kort verhaal

Hoogteziekte

Door: Leon Trapman
Beeld: Bertin van Vliet

Davids voetstappen galmen door de woonkamer. Leeg ziet het er veel groter uit. De vensterbank lijkt breder, het plafond hoger. Sofie had het hier altijd ongezellig gevonden.  Haar favoriete mikpunt was de vergeelde poster die met punaises in het behang boven de bank gedrukt hing. Een gebergte waarvan hij de naam niet wist. Hij had altijd de behoefte gevoeld om te protesteren als ze er iets over zei. De poster zit nu, opgerold met een elastiek eromheen, in een van de dozen die in Sofies appartement staan. Hún appartement, moet hij nu zeggen. Sinds vorig weekend staat zijn ongefilterde hebben en houden er tegen de muur, klaar om een plekje te krijgen. Hij blijft het voor zich uit schuiven. Gisteren had Sofie er iets over gezegd: ‘Zo lijkt het appartement nog kleiner dan het al is.’

‘Ik doe het dit weekend,’ had hij haar beloofd. Daarmee had hij zichzelf twee dagen respijt gegeven.

David schiet vanaf het balkon een peuk de diepte in en kijkt hem na. Hij had zo zachtjes mogelijk gedaan om Sofie niet wakker te maken: het bed uit, de deur open en weer dicht, geluidloos rommelen tussen de spullen, opnieuw beseffend dat hij niet efficiënt heeft ingepakt.  Het aangebroken pakje sigaretten vond hij in de vierde doos die hij opende, ingeklemd tussen een paar boeken en een minuscule versie van het Vrijheidsbeeld. Zonder het licht aan te doen ging hij op zoek naar een aansteker. Ergens in de keukenla moest er een liggen. Zijn vingers gleden langs lepels, vorken, messen, kurkentrekkers, scharen, een knoflookpers, tot hij stuitte op hard plastic met een metalen wieltje aan het uiteinde. Met de sigaretten en de aansteker tegen zijn borst geklemd schuifelde hij richting de balkondeur, langs de meubels die hier zo dicht op elkaar staan, slalommend om de keukentafel en de salontafel, achter de bank langs, op de tast en voetje voor voetje om nergens tegenaan te stoten.

Eerst valt de sigaret, vervolgens begint hij te dwarrelen. Uiteindelijk zal hij op het grasveld voor het gebouw neerkomen, waar overdag kinderen uit de buurt spelen en jongeren ’s avonds met elkaar rondhangen, luisterend naar muziek. De klanken zijn vaak tot hier boven te horen. Nu is het stil. Rond een uur of tien vertrekken ze meestal weer, zelfs op zomerdagen als deze, wanneer de temperatuur tot laat in de avond boven de vijfentwintig graden blijft hangen. Als het geluid van hun scooters is weggestorven, blijft alleen de lichte ruis van de snelweg in de verte over.

Zo ver laat ik het niet komen, had hij gedacht, maar het was nog niet het moment om daarover te beginnen.

David kijkt naar beneden. De sigaret is al te ver gevallen om hem nog te kunnen onderscheiden. Iemand verlaat het gebouw om een hond uit te laten. David heeft geen hoogtevrees, toch duizelt het hem even. Misschien is het de nicotine, die hij ontwend is en die nu naar zijn hoofd stijgt. Hij is blij dat hij het pakje heeft kunnen vinden. De inhoud van de dozen ziet eruit alsof alles erin gegooid is – wat voor een groot deel ook zo is. Ook bij het inpakken had hij het erop aan laten komen. Pas de avond voordat Sofie met het busje kwam voorrijden, was hij er haastig aan begonnen. Hij had meer weg moeten gooien. Die poster met de bergen bijvoorbeeld, die Sofie absoluut niet aan de muur wilde hebben maar die hij toch had ingepakt. Voor het geval dat. En die sigaretten eigenlijk ook. Toen ze elkaar zo’n vier maanden kenden, had ze stoppen als voorwaarde gesteld om verder te daten. ‘Het ruikt vies. En het zoent niet lekker. En als we ooit kinderen krijgen, wil ik niet dat die een vader hebben die rookt.’

Zo ver laat ik het niet komen, had hij gedacht, maar het was nog niet het moment om daarover te beginnen. Hij had het weg moeten lachen. Maar in plaats daarvan zei hij te zullen stoppen. Gewoon om aardig te zijn. Het was een belofte waar hij zich over het algemeen goed aan zou weten te houden, op een enkel zwak moment na. Zijn laatste sigaret rookte hij twee maanden geleden. Nu twijfelt David of hij er nog een zal opsteken. Hij telt zijn sigaretten en steekt het pakje dan weer terug in zijn achterzak. Hij is nog steeds een beetje licht in zijn hoofd. Het is warm binnen. Overdag loopt de temperatuur op en ’s nachts koelt het nauwelijks af. De enige plek waar het nog een beetje uit te houden is, is het balkon. Vanavond hadden ze er gezeten. Sofie had rode wijn gehaald. Ze hadden muziek opgezet en luisterden in stilte. Ver voorbij de bomen zagen ze de auto’s over de snelweg razen. Sofie legde haar hoofd op zijn schouder en zei dat ze zich volmaakt gelukkig voelde. David kneep zachtjes in haar hand en zweeg.

In de keuken drinkt hij een glas water. Het helpt niet tegen zijn droge mond. Zijn shirt plakt tegen zijn rug. Hij voelt zich vies en twijfelt of hij nog een keer zal douchen. Geen goed idee, want van het geluid van de douche kan Sofie wakker worden. Slapen kan hij zo wel vergeten. Hij ziet zichzelf al doodmoe aan een nieuwe dag beginnen. Morgen moet hij die dozen uitpakken. In de gang staart hij er een tijdje naar, de manshoog opgestapelde kartonnen dozen die maar een smal gangpad overlaten. Staand tussen die dozen voelt hij de muren op zich afkomen. En God, wat is het hier warm.

Bij het omdraaien van de contactsleutel springt de radio aan, zo hard dat David ervan schrikt. André Hazes schalt door de auto. Sofie is van de smartlappen. Een van de dingen die hij in het begin zo leuk aan haar vond, die totaal andere muzieksmaak. Ze zette het soms op en zong dan hard mee, expres vals, die verschrikkelijke zwabberstem imiterend. Hij kon daar hard om lachen. Sowieso dacht hij in het begin veel te kunnen leren van haar eenvoudige vrolijkheid. ’s Avonds niet op de bank liggen maar een spelletje spelen aan de keukentafel. Geen moeilijke buitenlandse films maar een Nederlandse romkom. Verschillende soorten thee verzamelen. Dat soort dingen.

Hij draait het volume omlaag, zoekt naar een andere zender, draait de volumeknop weer open en rijdt achterwaarts de garage uit. De ramen staan open, de muziek galmt door de parkeergarage. Gelukkig is het hier een stuk koeler. Hij laat de motor een tijdje grommen en draait de bas harder. Dan sluit hij de ramen en rijdt stapvoets naar de uitgang.

Terwijl David de ring op draait, denkt hij aan de eerste keer dat hij bij Sofie was blijven slapen. De volgende ochtend moest hij vroeg weg.

‘Ik ga je missen,’ had Sofie gezegd nadat ze de wekker uit had gedrukt en tegen hem aan was komen liggen.

‘Ik jou ook,’ had David zonder na te denken geantwoord, maar toen hij de deur achter zich had dichtgetrokken moest hij zich haasten. Pas ’s avonds had hij aan dat moment teruggedacht. Echt gemist had hij haar niet. En hij denkt aan een maand geleden, toen samenwonen plotseling een logische stap had geleken. Davids nieuwe baan in de buurt van waar Sofie woonde, de zoveelste huurverhoging die zijn huisbaas hem per brief had medegedeeld. ‘Waarom trek je niet bij me in?’ Dat was het moment geweest om erover te beginnen, maar hij had het voorbij laten gaan. Hoe pak je zoiets aan? Had zij daar dan geen last van, dat de verschillen tussen hen zo veel groter waren dan dat ze in het begin hadden geleken? Toen ieder verschil interessant was, een nieuw perspectief bood?

Hij duwt het gaspedaal verder in. De weg is leeg, op een enkele auto na die David steeds in een flits voorbijschiet. Hij voelt de sleutel in zijn achterzak.

Het matras in de hoek ligt er nog. Toen hij zijn bed had verkocht, had hij nog een slaapplek nodig gehad om de laatste paar dagen tot de definitieve verhuizing te overbruggen. Hij moest nog wat dingen regelen, schoonmaken, de huurbaas kwam nog langs voor een eindcontrole en om de borg terug te geven.

Hij gaat liggen en draait zich op zijn rechterzij. De lege kamer baadt in het harde licht van de straatlantaarn voor het raam. Zijn gordijnen heeft hij weggehaald. De nieuwe huurders wilden andere. Hij heeft ze één keer ontmoet. Op een doordeweekse avond belden ze aan. Ze wilden alvast een kijkje komen nemen. Hij ziet ze nog staan, in het midden van de kamer, waar het licht van de straatlantaarn zich nu concentreert in de weerspiegeling van het parket. Jonge mensen, dertigers net als hij en Sofie. Ze hadden een arm om elkaars middel geslagen en zagen allerlei mogelijkheden. De muur tussen de keuken en de woonkamer zou doorgebroken moeten worden. Een andere muur wilden ze lichtblauw verven.

Starend naar het plafond vraagt hij zich af of er een verschil bestaat tussen bij iemand blijven en niet bij iemand weggaan.

‘En dan daar de speelhoek,’ had de man op een gegeven moment gezegd. Hij knipoogde naar zijn vriendin en drukte haar dichter tegen zich aan. Na een tijdje had David ze alleen gelaten. Hij moest Sofie van het station gaan halen. Dat had hij haar beloofd.

Starend naar het plafond vraagt hij zich af of er een verschil bestaat tussen bij iemand blijven en niet bij iemand weggaan.

Sofie zal zich zorgen maken als ze morgen wakker wordt. Ze zal gaan bellen. Wat moet hij haar dan zeggen? De halve waarheid: dat het de hitte was? Onvolwassen. Het woord blijft een tijdje door zijn hoofd spoken. Dan staat hij op. Voordat hij de deur achter zich dichttrekt, werpt hij een laatste blik achterom. Terwijl hij het tuinpad afloopt naar de auto, begint hij met het wegen van zijn woorden. Als hij het goed brengt, zal ze het begrijpen.

Als de deuren dicht glijden en de lift begint te stijgen, voelt David zich zwaarder worden. Hij kijkt op zijn horloge en rekent. Alles bij elkaar is hij maar anderhalf uur weg geweest. Hopelijk heeft ze niets gemerkt. Als hij de voordeur opent, slaat de muffe hitte hem weer in zijn gezicht. Hij manoeuvreert zich langs de dozen en stapt de badkamer in. Het licht van de tl-buis boven het toiletkastje is hard en blauwig. Een motje danst voor de spiegel langs. Hij poetst zijn tanden, wast zijn handen, borstelt zijn nagels en ruikt dan aan zijn vingers. Nog altijd valt er een zweem van nicotine te bespeuren. Hij waagt het er maar op. Op de tast gaat hij de slaapkamer binnen. Hij mikt op de rechterkant van het bed. Sofie wil nog wel eens woelen en draaien. David ziet zich gedwongen om te gaan liggen waar plek is. Rechts is vrij vannacht. Hij trekt het laken tot onder zijn kin en draait zich op zijn zij. Hij denkt aan de poster van het onbekende gebergte, ergens in een van die dozen op de gang. Geen idee waar die zou kunnen hangen. De enige plek die hij voor zich ziet, is in dat nu lege huis, boven de plek waar de bank stond, met vier punaises in het behang.

 

Over de auteur

Leon Trapman (1994) is beginnend schrijver en woont vooralsnog in Nijmegen. Hij studeerde rechten en verdient nu de kost met het overbrengen van die kennis op nieuwe studenten. In zijn vrije tijd speelt hij gitaar en metselt hij zichzelf in tussen boeken en lp’s. Zijn eerste verhaal verscheen vorig jaar in <i>Op Ruwe Planken</i>.

Over de illustrator

Bertin van Vliet (Ommen, 1974) is een multigedisciplineerde kunstenaar met een sterk DIY-ethos en de eigenschap om telkens nieuwe technieken te onderzoeken. Zijn portfolio bevat onder andere figuratieve tekeningen, geometrische abstracte schilderijen en strips. Naast beeldende kunst is Bertin ook bekend vanwege zijn electronische muziek, animaties, kartonnenrobotworkshops.

Lees meer van

Sleutels

Door Leon Trapman

Als ik met mijn auto de parkeerplaats opdraai, staat Danny er al. Hij wacht altijd op me, leunend tegen zijn auto. Dat hoeft hij niet te doen, we hebben allebei dezelfde sleutelbos. Sterker nog, ik zou het fijn vinden als Danny niet op me zou wachten. Ik heb hem weleens gevraagd waarom hij niet gewoon […]

Lees meer uit de categorie kort verhaal

Corium

Door Nelson Morus

Jaren later blikt Nienke terug op een vormende herinnering uit haar jeugd. Een werkelijk prachtig, klein en intiem verhaal van Nelson Morus. Dank aan Ilse Groot Nuelend voor de mooie illustratie.

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen