Proza

Kiepeneuker

Door Vincent Bakkum | beeld: Ties Wijnker
6 maart 2020

Pertti ligt languit op de houten bank onder het keukenraam. Met een lucifertje dat hij van de vensterbank heeft gepakt, poert hij in zijn oor. De televisie belooft sneeuw, nog meer sneeuw. Op de kaart van Finland zitten wolkjes met sterretjes geplakt, boven de Botnische Golf en de Oostzee pijltjes en nummers. Langs het raam stuift sneeuw in het tl-licht van de keuken. Daarachter is het aardedonker.
     Het blozende jongensgezicht van de boer vertrekt in de grijns van een zwakzinnige als hij het lucifertje onwaarschijnlijk diep in zijn oor duwt. Zijn gezicht ontspant zich bij het bestuderen van de luciferkop, met de lome desinteresse van een chimpansee die een vlo tussen zijn vingers bekijkt voor hij die tussen zijn voortanden stuk bijt. Hij draait het oorsmeer tot een balletje en schiet het na een paar mislukte lanceringen over het keukenzeil.
     ‘Jumalauta, too many snow, very wind,’ moppert Tuula aan de keukentafel, terwijl ze haar halfopgerookte Marlboro verkruimelt boven het bord waarvan ze zojuist rokend en met tegenzin van een aardappel en een reepje ham met wat lauw wondvocht heeft gegeten.
     Pertti legt de lucifer terug op de vensterbank. Grommend zakt hij terug tegen de harde armleuning.
     ‘Ruikammekkuut, kiepeneuker,’ zegt hij tegen de weerman die ons een goedenacht wenst.
     Hij grijnst naar Olaf. Olaf blikt naar Tuula. Gebogen boven haar etensresten pulkt ze het vuil onder haar nagels vandaan. Óf ze heeft het niet gehoord, óf hij kan doodvallen.
     Pertti had Olaf vanmorgen in het bos voorgedaan hoe met de motorzaag langs de stammen te aaien, zodat deze zich bij het verslepen niet als ankers in de bosgrond zouden vasthaken.
     Olaf had hem een ‘kippenneuker’ genoemd. In ruil had Pertti hem ‘vittu’ (kut) cadeau gedaan, met als bonus ‘haista vittu’, ‘ruik kut’ oftewel ‘lazer op’, wat Olaf op zijn beurt weer als ‘ruik aan m’n kut’ had opgevat.
     Tijdens het melken die avond had Pertti zijn vrouw hikkend van het lachen ‘ruikammekkuut kiepeneuker’ toegeroepen. Na de twaalfde keer had ze hem iets toegebeten en een geïrriteerde trapbeweging gemaakt waarbij ze haar gehakte rubberlaarsje per ongeluk had uitgeschopt. Witheet en vloekend van ‘vittu saatana’ was ze door de stal achter haar schoeisel aangehinkt, om hem even later met het dunne eind van een bamboehengel, die ze af en toe gebruikte voor een nukkige koe, een striem in zijn nek te verkopen.
     Olaf hoort nog het kettinggekletter en het geschrokken geschraap van hoeven over het beton toen Pertti het melkstel uit zijn handen liet vallen.
     ‘Perkele, perkele!’ brulde hij met een van pijn vertrokken smoelwerk. ‘Saatanan portto!’
     Olaf had een golf van deernis gevoeld; voor Pertti, diens pijn, voor zijn vrouw, maar ook voor zichzelf, ver van huis, gescheiden door diepe ijskoude zeeën, uitgestrekte bossen en geploegde oorlogsakkers waarover de sneeuw onafgebroken voortjoeg.
     Hij voelde zich medeplichtig aan de ruzie. Alsof hij een kind een vies woord had geleerd en aldus verantwoordelijk was voor het gejen in de stal, dat in getier en huiselijk geweld was ontaard.
     Dit waren geen ruziënde broer en zus of de verstandelijk beperkte bewoners van een zorgboerderij, dit was een getrouwd stel, nota bene met een zoon die de dienstplicht vervulde en wiens werk op de boerderij Olaf een jaar zou gaan overnemen.
     Het avondeten had onder het gedonder in de stal geleden. Tuula had een paar ongewassen pokdalige piepers gekookt en opgediend met een emmertje zuurkool en een kartonnen bord zoute augurken. Zachte, gedeukte augurken als slijmerige, ongewervelde zeedieren. Ze hadden de allerlaatste resten van de kerstham gesneden. Op een schaal ligt het kaalgevreten kniegewricht van een varken.
     De weerman heeft plaatsgemaakt voor een andere nieuwslezer in eenzelfde grijs kostuum. Bedrukt leest hij monotoon voor van velletjes papier die hij van links naar rechts verschuift.
     Wat is er gebeurd of wat staat er te gebeuren?
     De gelaten gezichten van Tuula en Pertti en ook het uitgestreken smoelwerk van de nieuwslezer verraden geen emoties die op onraad duiden. Er is veeleer sprake van een berichtgeving waar de kijker gewoontegetrouw deze tijd van het jaar even doorheen moest, om bestwil van het individu in het algemeen en de natie in het bijzonder. Een nieuw jaar met nieuwe verwachtingen en nieuwe verplichtingen. Er komt geen eind aan.
     Rokend en bladerend door de lokale krant wacht Olaf het moment af tot ook deze man aan Pertti’s kut mag ruiken, als buiten plotseling de bouwlamp aanfloept. De oprit tussen het huis en de stal baadt in een koud, blauw licht. Stuifsneeuw blaast in wervelwinden over het erf.
     Pertti draait zijn hoofd loom naar het raam, schiet dan overeind en beent met grote stappen de woonkamer in. Ze horen hem een lade opentrekken die op de grond klettert. Hij graait door de spulletjes. Even is het stil en dan loopt hij de keuken weer in. Over zijn arm bungelt een opengeklapt, dubbelloops jachtgeweer. In het voorbijgaan duwt hij een patroon in de loop. Tussen zijn tanden zit nog een patroon.
     Tuula draait met haar wijsvinger rond haar slaap.
     ‘Idiootti,’ zegt ze.
     Olaf legt de krant op tafel en gaat naar het raam. Naast de lichtblauwe Toyota pick-up zit een joekel van een haas, verstard in het licht van de buitenlamp, rechtop, als een bedelende hond. In de vestibule klinkt de klik van de loop in het mechaniek. Hij loopt achter Pertti aan, die naar de buitendeur knikt. Voorzichtig opent Olaf de deur op een kier. Pertti legt aan en richt het geweer. Stuifsneeuw waait naar binnen. Hij knijpt één oog dicht, schuift wat met de verroeste loop langs de sponning en haalt de trekker over. Het schot knalt door de nacht en door het huis. Terwijl het geluid nog uitdijende is, ontsnapt Pertti een gesmoord ‘perkele’. Hij duwt de deur open en stapt naar buiten, legt aan en schiet nog een keer. Dit keer in de richting van de betonnen bak met kuilgras. Het schot golft achter het vorige aan.
     ‘Voi, jumalauta!’ krijst Tuula in de keuken. ‘Voi, jumalauta, Heinänen! Meiän auto! Heinänen!’
     Heinänen (zo heet Pertti met zijn achternaam) verdwijnt met grote passen op zijn wollen sokken in het donker.
     ‘Meiän auto’ is hun pick-up die zojuist getroffen is door een hagelregen. Het portier en de beide wieldoppen zitten vol putjes. Hier en daar is de baby-blauwe lak eraf gespat. In de zijspiegel zit nog één scherpe splinter, de rest ligt in de sneeuw. In zijn allesverzengend jachtinstinct had oermens Heinänen zijn auto over het hoofd gezien. Het halletje ruikt heerlijk naar vuurwerk.     

     Olaf schuift in zijn klompen en stapt naar buiten, voorzichtig het gladde trappetje af. Hij raapt het jachtgeweer op uit de sneeuw en loopt ermee richting de stal. De wind is wat gaan liggen en het is harder gaan sneeuwen. Als hij het donker tussen de stal en de bak met kuilgras inloopt, ziet hij tussen de sparren achter de mestvaalt Pertti opdoemen. Deze tilt de arm met de haas triomfantelijk naar Olaf omhoog. Hij had het bloedspoor gevolgd en het zieltogende beest dus gevonden. Er trekt een siddering door de ondersteboven hangende haas, en nog een, en dan hangt hij zwaar languit in zijn volle lengte. Uit het neusje vallen donkere bloeddruppels in de sneeuw en op de sokken van Pertti, die een stuk touw uit zijn broek trekt. Hij reikt Olaf de haas aan met een diepe knik van zijn hoofd, zoals leden van naburige stammen elkaar vruchten of zelfgebreide hangmatten overhandigen als bewijs van hun vreedzame bedoelingen.
     Olaf zet het geweer tegen de stalmuur en pakt de haas aan. Hij voelt warm en zwaar, een flinke tekkel. De ogen glanzen. Hij strijkt langs de lange borstels van de achterpoten.
     Pertti snijdt een stuk van het touw en legt er een lus in, die hij om de poten bindt. Hij gebaart Olaf hem te volgen en ze lopen onder de betonnen brug die naar de hooizolder boven de stal leidt. Op een richel van een stalraam vindt Pertti een verroeste spijker die hij met een kei in de deur van het rommelhok slaat. Dan hangt hij de haas eraan. Met zijn dolk ritst hij het bontje van hals tot staart open, trekt de ingewanden eruit en verdwijnt ermee achter de stal. De bloederige jaap dampt in de vrieskou. Als Pertti weer verschijnt heeft hij een handvol sparrentakjes bij zich die hij in de buikholte propt. Hij wast zijn handen met sneeuw.
     ‘Kahvia, kiepeneuker?’ vraagt hij, ‘koffie?’ Ze lopen langs de gehavende Toyota. Pertti strijkt langs het portier met het sterrenbeeld De Grote Jager en trekt grijnzend het laatste stukje spiegel uit het frame. Hij knikt richting het keukenraam en mompelt wat met zijn vuist voor zijn gezicht.
     De keuken is verlaten. Op de televisie zitten hinnikende mannen en vrouwen achter kleurige katheders met digitale nummerklokken. Pertti zet een ketel water op het fornuis en schuift een bordje bevroren kaneelbroodjes in de magnetron. Als hij weer op zijn meubel gaat liggen floept de bouwlamp uit, alsof er niets is gebeurd.
     Olaf staart in het donker. Zo kauwde het beest nog op een stukje korstmos in afwachting van orders van hogerhand, en zo was de geest gevlogen in een regen van lood. Gevlogen naar de oorsprong van zijn instincten dan wel gedoofd in zichzelf.
     Het water in de ketel begint te zingen. Pertti zuigt fluitend lucht naar binnen, waarop het belletje van de magnetron klinkt. Voor hij kan opstaan loopt Olaf naar het aanrecht. Pertti knikt hem gemoedelijk toe. Even later drinken ze hun oploskoffie en kauwen ze op het koude deeg van een kaneelbroodje.
     De deelnemers aan het televisiespelletje zingen samen een liedje, terwijl de presentatrice met haar handen onder haar borsten een rondje draait. Het publiek applaudisseert.
     Gedoofd in zichzelf of gevlogen naar de bron van alles?, denkt Olaf. Licht uit of licht juist aan?
      Wat zeker is, hoewel het zich allemaal zó razendsnel en zonder uitgeschreven handleiding had voltrokken dat het ook niet gebeurd had kunnen zijn, is dat er buiten onder de brug een nog warme, dampende, met dennennaalden gevulde haas hangt te versterven. Hij is benieuwd hoe ze het wild morgen of overmorgen door Tuula opgediend zullen krijgen.
     Als Olaf zich opmaakt om naar boven te gaan, moet hij weer denken aan het gesar in de stal van vanmiddag. Hij drukt z’n North State uit in de asbak.
     ‘Portto, Pertti, wat betekent dat?’
     Pertti glundert als een ondeugende schooljongen. Hij weet waar Olaf aan refereert. Zonder een woord Engels, aan de hand van wat obscene heup- en handbewegingen, en een paar Finse woorden die volgens Olaf met niets anders dan zeelui en havens van doen konden hebben, lijkt het erop dat Pertti zijn vrouw vanmiddag voor ‘stomme hoer’ had uitgemaakt, of ‘vuile slet’, wat doet het ertoe?
     ‘Troeste, kiepeneuker!’ zegt Pertti als hij zich weer installeert op het Scandinavische martelmeubel, in afwachting van wat de lichtbak nog in petto heeft.
     ‘Haist vittu,’ antwoordt Olaf.
     Op weg naar boven klinkt er uit de slaapkamer van zijn werkgevers gegorgel, als het laatste water dat verdwijnt door een afvoerputje.

Over de auteur

Na een kwart eeuw Helsinki, waar Vincent Bakkum vader, man en kunstenaar is geworden, woont hij inmiddels aan de rand van Bergen (NH) waar dennen plaats maken voor wilgen en helmgras voor riet. Met schilderen (www.saintjustine.com) verdient hij de kost, met schrijven geeft hij zin aan zijn bestaan. Hij schrijft een column voor een lokale krant en voor De Optimist en De Gids. In eigen beheer is de novelle ‘De Schaamstreek’ uitgegeven.

Over de illustrator

Portfolio van Ties Wijnker

Lees meer van

Kraaien

Door Vincent Bakkum

Vincent Bakkum vertelt over twee oude vrienden. Ik denk veel aan mijn kraaien. Overal zie ik ze en hoor ik ze, maar of het ‘mijn’ kraaien zijn weet ik niet. Zullen ze mij nog herkennen en misschien op afstand gadeslaan? Soms blijft er wel eens een zitten tot ik hem dicht genaderd ben, maar als […]

Lees meer uit de categorie Proza

Ze kwamen uit de diepte

Door Eileen Ros

‘Ron! Ronnie! Je pijp valt weg!’    Ronnie Delano Esajas Jr., twintig meter ver in zee, hoorde alleen het kolken van het water. Dwingend trok het langs zijn benen, in kronkelige banen naar de waterkant. Ze moesten snel zijn nu, voor de kade helemaal zou instorten en het werk voor niets zou zijn. Een groepje rode […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper