. Je moet je meebewegen met de grenzen en de mogelijkheden van het medium. Knieschijven draaien, je ellenbogen overstrekken. Comfortabel is het lang niet altijd; het is eerder een schriftelijk potje twister. Een brief zegt immers niet: ‘Doe maar wat.’ Een brief zegt: ‘Plaats uw linkerhand met een vriendelijke groet op blauw.’
Ik besloot het spel te spelen, de regels met eigen ogen te ondervinden. Mijn brievenexperiment moest tweeledig zijn: enerzijds wilde ik onderzoeken hoe mensen communiceren als ze een brief aan een vreemde moeten schrijven, aan welke conventies ze zich houden. Anderzijds was ik benieuwd naar wat er zou gebeuren als je een complex thema in een heel gekaderd genre verkent. Als antwoord op de vraag ‘What is hope?’ schreef Nick Cave in zijn Red Hand Files: ‘We do not look away from the world, we look directly at it and allow the spirit of hope – the necessary driver of change – to inspire us to action.’ Het deed me denken aan wat de theoloog Hein Stufkens in zijn briefwisseling Lekenpraat (2020) met Annemiek Schrijver schreef over ‘verontwaardiging of woede over zoveel ten hemel schreiend onrecht’, waarbij er volgens hem vanzelf de vraag ontstaat: wat te doen met het verlangen naar een betere wereld?
In een gesprek met Anne-Francine, op dat moment één van de beoogde deelnemers van het brievenproject, werd ik herinnerd aan het gedicht ‘Hope is the Thing With Feathers’ (1861) van Emily Dickinson. Hierin wordt hoop beschreven als een vogel die diep in ieder mens zit en zingt, en alleen door hele sterke stormen gesust kan worden. Wat zou er gebeuren als vreemden gezamenlijk proberen om tot een soortgelijk idee te komen? Is dat überhaupt mogelijk? Het vormde de titel van het brievenproject: dat ding met vleugels werd dat ding met zegels, en het onderscheid tussen die twee werd gedurende het project van ondergeschikt belang.
V.
De eerste brief in de reeks kwam van schrijver en audiomaker Jozien Wijkhuis. Op lichtgeel papier stonden de letters in een typmachinelettertype gedrukt, alsof ze toch nog een verhoede poging deed om de verloren traditie te bewaken. ‘Als mensen de hoop verliezen op een goede afloop, of in elk geval op een goed moment op weg naar die afloop’, schrijft Jozien aan de volgende vreemde, ‘waarom doen we het dan nog? Waarom protesteren we dan nog, worden we lid van een politieke partij, koken we voor onze buurvrouw? Hoop is verplicht, in elk geval voor de mensen wiens handen niet gebonden zijn.’
Er was een begin en het begin was als een naald die op een plaat bleef hangen; Joziens woorden bleven zich in mijn hoofd afspelen terwijl ik een kopietje van de brief maakte (een handeling die te midden van de analoge communicatie vreemd aanvoelde) en die doorstuurde naar Jilles, die de ketting voortzette naar Hans, Naomi, Puck, Sarissa Ilya, Moos, Anne-Francine, Sanne en steeds weer een volgende deelnemer. Iedereen ontvangt een brief, samen met een kleine notitie van mijzelf. In hun brieven reflecteren de deelnemers op de brief die ze ontvingen, maar schrijven ze ook ontwapenend open over tal van onderwerpen: onrecht, de klimaatcrisis, oorlog, geliefdes en kleinkinderen, toekomst en verleden. Allemaal proberen betekenis te geven aan wat hoop voor hen is, wegen ze het af tegen de betekenis, onderzoeken ze het in het licht van het tegenovergestelde. Zo schrijft Puck: ‘Ik denk dat ik het makkelijker vind om aan momenten van wanhoop te denken’, terwijl Moos, net afgestudeerd aan de kunstacademie, de kleine, dagelijkse hoop opzoekt: ‘Als we het dan toch over hoop hebben – ik hoop dat ik straks de slaapcoupé helemaal voor mezelf heb, ik hoop dat mijn planten nog leven als ik straks terugkom (, ik hoop dat er iemand op me wacht).’ Lotte constateert dat hoop geen gedachte is, maar een instinct dat er ook ten tijde van ongeluk kan zijn: ‘dat wij allemaal een stukje universum zijn, dat zich eventjes ontpopt als mens. En straks weer zal verdwijnen. En weer een deel van niemand wordt.’
Sommige brieven zijn handgeschreven, anderen getypt. Naomi en Sarissa Ilya stuurden me een kaartje, van Anne-Francine – die de vijfenzeventig passeerde, en daarmee de oudste deelnemer is – ontving ik de brief alleen via mail. De postzegels vond ze belachelijk duur, en een kwartier later kreeg ik nog een bericht met een nieuw Word-bestand: ‘Ik ontdekte wat spelfoutjes, dus hierbij een nieuwe versie!’ Zo zie je maar, zelfs een medium dat al eeuwen bestaat, is aan verandering onderhevig.
VI.
Eng vind ik het niet om brieven te ontvangen. Niet meer, tenminste. Onwennig is het wel. Het voelt bij vlagen alsof ik een voet plaats in de dominoreeks die de brieven het afgelopen jaar zijn gaan vormen, om vervolgens de reeks weer aan te tikken – behoedzaam, omdat ik het natuurlijke verloop zo min mogelijk aan wil tasten. Ik ben op een andere manier onderdeel van de conversatie dan dat ik gewend ben; ik ben geen participant. Mijn rol neemt eerder de gestalte aan van de postbode die een brief mee naar huis neemt, leest en vervolgens weer op de post doet.
Wat me opvalt aan de brieven is de verhouding tussen het dagelijkse en het grotere leed en geluk, en hoe de schrijvers zich ogenschijnlijk moeiteloos tussen die twee in plaatsen. De brieven ontroeren me, maar op een meer directe manier dan de brieven van Elisa Verkoelen, Emma Hauck, Nick Cave, Franz Kafka en Hein Stufkens. Jilles eindigde zijn brief met: ‘De vreemde biedt mij hoop.’ Die woorden zijn tekenend geworden voor het project. De brieven, die onpopulaire dingen met zegels, werden kleine rituele getuigenissen, kleine handzame cirkels van verzet. Op dagen waarop mijn eigen onvermogen om te functioneren in deze hectische wereld de overhand neemt, zijn de brieven een uiting van troost. Niet omdat ze iets veranderen, niet omdat ze vervangen. Niet omdat ze ook maar een schijntje oplossing bieden, of een raamwerk vormen voor wat die betere wereld dan ook mag zijn. Maar omdat de brievenschrijvers te midden van de snelheid, chaos en het verdriet in de wereld, de traagheid omarmen, hun computer opstarten, de dop van hun pen halen, een (digitale) zegel kopen, een envelop dichtplakken, een brievenbus zoeken, een vreemde treffen.
Over de auteur
Lena Claessen (2004) schrijft poëzie, brieven en andere teksten. Ze studeert Nederlandse Taal en Cultuur aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Eerdere teksten verschenen bij Vuurland, Notulen van het Onzichtbare, Tirade en Kluger Hans.
Over de illustrator
Merel is een illustrator en studeerde in 2025 af aan de HKU. Ze verdiept zich graag in hoe technologie ons dagelijks leven beïnvloedt en tekent daarover (en over heel veel andere dingen). Ze studeert nu informatica om hier meer over te leren en zoekt naar manieren om illustratie en technologie te verbinden.
Lees meer van Lena Claessen
handleiding voor een confrontatie met de schemer
Door Lena Claessen‘voel hoe je ledematen elkaar afstoten / de twee magnetische noordpolen / je handen niet in- / maar uit elkaar drijven / de veldlijnen als spijlen boven het hekwerk dwalen / de nacht als portier die breed en gespierd / weigert de ochtend binnen te laten.’ Luna Claessen won Kunstbende in de categorie Taal. Geheel terecht staat ze daarom, voor een tweede keer, bij ons op de website. De sfeervolle illustratie is van de getalenteerde Jaantje Anna.
Lees meer uit de categorie essay
Hitler was een Oostenrijker
Door Maarten van RielDoor Fleur de Weerd en Maarten van Riel Beeld: Danibal Volgens een recente studie in opdracht van het Comité 4&5 mei heeft negentig procent van de Nederlanders zich verzoend met ‘de Duitsers’. Precies zeventig jaar na de destructieve wereldoorlog lijken de meeste wonden dus geheeld. Maar, zo rijst de vraag, waarom moesten we ons eigenlijk […]



